Posts tonen met het label Religie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Religie. Alle posts tonen

dinsdag 18 augustus 2026

Ketterij. Jezus Christus en de andere zonen van God

 


NIXEY, C.,
Ketterij. Jezus Christus en de andere zonen van God. A’dam, Hollands Diep, 2024, 429 pp.

Novatianen, sabbatianen, eunomianen, valentinianen, priscillianen, borborieten, ... en nog veel meer. Ik had er nog nooit over gehoord.

In de eerste eeuwen van het christendom circuleerden er enorm veel interpretaties van het verhaal over Jezus van Nazareth. Christenen waren het vaak niet eens over de interpretatie van de overgeleverde teksten. Jezus van Nazareth was trouwens niet de enige die in die tijd pretendeerde dat hij goddelijk of de zoon van God was.

In het eerste deel van het boek haalt Catherine Nixey een aantal van die vroege interpretaties van onder het stof.

De meeste daarvan zijn intussen in de vergetelheid geraakt, deels omdat hun aanhangers ze gewoon verlaten hebben. Maar heel wat van die vroege overtuigingen zijn verdwenen als gevolg van de hardnekkige vervolging door een groep fanatieke christenen.

Zij wisten zich vanaf de 4e eeuw gesteund door de bekering van de Romeinse keizer Constantijn. Geleidelijk kwamen er wetten die slechts één versie van het christendom gedoogden. Alle andere versies waren vals en moesten verdwijnen. Toen het christendom van Constantijn tot staatsgodsdienst werd verklaard was het vonnis geveld.

De eeuwenlange Romeinse tolerantie inzake geloofsovertuigingen werd op nog geen eeuw tijd de grond ingeboord. En Europa werd ondergedompeld in Eeuwen van duisternis.

In een ongemeen boeiend en rijk gestoffeerd werk  brengt Catherine Nixey deze afgekeurde en uitgeroeide geloofsovertuigingen, die men ketterij ging noemen, weer tot leven. Haar betoog is zeer stevig onderbouwd, met een uitgebreide bibliografie. De tekst is bovendien zeer onderhoudend geschreven en laat zich heel vlot lezen.

Terecht noemt The Times het een briljant boek.

@ Minervaria



donderdag 30 april 2020

Eeuwen van duisternis



NIXEY, C., Eeuwen van duisternis. De christelijke vernietiging van de klassieke cultuur. (Vert. The Darkening Age, 2017) Hollands Diep, 2018 (2e dr.), 398 pp. – ISBN 978 90 488 4718 1

In 2014 werd binnen het IS-kalifaat muziek verboden en werden boeken verbrand. Het jaar daarop begonnen IS-militanten met het systematisch verwoesten van de resten van de antieke steden Nimrud en Palmyra. ‘Valse afgoden’ moesten worden vernietigd. De wereld zag met afgrijzen hoe drieduizend jaar oude beelden omver gehaald werden en met mokers kapot geslagen.

Het was niet de eerste keer dat de stad Palmyra en haar heiligdommen aangevallen werd en verwoest. En waarschijnlijk hebt u nooit gehoord over de prachtige tempel van Serapis in het huidige Egypte. Dat hoeft niet te verbazen, want in 392 n.C. is hij door een bisschop, met de hulp van een troep fanatieke christenen, met de grond gelijk gemaakt.

Catherine Nixey heeft het voor u uitgeplozen. Ze schreef een beklijvend en uitstekend gedocumenteerd boek, ruim geïllustreerd, over de grotendeels onbekende tragedie achter de ‘triomf’ van het christelijke geloof. Er wordt, in haar eigen woorden, ‘ongegeneerd gerouwd over de grootste verwoesting van kunst die de mensheid ooit heeft meegemaakt’.

Ons werd altijd voorgehouden dat de kerk licht had gebracht in heel Europa. Mensen zouden zich massaal en graag tot het zachtmoedige christendom bekeerd hebben, dat mijlen verheven was boven de eeuwenoude godencultussen. Minder bekende geschriften, en veel objecten in musea en archeologische vindplaatsen, vertellen echter een ander verhaal.

In de polytheïstische klassieke samenlevingen heerste religieuze tolerantie. De goden bestonden gewoon naast elkaar en iedereen kon verschillende goden aanbidden en dienen. De Romeinse autoriteiten kregen echter te maken met een sekte die zeer recalcitrant was en overtuigd van het eigen grote gelijk. Wie een andere god aanbad, was niet gewoon anders, maar dwaalde en moest desnoods met geweld bekeerd worden. Groepjes fanatieke christenen verstoorden geregeld de openbare orde en gingen zich te buiten aan beschadiging en vernieling van gebouwen en kunstwerken.

Sommige keizers traden hardhandig op, maar dit waren uitzonderingen. Er zijn niet veel jaren geweest waarin christenen op last van een keizer zijn vervolgd. Het was de eerste 250 jaar n.C. officieel beleid van de meeste keizers om de christenen te negeren en te zeggen dat er niet actief jacht op hen mocht worden gemaakt. Martelingen en executies gebeurden niet zozeer omwille van hun geloof maar omdat zij de rust verstoorden.

Naarmate het aantal aanhangers van het christendom toenam, werden deze steeds driester. Christelijke moralisten spraken hun afkeer uit over alle aspecten van het ‘heidense’ leven. Ze trokken van leer tegen alles wat niet strookte met de christelijke leer. In de loop van de 4e eeuw nam de druk op de ‘andersgelovigen’ toe. Kunstenaars, filosofen en andersdenkenden werden op allerlei manieren geterroriseerd.

Toen met de eerste christelijke keizer Constantijn de christenen effectief aan de macht kwamen, werd het christendom staatsreligie. Meteen werden alle andere cultussen verboden en de cultusobjecten vernietigd. Beelden werden brutaal beschadigd en bij sommige werd een kruis in het voorhoofd gekerfd. Hele bibliotheken werden geplunderd en verwoest. De restanten van de grootste bibliotheek ter wereld, die van Alexandrië, zijn door christenen verwoest.

Er installeerde zich een gedachtencensuur. Iedereen moest desnoods met geweld tot het ware geloof bekeerd worden. Mensen werden verplicht zich te laten dopen en naar de kerk te gaan. Huizen werden doorzocht en geplunderd door fanatieke christelijke bendes. Filosofen werden mishandeld en vogelvrij verklaard, beroemde scholen gesloten. Ook feesten werden verboden.

Overal in de klassieke wereld stierven de oude religies uit en werd het christendom allesoverheersend. De repressie door het staatsgezag nam gestaag toe. In de 6e eeuw vaardigden de Romeinse keizers wetten en verboden uit die andersgelovigen viseerden. Een complete leefwijze was ten dode opgeschreven.

Een combinatie van onwetendheid, angst en waanzin bracht de vrijwel volledige verwoesting mee van alle Latijnse en Griekse literatuur. De geschriften van de Grieken zijn nagenoeg allemaal verdwenen. Naar schatting is minder dan 10 procent van alle klassieke literatuur tot in onze tijd bewaard gebleven. Het was het begin van de donkere middeleeuwen die Europa eeuwenlang in hun greep hielden.

Eeuwen van duisternis is een ware, maar droevige, revelatie.

© Minervaria

donderdag 29 september 2016

Spiegels

HENDRIKS, I., Spiegels. Levendig Uitgever, 2016, 64 pp. – ISBN 978 94 91740 40 4

Op een paar decennia tijd is de verscheidenheid in de Westerse samenleving razendsnel toegenomen. De nieuwkomers uit alle delen van de wereld hebben hun eigen culturele en religieuze tradities meegebracht. Zo hebben ze de vanzelfsprekendheid van de Westerse levensbeschouwingen doorbroken.

Als reactie gaan veel mensen zich achter de eigen waarheid verschansen. De verschillen worden in de verf gezet en de standpunten gepolariseerd. Vaak fungeert religie daarbij als de splijtzwam bij uitstek. De meeste mensen zijn helemaal niet vertrouwd met andere levensovertuigingen. Ze zien dan ook vooral de verschillen met de eigen levensbeschouwing. Samenleven met mensen uit andere religieuze tradities wordt zeer moeilijk en zelfs onmogelijk geacht.

Toch hoeft dit niet zo te zijn. Religies zijn er immers niet om mensen te verdelen maar om hen te verbinden, aldus Mahatma Gandhi. Onder de grote verscheidenheid gaan immers opmerkelijke gelijkenissen schuil. Wie de verhalen van religies hoort en leest, merkt dat ze alle gaan over de zoektocht naar de diepere zin van het bestaan.

Ingeborg Hendriks verzamelde voor u een keur van uitspraken en verhalen uit de schriftelijke en mondelinge overlevering van de grootste religieuze tradities. Ze ordende deze wijsheden rond vier universele thema’s en laat de teksten verder voor zichzelf spreken. Men hoeft overigens niet zelf te geloven in een god om ze te kunnen smaken en waarderen. Mij spraken in het bijzonder de verhalen uit de mondelinge overlevering aan.

Zodoende biedt Spiegels uitstekend materiaal voor lessen levensbeschouwing in het onderwijs. Jongeren worden niet lastig gevallen met belerende teksten. De beelden, verhalen, allegorieën en wijsheden uit verschillende religieuze tradities nodigen hen vanzelf uit om stil te staan bij zingeving. Ze leren over de grenzen van het verschil heen te kijken en aandacht te krijgen voor wat werkelijk belangrijk is in het leven en wat mensen verbindt. Bij het boek is er ook lesmateriaal ontwikkeld, te raadplegen op de site van de uitgever en van de auteur.

Het werk is prachtig vorm gegeven en op maat van de doelgroep. Met een harde kaft en stevig glanspapier is het boek zeer geschikt voor intensief gebruik. De groot formaat letters en de kleurige illustraties maken het werk bovendien laagdrempelig. Het nodigt uit om er geregeld in te bladeren en te lezen. Spiegels is een aanwinst voor iedere bibliotheek.

@ Minervaria

dinsdag 14 juni 2016

Wetenschap en religie

DIXON, T., Wetenschap en religie. (Vert. Science and Religion: A Very Short Introduction, 2008) A’dam, Amsterdam University Press, 2015, 184 pp. – ISBN 978 90 89646941

Een botsing tussen wetenschap en religie is onvermijdelijk omdat hun verklaringen of standpunten onverenigbaar zijn. Zo luidt althans de gangbare opvatting. Toch klopt deze niet zonder meer. Politieke, sociale ethische motieven en achtergronden spelen een minstens even grote rol. De Britse historicus Thomas Dixon doet een informatief en onpartijdig onderzoek naar de meest gangbare conflicten tussen wetenschap en religie.

Zo maakt hij duidelijk dat het dispuut tussen Galilei en de Rooms Katholieke Kerk niet in de eerste plaats ging over zijn wetenschappelijke opvattingen. De Kerk had immers weinig problemen met de empirische wetenschap. Galilei had echter de pech dat hij in volle contrareformatie leefde. Hij werd vooral veroordeeld omdat hij de Kerk niet gehoorzaamd had.

Religie heeft doorgaans weinig problemen met het wetenschappelijk onderzoek naar de werking van de natuur. Het intellectuele meningsverschil heeft vooral betrekking op de vraag hoe de natuur is ontstaan en of er al dan niet een God is die er zich mee bemoeit. Wetenschap en religie zijn hier aan elkaar gewaagd. Geen van beide kon deze kwestie tot nu toe afdoende ophelderen.

Vooral de evolutietheorie stelt de religie op de proef. De meest prominente tegenstanders vinden we bij de islam en bij het protestantisme in de Verenigde Staten. Daar kant men zich echter niet zozeer tegen wetenschap op zich. In de Verenigde Staten heeft ‘intelligent design’, ook wetenschappelijk creationisme genoemd, immers een ruime aanhang. Dat de evolutietheorie er gevaarlijk gevonden wordt, is verklaarbaar vanuit de geschiedenis en onderwijspolitiek aldaar.

Vanaf de negentiende eeuw hebben wetenschappelijke studies naar de hersenen en de geest de religieuze overtuigingen verder ondermijnd. Gelovigen verzetten zich tegen het idee dat menselijk bewustzijn, moraliteit en zelfs religie wetenschappelijk te verklaren zijn. Is dit geen vrijbrief voor materialisme en moreel onverantwoordelijk gedrag? Ook dit lijkt eerder een schijnconflict. Moraliteit verdwijnt niet in een geseculariseerde wereld. Ze neemt wel andere, soms even dwingende vormen aan.

Ook al lijkt het zo, religie en wetenschap hoeven niet met elkaar in tegenspraak te zijn, besluit Dixon. Vooroordelen zijn er zowel bij de rechtlijnige gelovige als bij de doctrinaire wetenschapper. En openheid treft men ook bij beide strekkingen aan.

Wetenschap en religie is geen polemisch boek. Dixon haalt het debat uit de boksring en verheldert genuanceerd en onpartijdig over wat er in wezen op het spel staat. Daarin is hij naar mijn mening wel degelijk geslaagd.

© Minervaria

vrijdag 11 september 2015

A Chronological Revision of the Origins of Christianity

Bijna exact tien jaar geleden viel mijn oog op een boek met een intrigerende titel: De man die in 70 het kruis overleefde. De inhoud bleek even spannend als de titel suggereerde en was vrij overtuigend.

Toen ik ontdekte dat de auteur een bewerkte versie gepubliceerd heeft als e-book, weliswaar in het Engels, was mijn nieuwsgierigheid uiteraard gewekt. Ik wilde weleens weten of mijn toenmalige bezwaren, nl. de falsificatie van de stellingen, nog actueel zijn. En ik was aangenaam verrast!

VermeirenF15VERMEIREN, F (aut.), MACKIE, I & VAN LEEMPUT J. (transl.), A Chronological Revision of the Origins of Christianity. Amazon, e-book, 2015, 266 pp.

The Gospels tell us that Jesus was crucified and rose from the dead under the rule of Pontius Pilate. His disciples then recognized him as the long awaited Messiah, the Son of God, and went to preach the Gospel throughout the then known world. That’s how Christianity was born.

However, this story raises important issues that were never resolved. Why did the disciples of Jesus wait for 40 years to write down these startling events? And how do we explain that Paul, the main propagandist for Christianity, doesn’t speak about the life and final days of Jesus in his letters? Could it be possible that the events of the Gospels are placed in the wrong historical context?

While reading the report on the Jewish-Roman war by the Jewish-Roman historian Flavius Josephus, Frans Vermeiren found remarkable similarities between the Jesus of the Gospels and the Jesus from Josephus, whom the historian saved from the cross, are the same person. In an over three decades of research he read the Bible from cover to cover. He studied the early Christian texts apart from the Gospels as well as the work of important Roman historians and he immersed himself in contemporary research on the historical Jesus and the first century CE. So arises an intriguing but historically much more plausible version on the origins of Christianity.

Jesus was an important Essene priest who was crucified by the Romans during the siege of Jerusalem in 70 CE. He was still alive when he was taken from the cross through the intercession of Flavius Josephus and he recovered from his injuries. The Essenes, who had long been expecting a Messiah, regarded these events as the realization of their dreams, by which the defeat of the Jews against the Romans could be bent into a victory, albeit not on earth but in the afterlife. Christianity is the exponent and continuation of the Essene movement in Judaism.

This theory might sound rather controversial, but the author can justify his claim with very solid arguments. At first he presents the most important arguments in favor. Aside from the historical reports of Josephus, there are a lot of further clues that the traditional chronology of the origin of Christianity was antedated and that Jesus survived his execution. Moreover, there is a striking link between the belligerent messiah concept in the Jewish Essene texts and the description of Jesus as messiah in the New Testament.

In the second part of the book it becomes clear that there are good reasons to reject the principal objections against his theory. After critical review the epistles of Paul can be reconstructed as pre-Christian messianistic texts. There is also sound evidence that fragments outside the Bible are interpolations from a later date.

To portray Jesus as no more nor less than a historical human being certainly will hurt people who wholeheartedly believe in the teachings of traditional Christianity. A historical correction, however, does not destroy the spiritual message of Christianity. Moreover, this study shows that there are absolutely no grounds for Christian anti-Semitism since it was not the Jewish establishment or the Jews as a people that were responsible for Jesus’ execution.

There might remain some details to explain, but the arguments in favour of this daring and controversial claim are supported by varied and expert sources and provide the theory with a high degree of probability. Moreover, the theory exposed in this book is far more realistic than the supernatural assumptions claimed by traditional Christian belief and therefore is much more credible. Finally, the text is very well written and accessible to all readers. This fascinating book is highly recommended to everyone interested in religion and history.

© Minervaria

vrijdag 6 maart 2015

De Bijbel

ARMSTRONG, K., De Bijbel. (Vert. The Bible. The Biography, 2007) A’dam, Mets&Schilt/Roeselare, Roularta Books, 2007, 262 pp. – ISBNB 978 90 5330 578 2

In bijna alle belangrijke godsdiensten worden bepaalde teksten als heilig beschouwd en als wezenlijk anders dan andere geschriften. Maar zijn die teksten wel zo heilig?

Hun uitzonderingspositie is immers de rechtvaardiging geweest van geweld, sektarisme en verregaande intolerantie. Jihadisten gebruiken de Koran om gruweldaden te rechtvaardigen. Christenen voeren actie tegen onderwijs in de evolutietheorie omdat die in tegenspraak is met het Bijbelse scheppingsverhaal. Joden stellen dat onderdrukkende maatregelen tegen Palestijnen legitiem zijn omdat God Kanaän aan de nakomelingen van Abraham heeft beloofd.

Omdat heilige teksten zo controversieel zijn is het belangrijk om helder te krijgen hoe ze ontstaan zijn en in de loop der eeuwen vorm gekregen hebben. Dit goed leesbare werk van een autoriteit in de bijbelwetenschap gidst u doorheen de wordingsgeschiedenis van de Bijbel. Het verduidelijkt hoe dit boek ontstond en hoe het aanleiding gaf tot heel uiteenlopende interpretaties. Veel hedendaagse veronderstellingen over de Bijbel zijn immers onjuist.

Het was helemaal niet de oorspronkelijk functie noch bedoeling om dogma’s en overtuigingen te staven met de Bijbel. De oorspronkelijke Bijbelteksten zijn de schriftelijke neerslag van mondelinge overlevering. Die bevatte legenden over goddelijke figuren en mythologische elementen, vergelijkbaar met de verhalen van Homerus. Ze probeerden de betekenis van gebeurtenissen te verklaren. Deze losse geschriften werden in de loop der tijden gebundeld en zo ontstond de Bijbel als boekwerk.

Aanvankelijk had die geen eenduidige, dwingende boodschap. De Bijbel werd geleidelijk een heilige tekst voor de Joden in Babylonische ballingschap. De lezingen ervan evolueerden in de context van historische gebeurtenissen. En omdat de Bijbel vol staat met tegenstrijdige verhalen werd het boek de basis van ontelbare religieuze sekten. Uit een van deze lezingen ontstond een eigenzinnige sekte die aan de basis lag van het christendom. En ook daarbinnen floreerden verschillende tradities.

Vanaf de renaissance werden deze teksten bestudeerd in hun oorspronkelijke taal. Men begon de inhoudelijke en historische discrepanties te zien. Onder invloed van het rationalisme ging men de Bijbel lezen met een objectievere bril. Pas toen bleek dat exegeten de tekst ten onrechte als een samenhangende tekst hadden beschouwd.

Omdat de tekst voor zoveel uiteenlopende verklaringen vatbaar is heeft hij aanleiding gegeven tot een kluwen van sekten en stromingen in joden- en christendom, die dan ook allemaal menen dat zij het gelijk aan hun kant hebben. Dat is op zijn beurt voer voor seculiere fundamentalisten die de draak steken met de aanspraken op de letterlijke onfeilbaarheid van de tekst.

Zo dreigt de Bijbel een giftige brandstof te worden voor haat en een vruchteloze polemiek. Juist omdat hun heilige teksten op zo’n stuitende wijze werden misbruikt, rust op joden, christenen en moslims de plicht om met een tegengeluid te komen waarin de milde kanten van hun religies worden benadrukt, besluit Karen Armstrong.

© Minervaria

woensdag 25 februari 2015

Atheïsme als basis voor de moraal

VERHOFSTADT, D., Atheïsme als basis voor de moraal. A’pen/Utrecht, Uitg. Houtekiet, 2013, 325 pp. – ISBN 978 90 8924 256 3


Waar men regeert in naam van God gaat de mens ten onder. (blz. 274)


In een interview met Joannie de Rijke (Knack, Nr. 7 van 11-17 februari 2015) zegt voormalig jihadist Morten Storm: “Maar hoe meer ik me engageerde in mijn religie, hoe meer ik mensen begon te haten. Als salafist voelde ik mij verheven boven de gewone mens. Wij waren beter dan andere moslims, beter dan iedereen die er andere gedachten op na hield. Daarom ben ik nu atheïst. Religies leren je dat alleen zij de waarheid in pacht hebben. De rest van de wereld heeft het mis en leeft met een valse waarheid. God haat hen en als gelovige haat je hen ook. Op den duur voel je zelfs geen empathie meer.”

Dit is in een notendop waarom religie niet de bron kan zijn van moraal. De ethiek moet definitief losgemaakt worden van allerlei religieuze denkbeelden, stelt Dirk Verhofstadt en hij toont uitvoerig aan waarom dit zo is. Atheïsme kan de grondslag zijn voor een verheven moraal die niet God maar de mens centraal stelt. Na de opkomst van de IS en de aanslag op Charlie Hebdo is dit heldere en goed leesbare boek zeer actueel.

Ongetwijfeld kunnen religies een opbouwende rol spelen in de samenleving en zorgen voor naastenliefde, verdraagzaamheid en meer samenhang tussen mensen. Maar diezelfde religies bezondigden zich in de loop van de geschiedenis doorlopend aan uitsluiting en onverdraagzaamheid jegens andersdenkenden. In naam van God werden de gruwelijkste misdaden gepleegd en miljoenen mensen in diepe ellende gestort.

Elke godsdienst beschikt bovendien over een batterij aan symbolen, regels en normen die gelovigen aanmanen om hun God te behagen, zo niet wacht hun rampspoed en onheil. Maar bestaat die God wel? Een kritische doorlichting van de godsbewijzen toont aan dat ze alle mank lopen. Er is nog geen enkel sluitend bewijs ontdekt voor het bestaan van God. Er is gerede evidentie dat er helemaal geen God bestaat.

Ook het idee dat een moraal enkel en alleen kan bestaan op basis van een metafysische of bovennatuurlijke macht is een wijdverspreid misverstand. Onze moraal is niet gebaseerd op religie, maar op waarden en normen die door mensen overeengekomen zijn om een harmonieus samenleven mogelijk te maken. De moderne inzichten in de evolutie van de mens tonen aan dat mensen in staat zijn om een morele code te ontwikkelen. Die beoogt het vermijden van het onvrijwillig ondergaan van pijn.

Zo waren er reeds in de Oudheid verschillende ethische systemen die geen beroep doen op goddelijke tussenkomst maar het resultaat zijn van rationeel denken. Ze bieden een houvast aan al wie de keuze moet maken tussen goed en kwaad. Ethisch goed handelen dat gebaseerd is op de rede en op empathie is trouwens moreel hoogstaander dan regels gebaseerd op goddelijke geboden. “We moeten het goede niet doen omwille van een of andere God, maar uit diepe overtuiging dat elke mens recht heeft op waardigheid, zelfbeschikking en een leven met zo min mogelijk pijn en lijden.”, aldus Verhofstadt (blz. 274)

Omdat God en zijn geboden geen waarborg bieden voor ethisch handelen zijn er morele regels nodig die volkomen los staan van welke religie ook. Zeker in een multiculturele samenleving is er dringend nood aan een universele seculiere moraal. Die wordt verschaft door het seculier humanisme dat de rechten en vrijheden van elk individu centraal stelt, zoals neergelegd in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens.

De titel zal gelovigen waarschijnlijk afschrikken, maar dat is onterecht. Want dit boek is geen pamflet tegen religie, het is een pleidooi voor tolerantie. Het zet wel een paar hardnekkige misverstanden recht. In tegenstelling tot wat velen denken, betekent atheïsme niet dat godsdienst verboden wordt. Iedere mens gelooft wat hij wil, maar niemand mag zijn religie opdringen aan een ander. In het publieke domein moeten we er echter van uitgaan dat er geen God bestaat.

Goddeloosheid staat bovendien helemaal niet gelijk aan zedeloosheid en barbarij. In dit boek wordt overtuigend aangetoond dat een atheïstische levensbeschouwing perfect verzoenbaar is met een moreel hoogstaande levenswandel. Dirk Verhofstadt op bladzijde 274: “We hebben geen religie nodig om te beseffen dat we medemensen in nood moeten helpen, dat we hulpvaardig moeten zijn, dat we zorg moeten dragen voor de zwakkeren, dat we eerbied moeten hebben voor andere levende wezens, dat we ons moeten inzetten voor het milieu en de biodiversiteit.”

© Minervaria

vrijdag 3 oktober 2014

De nieuwe religieuze intolerantie

NUSSBAUM, M., De nieuwe religieuze intolerantie. Een uitweg uit de politiek van de angst. (Vert. The New Religious Intolerance. Overcoming the Politics of Fear in an Anxious Age, 2012) A’dam, Uitg. Ambo, 2013, 320 pp. – ISBN 978 90 263 2640 0

‘Ooit, niet zo heel lang geleden, gingen Amerikanen en Europeanen prat op hun verlichte religieuze verdraagzaamheid.’ Martha Nussbaum zet meteen de toon. Die houding lijkt de afgelopen decennia drastisch veranderd, meer bepaald tegenover moslims. Anti-islamitische sentimenten nemen hand over hand toe, zowel in Europa als in de Verenigde Staten. Moslims worden op de arbeidsmarkt gediscrimineerd en het wordt hen moeilijk gemaakt om te leven volgens de regels van hun godsdienst.

De vooroordelen tegen moslims brengen mensen en overheden ertoe maatregelen te omarmen die regelrecht indruisen tegen de fundamenten van onze samenleving. Diezelfde vooroordelen kunnen bovendien misbruikt worden door politici die de bevolking willen ophitsen tegen bepaalde bevolkingsgroepen. Het is dringend nodig om de wortels bloot te leggen van de angst en achterdocht die tegenwoordig alle westerse samenlevingen ontsieren.

In een werkelijk gevaarlijke wereld is angst ontegensprekelijk een waardevolle emotie. Zonder angst zouden we blind zijn voor reële bedreigingen van leven en welzijn en ons niet beschermen tegen gevaren. Maar de religieuze angst die de westerse samenleving in haar greep heeft is niet op reële gevaren gebaseerd, maar op denkbeelden. Hoe kunnen wij ervoor zorgen dat deze angst de blik niet vertroebelt?

In de eerste plaats dienen mensen gelijk behandeld te worden. Wat voor de een geldt, geldt ook voor de ander. Iedere mens heeft het recht het eigen geweten te volgen. Vooroordelen en partijdigheid zijn laakbaar en vormen de grondslag van ethisch falen. We mogen ze dan ook in onze wetten en instituties niet tolereren. Moslims mogen niet anders behandeld worden op grond van hun religie.

Het tweede principe legt ons op om ons correct te informeren. In de gebruiken van een minderheid worden vaak onterecht gevaren voor de openbare orde en veiligheid gezien die we niet opmerken in de gewoonten van de meerderheid. Men mag zich niet vastklampen aan een beeld van moslims als mensen die allen hetzelfde zijn en allemaal een bedreiging vormen voor de veiligheid van de maatschappij.

Ten derde mogen we de zaken niet enkel door onze eigen bril bekijken. We hoeven niet in te stemmen met de doelstellingen van mensen die zich anders gedragen op grond van hun religie. Maar we kunnen proberen om ons in te leven in hun perspectief. En we kunnen erkennen dat hun doelstellingen even zinvol zijn voor hen als onze eigen doelstellingen voor ons. Zo leggen we de basis voor respectvol samenleven.

Van ieder principe belicht de altijd scherpzinnige en bedachtzame Martha Nussbaum de valkuilen en mogelijkheden. Ze wijst op een fundamenteel verschil tussen de Europese en Amerikaanse houding tegenover nationale identiteit die de toepassing van deze principes in Europa heel wat moeilijker maakt. En ze illustreert haar heldere analyse uitvoerig met behulp van concrete situaties uit het verleden en het heden in Europa en de Verenigde Staten.

Deze drie leidende beginselen voor de democratische politieke praktijk verschaffen een leidraad om ons niet te laten meeslepen door de emotionele verwarring over de islam die onze samenleving verdeelt. Ze vormen de fundamenten van onze samenleving die gebouwd is op een eeuwenoude moraalfilosofie die terug gaat op Socrates en verder uitgewerkt werd door Emmanuel Kant. Deze legt de nadruk op de rechten die iedere mens op grond van zijn mens-zijn heeft.

Tegen deze zienswijze vallen uiteraard bezwaren in te brengen. Zo wordt het belang van wederkerigheid niet vermeld. De angst van de ‘autochtoon’ heeft echter ook te maken met de bezorgdheid dat moslims bovengenoemde rechten niet erkennen. In het licht van de toenemende radicalisering is een dergelijke angst wellicht niet helemaal ongegrond.

Midden de heftige emotionele beroering over de islam die de Westerse samenlevingen verdeelt is de doordachte rationele analyse van Martha Nussbaum een verademing. En ook als u het niet met haar eens bent is dit werk het lezen meer dan waard. Dit toegankelijke boek is een voorbeeld van zorgvuldig redeneren en biedt ruim stof tot nadenken en discussie.

© Minervaria

zaterdag 15 juni 2013

Gebroken wil, verstorven vlees

BOSGRAAF, E., Gebroken wil, verstorven vlees. Over versterving in het Nederlandse kloosterleven. A’dam, Uitg. Bert Bakker, 2011, 343 pp. – ISBN 978 90351 3595 6

Tot ver in de jaren ’50 van de vorige eeuw werd versterving in katholieke kringen algemeen beschouwd als een middel om deugdzaam te leren leven. In de toenmalige kloostergemeenschappen werd uiteraard ook aan versterving gedaan, weliswaar veel strenger. Praktijken als stilzwijgen, langdurig gebed, vasten, het nachtkoor, zelfkastijding, geknield eten of een boeteketting dragen werden beschouwd als noodzakelijke disciplinering van lichaam en geest in dienst van de spirituele groei.

Emke Bosgraaf maakte een studie van de religieuze versterving in Nederlandse kloostergemeenschappen. Hij probeerde te achterhalen hoe en waarom versterving werd beoefend en poogde tevens meer inzicht te verwerven in de psychologische dynamiek erachter. Hiervoor raadpleegde hij een ruime waaier aan schriftelijke bronnen en interviewde hij een aantal religieuzen over de versterving in hun kloostergemeenschap. Hierdoor kreeg hij ook een vrij nauwkeurig beeld over de beleving en naleving van versterving in uiteenlopende kloosterordes.

In de kloosters werd een grote variatie aan verstervingspraktijken toegepast. Lichamelijk ongemak moest natuurlijke lichamelijke neigingen en begeerten beteugelen. Psychische of relationele beperkingen en bestraffingen stonden in dienst van gehoorzaamheid en het disciplineren van de wil. Wie intrad in het klooster keek meestal vreemd op want die praktijken werden met veel geheimzinnigheid omgeven. Maar hoe moeilijk het vaak ook was, men ging ervan uit dat het erbij hoorde.

In de jaren ’50 van de vorige eeuw kwam religieuze versterving echter onder vuur te liggen. Zowel vanuit psychologische, medische als theologische hoek werd er betwijfeld of de versterving, zoals die in de kloostergemeenschappen toegepast werd, wel tegemoet kwam aan de beoogde doelen. Als gevolg van deze kritiek zijn de meeste praktijken in de daaropvolgende decennia een stille dood gestorven. Voor velen was dat een verademing, voor sommigen viel een houvast weg. Toch is versterving niet uit het kloosterleven verdwenen. In een maatschappij van overvloed wordt bewuste onthechting als veel zinvoller beleefd. De oude praktijken worden nog beoefend in strenge lekengemeenschappen als Opus Dei.

Wat brengt mensen ertoe om zichzelf binnen een religieuze context te kastijden en zich vrijwillig ernstig te beperken? De gangbare psychoanalytische verklaringen houden het op dwangmatige boetedoening, uit de hand gelopen schuldgevoel of zelfbestraffing. Om verschillende redenen is dat erg kort door de bocht. Heel zeker zullen er kloosterlingen geweest zijn voor wie zelfkastijding geworteld was in een neurotische ingesteldheid. Het religieuze leven trekt echter niet zozeer mensen aan die kampen met verdrongen schuldgevoelens, maar hoofdzakelijk mensen met een verheven Ik-ideaal. En binnen de toenmalige sfeer van gehoorzaamheid aan gezag werden de verstervingspraktijken door de meesten niet in vraag gesteld.

Dit prettig leesbare tijdsdocument geeft het woord aan de laatste getuigen van een weinig bekend aspect van het kloosterleven in de vorige eeuw. Het  zet een aantal misverstanden recht over versterving en wijst erop dat die voor de beoefenaars in de eerste plaats een positieve betekenis had. In de epiloog maakt de auteur bovendien duidelijk hoe de toenmalige cultuur van versterving de context leverde voor het ernstige misbruik van jonge kinderen dat de afgelopen jaren aan het licht kwam.

© Minervaria

woensdag 24 augustus 2011

De eerste kruistocht

ASBRIDGE, T., De eerste kruistocht. De oorsprong van het conflict tussen islam en christendom. (Vert. The First Crusade. A New History. The Roots of Conflict between Christianity and Islam, 2004) A’dam, Atheneum – Polak & Van Gennep, 2010 (5e dr.) 384 pp. – ISBN 978 90 253 6796 1

“Een Gode absoluut onwelgevallig volk is het land der christenen binnen gevallen en heeft de bevolking te vuur en te zwaard vervolgd en geplunderd. Met hun vuige praktijken hebben zij de altaren bezwadderd en geschonden. Zij hebben de christenen besneden en het besnijdenisbloed aan de altaren gesmeerd of in de doopvonten gegoten.”

In november 1095 hield paus Urbanus II een gezwollen toespraak tot een grote menigte. De christenen in het Oosten, betoogde hij, werden vreselijk onderdrukt en uitgebuit door hun ‘woeste’ islamitische heersers. Daarom moest katholiek Europa de wapens opnemen en een wraakexpeditie uitrusten ter herovering van die gebieden. Door deel te nemen aan deze heilige oorlog, zouden alle ‘christenstrijders’ bovendien van hun zonden zouden worden gereinigd. Dit zette de hele christenheid in lichterlaaie.

Het door de paus opgeroepen beeld van moslims als brute onderdrukkers was pure oorlogspropaganda. De islam was in de loop der eeuwen immers juist veel toleranter geweest ten opzichte van andere godsdiensten dan het katholieke christendom. Europa was bovendien beslist niet verwikkeld in een felle, gigantische strijd om zijn voortbestaan. Er waren wel latente spanningen, die af en toe aanleiding gaven tot schermutselingen. Maar de islam en het christendom leefden al eeuwenlang in een betrekkelijk vreedzame co-existentie.

Het kruisvaardersvuur verspreidde zich in 1096 door heel Europa. Tienduizenden Latijnse christenen verlieten huis en haard voor de lange reis naar Jeruzalem. Weinig deelnemers zullen enig idee hebben gehad van de afschrikwekkende lengte en zwaarte van de reis. De meesten werden gedreven door een opwelling van spontane geestdrift en gingen zonder veel overleg of voorbereiding op weg. Het was een bijzonder onbezonnen onderneming, en velen zouden al volkomen berooid zijn of de dood vinden voordat ze het Westen achter zich hadden gelaten.

Thomas Asbridge, verbonden aan London University en specialist in de vroegmiddeleeuwse geschiedenis, heeft het beschikbare bronnenmateriaal diepgaand bestudeerd en bezit een gedegen kennis van de Levant. In dit boek verheldert hij de ontstaansgeschiedenis van de eerste kruisvaart, beschrijft hij hoe de onderneming verliep en analyseert de gevolgen. En hij ontkracht enkele hardnekkige mythes.

De kruisvaarders waren geen bende op eigenbelang beluste, jongere zoons die geen land hadden geërfd en dat in het Oosten hoopten te verwerven, zegt Asbridge. Hebzucht is niet het belangrijkste motief geweest voor de deelnemers. In de leef- en denkwereld van de 11e eeuw werd het dagelijkse leven totaal beheerst en gestuurd door het geloof. De gemoedsrust van middeleeuwers werd belaagd door één overweldigende, ongeruste gedachte: het gevaar van een zondig leven. Het idee van een strijdvaardige pelgrimstocht waardoor de deelnemers vrij konden gemaakt worden van hun zonden was dan ook een schot in de roos.

Dit van wapengekletter weergalmend tijdperk werd bovendien beheerst door een typisch Middeleeuwse moraal. Europa was toen een bijzonder gewelddadige samenleving, met een strijdlustige adel die beheerst werd door bloedige vetes en wraakoefeningen. In de gedachtewereld van de kruisvaarders sloten innige vroomheid, barbaarse strijdmethoden en belustheid op materieel gewin elkaar niet uit. We mogen de kruistochten dus niet met moderne normen beoordelen.

De expeditie begon onvoorbereid en ordeloos. We volgen de bonte schare deelnemers op hun riskante tocht door onbekend en vijandig gebied. We krijgen een gedetailleerd en omstandig beeld van hun samenstelling en hun uitrusting, van de organisatie en de krijgsverrichtingen, van de bondgenootschappen en rivaliteit tussen de leiders en van de moeilijkheden die ze op hun weg moesten overwinnen.

Na een barre tocht vol ontberingen en tegenslagen, werd bijna vier jaar na de oproep van Urbanus het doel bereikt: Jeruzalem werd ingenomen. De terugtocht naar het Westen was een zware en geldverslindende onderneming. Duizenden kruisvaarders ploeterden moeizaam terug naar Europa, velen uitgeput, ziek en berooid. In de Levant bleven een aantal geïsoleerde christelijke satellietstaatjes over, die zichzelf uitputten in de verdediging tegen steeds vijandiger wordende moslimregimes.

De eerste kruistocht vormde een keerpunt in de betrekkingen tussen de islam en het Westen. Door dit conflict koersten de beide wereldgodsdiensten af op een diepgaande animositeit en blijvende onmin. Tussen 1100 en 1300 veranderden katholiek Europa en de islam van elkaar af en toe bestrijdende partijen in gezworen tegenstanders. De demonisering van de islam werd vooral in de hand gewerkt door de mythische geschiedschrijving. De herinnering aan de eerste kruistocht werd in het collectieve bewustzijn van de westerse én de oosterse samenleving verankerd als een fanatieke godsdienstoorlog. De echo hiervan is tot op de dag van vandaag voelbaar.

De onderneming heeft niet alleen de betrekkingen tussen het christendom en de islam ingrijpend veranderd, zegt Asbridge. Ze was bovendien de basis voor een kerkelijke ideologie van onverdraagzaamheid tegenover andere godsdiensten, die er voorheen niet was. In hun kruisvaardersijver gingen de verhitte pelgrims zich te buiten aan een brute en gewelddadige massamoord op de Joden van Europa, de eerste holocaust genoemd.

Dit indrukwekkende werk heeft me van begin tot einde geboeid. Het is, behalve uitermate interessante geschiedschrijving, een onverholen waarschuwing voor iedere vorm van vijanddenken in het algemeen en deze van demagogische politici in het bijzonder.

De tekst is heel onderhoudend geschreven en uitermate degelijk gedocumenteerd. Er zijn verschillende kaarten opgenomen, die de lezer toelaten het hele gebeuren ook geografisch te situeren.
Het boek is uitgegeven in een handig klein pocketformaat. Dit heeft echter als nadeel dat een onooglijk klein lettertype werd gebruikt.

© Minervaria

Verwant:

vrijdag 26 november 2010

Terreur in naam van God

STERN, J., Terreur in naam van God. Waarom religieuze terroristen doden. (Vert. Terror in the name of God) Utrecht, Uitg. Spectrum, 2004, 384 pp. – ISBN 90 712 0627 0

Met terrorisme kun je op twee manieren omgaan. Je kunt het bestrijden en je kunt proberen het te begrijpen. De tweede benadering geniet de minste populariteit. Als we echter het terrorisme effectief willen bestrijden, moeten we ons kunnen verplaatsen in het leed en de frustraties die eraan ten grondslag liggen, zegt Jessica Stern. Ze is hoofd van de afdeling terrorisme aan Harvard Law School en een van ’s werelds belangrijkste terrorismedeskundigen, en ging met terroristen praten.

Veruit de meeste terroristische aanslagen worden tegenwoordig gepleegd uit naam van een, bij voorkeur monotheïstische, religie. Daarbij spant het Islamitisch terrorisme de kroon. Dat was ook al zo toen Stern onderzoek deed en haar boek schreef. Ze reisde vier jaar lang de wereld rond en interviewde leiders en leden van christelijke, joodse en islamitische extremistische groeperingen. De beweegredenen van religieuze terroristen blijken zeer gelijkaardig te zijn.

In het eerste deel van haar boek onderzoekt ze waarom iemand zich aansluit bij een religieuze terroristische beweging en er bij blijft, zelfs als de activiteiten indruisen tegen de eigen strikte morele waarden. Waarom doen religieuze terroristen wat hun geloof hen verbiedt?

Mensen worden terrorist om zeer verschillende redenen, die bovendien in de loop van de tijd kunnen veranderen. Die hebben nagenoeg altijd te maken met wrok en persoonlijke grieven van verschillende aard. Binnen de groepering krijgen mensen het gevoel dat ze waardevol zijn, omdat ze kunnen bijdragen tot een verheven missie: de zuivering van de wereld. De overtuiging een geestelijke roeping te hebben bezorgt hen bovendien een geluksgevoel, een soort roes.

Soms wordt een terreurdaad gesteld door een ‘eenzame wreker’, maar meestal gaat het om de actie van een kleine of grote organisatie. In het tweede deel onthult Stern hoe deze organisaties omgaan met hun leden, hoe ze aan geld komen, hoe ze zich organiseren en hoe ze leden rekruteren en warm houden. Het belangrijkste aspect is de missie: het verhaal van Wij tegen Zij, van zuiver tegen onzuiver. De Ander wordt afgeschilderd als een vijand, een monsterachtige bedreiging. Het vermogen van een rekruut om mee te voelen met zijn slachtoffer wordt daarmee tot zwijgen gebracht.

Zonder dit ‘mission statement’ zou de organisatie zich nauwelijks onderscheiden van een georganiseerde misdaadbende. Leiders zijn tegelijk baas over en inspiratiebron voor hun volgelingen. Ze versterken welbewust gevoelens van vernedering en vervreemding om jongemannen te betrekken in een heilige oorlog.

Het leiden van een terreurorganisatie vergt vaardigheden die vergelijkbaar zijn met de vereisten voor het leiden van een bedrijf of een niet-gouvernementele organisatie. De multinationale terroristenleider van nu is een ondernemer die missie, geld en marktaandeel bij elkaar brengt. Heel veel energie gaat naar de fondsenwerving en de banden met andere, vaak criminele, organisaties.

In een aantal gevallen kwamen individuele leden er achter dat hun leiders niet zozeer toegewijd waren aan de goede zaak, als wel aan hun eigen financiële welzijn. Voor veel strijders uit het middenkader, die Stern voor haar boek ondervroeg, vormt de heilige oorlog een lucratieve onderneming. Ook als ze niet meer in de missie geloven zijn ze uiteraard niet geneigd de zaak te verlaten. Heilige oorlogen worden alleen maar voortgezet als organisaties en individuele mensen daar baat bij hebben, hetzij psychologisch hetzij financieel.

De grootste en meest succesvolle terroristische organisaties bloeien daar waar er een groot aanbod is van jongemannen die zich vernederd en achtergesteld voelen, waar gewone banen moeilijk te vinden zijn en een alledaags burgerbestaan hen niet het gevoel geeft dat ze waardevol en belangrijk zijn. Dit is vooral het geval in staten met zwakke en corrupte regeringen, die er niet in slagen een economisch en sociaal beleid te voeren waarbij de bevolking baat heeft. Als daar dan leiders opstaan die weten hoe ze die gevoelens moeten uitbuiten, en als een deel van de samenleving – om welke reden dan ook – bereid is hen te financieren, is de basis voor een heilige oorlog gelegd.

Stern formuleert tenslotte zeer gevarieerde besluiten en aanbevelingen voor het beleid. Dat moet in de eerste plaats aan actieve terrorismebestrijding doen. Maar de verantwoordelijken moeten evenzeer beseffen dat het eigen beleid de grieven van mogelijke terroristen kan rechtvaardigen. Economisch en politiek beleid dat in de kaart speelt van corrupte machthebbers en falende staten, geeft hen alleen maar meer redenen tot actie.

Het speelt bovendien in de kaart van terroristische leiders als men de verschillen tussen mensen benadrukt of groepen mensen in een samenleving gaat demoniseren. Daar spinnen ze alleen maar garen bij. Dit past immers volkomen in hun missie en verschaft hen argumenten voor de enige weg die hen voordeel oplevert, die van het geweld.

Gegeven het feit dat dit boek in 2003 verscheen, hebben de inspanningen en inzichten van Jessica Stern in ieder geval niet veel invloed gehad op de binnen- en buitenlandse politiek van het Westen, de Verenigde Staten op kop.
Ongetwijfeld is er intussen veel veranderd op de concrete terroristenscene. De algemene inzichten en conclusies van Stern blijven echter leerrijk en zijn nog altijd brandend actueel.

Dit werk levert een onthutsend beeld van individuen en organisaties die religie gebruiken om nietsontziend en willekeurig geweld te rechtvaardigen in hun streven naar politieke macht. De terreurbusiness blijkt een ongelooflijk ingewikkelde onderneming met belangenverstrengeling in alle geledingen van een samenleving.

Het boek houdt het midden tussen een journalistiek verslag en een theoretische uiteenzetting. Voor mij mocht het laatste aspect wat nadrukkelijker uitgewerkt zijn.

Een eye-opener!

© Minervaria

Aansluitend:
The Saint, the Criminal and the Terrorist: Towards a Hypothesis on Terrorism

maandag 26 april 2010

De spirituele aap

KING, B., De spirituele aap. Waarom we in God geloven. (Vert. Evolving God; A Provocative View on the origins of Religion) Kampen/Kapellen, Uitg. Ten Have/Pelckmans, 2007, 304 pp. – ISBN 978 90 7900 104 0

Als enige diersoort houdt de mens zich onledig met spirituele zaken. Voor zover bekend leven alle andere dieren in de waarneembare werkelijkheid, geraken niet in vervoering bij het aanschouwen van de sterrenhemel en doen geen pogingen om in contact te treden met god, goden of geesten. Hoe komt dit?

Die hang naar religie en spiritualiteit verklaart de antropologe Barbara King uit de diepe behoefte van mensen naar verbondenheid. Zij willen niet alleen emotionele relaties onderhouden met andere mensen maar tevens met een wereld van wezens die ze niet kunnen zien maar die zij als aanwezig ervaren in hun dagelijkse leven. Volgens haar gaat het hier om de meest diepgaande en invloedrijke transformatie in de evolutiegeschiedenis van Homo Sapiens.

Dat verbondenheid essentieel is in religie is natuurlijk geen nieuwe stelling. Ze ligt in de etymologie van het woord zelf. En ook vroeger al hebben belangrijke theoretici verband gelegd tussen religie en de sociale ingesteldheid van mensen.
Barbara King ziet echter meer in de behoefte aan verbondenheid. Ze vormt een fundamentele evolutionaire verklaring voor de religieuze neigingen van de mens.

Mensapen, onze nauwste nog levende verwanten, vormen hechte groepen met een hoge mate van onderlinge verbondenheid. Ze beschikken over een soms verbluffende mate van empathie en voorstellingsvermogen, en er zijn sterke aanwijzingen dat zij betekenis geven aan elkaar en gevoel hebben voor het volgen van regels. Elk van deze eigenschappen kan een bouwsteen zijn voor de menselijke religie en verbeelding. Het vermogen zich in de plaats van de ander te stellen ligt immers aan de basis van de gulden regel, die de kern uitmaakt van alle spiritualiteit en religies.

Van de miljoenen jaren waarin onze voorouders zich van hun mensaapachtige voorouders hebben verwijderd blijven echter alleen materiële sporen over. Maar volgens King kunnen we geredelijk aannemen dat de onderlinge emotionele afhankelijkheid zich in deze periode verlengde en verdiepte. Zo ontstond een rijk innerlijk leven van gezamenlijke creativiteit en betekenisverlening. Over deze periode blijft ze echter noodgedwongen erg vaag.

Pas met de Neanderthalmens vinden we duidelijke sporen van verbeeldingskracht en symbolisch denken. De talrijke vondsten van grotschilderingen en grafgiften die zij uitgebreid beschrijft wijzen volgens Barbara King op spirituele activiteiten. In die periode manifesteert zich een soort culturele evolutie in het gedrag die de behoefte aan verbondenheid met elkaar op een ander, hoger plan brengt. Of er toen ook al sprake was van een coherente religie kan uit de vondsten echter niet worden afgeleid.

In haar boek verzamelt King een massa sprekende voorbeelden van de spirituele activiteiten en het leven van onze voorouders. Ze onderzoekt hoe de behoefte aan verbondenheid bij onze uitgestorven voorouders tot uiting is gekomen en ze doet dat grondig. Ze beschrijft uitvoerig de aanwijzingen voor de voortschrijdende spiritualiteit bij onze voorouders. Die schrijft zij toe aan het toenemend vermogen om symbolisch te denken. En dit brengt ze dan weer in verband met de hechte emotionele relatie tussen moeder en kind.

Maar een beschrijving, hoe goed uitgewerkt ook, is nog geen verklaring. Het beloofde verband tussen onze behoefte aan emotionele verbondenheid met andere mensen, ons symbolisch vermogen en het gevoel van verbondenheid met de voorgestelde wereld van goden en geesten wordt niet duidelijk uitgeklaard. We krijgen geen samenhangende verklaring waarom mensen een emotionele binding met het ‘heilige’ ontwikkelden.
King belooft dus meer dan ze waarmaakt. Op zich zou dat niet zo erg zijn. Het zou getuigen van gebrek aan realisme als we het verband tussen de behoefte aan verbondenheid en spiritualiteit en religie zouden afwijzen of negeren.

De materialistische benadering, die de oorsprong van het godsidee in de genen of hersenen zoekt, schiet daarom volgens haar hopeloos tekort. De ‘genetische’ verklaring doet inderdaad geen recht aan de complexiteit van religie en spirituele ervaringen. Dit is echter ook niet de bedoeling van dit verklaringsmodel.
Ook de cognitief antropologische verklaring van Pascal Boyer, die nochtans zeer degelijk gefundeerd is, krijgt van haar een onvoldoende.

Je zou dan verwachten een minstens even coherente en systematische alternatieve visie geserveerd te krijgen. Dit is echter niet het geval. Het betoog van King is eerder slordig en rommelig uitgewerkt en gepresenteerd. Ik denk dat haar verklaringspiste wel zeer interessant is. Die staat echter niet tegenover de andere, maar is er een aanvulling op en onderdeel van. En ze had die veel systematischer en inzichtelijker mogen uitwerken.

Het boek eindigt met een stand van zaken over god en de wetenschap in het Amerika van de eenentwintigste eeuw en de strijd die het creationisme en intelligent design voeren tegen de evolutietheorie. Op zich biedt dit hoofdstuk een aantal verhelderende inzichten, onder andere over het verschil tussen een theorie en een hypothese. King blijft hier echter op de vlakte en legt geen enkel verband met het onderwerp van haar boek. Net hier zou er een interessant verband kunnen worden opgehelderd tussen de behoefte aan emotionele banden en ergens bij te horen en het vasthouden aan bepaalde religieuze denkbeelden.

Wie denkt een goed geargumenteerde fundamentele verklaring te vinden voor de vraag waarom we in god geloven komt bedrogen uit. Niet alles in dit boek is echter teleurstellend. Het bevat veel boeiende en leerrijke passages en, al zijn bepaalde stellingen onvoldoende uitgewerkt, haar betoog is heel uitgebreid en degelijk gedocumenteerd. Barbara King heeft een speciale band met de soms ontroerend empathische Afrikaanse mensapen die ze gedurende vele jaren heeft bestudeerd. Wie een goed beeld wil krijgen over de ingewikkelde afstammingslijn van de mens – voor zover bekend – kan ook in het derde hoofdstuk terecht.

© Minervaria

Noot - nieuwe observaties over de manier waarop mensapen omgaan met stervende en dode groepsgenoten suggereren dat zij rouwen.

donderdag 14 januari 2010

De begrafenis van God

WILSON, A.N., De begrafenis van God. De ondergang van het geloof in de westerse beschaving. (Vert. God’s Funeral. The Decline of Faith in Western Civilization) A’dam, Prometheus, 2000, 418 pp. – ISBN 90 5333 889 6

“De kwestie-God wil maar niet verdwijnen”, stelt Andrew Norman Wilson. Tien jaar later is dit nog altijd zo. God blijft stevig overeind. Uit opiniepeilingen blijkt dat de meerderheid van de mensen nog steeds in God gelooft. Voor veel mensen telt en werkt het oude verhaal nog steeds. Ongeacht of het bestaan van God kan bewezen worden heeft godsdienst voor de meeste mensen nog zin.

En toch staat het bestaan van God in het Westen al een paar eeuwen onder druk. Vanaf de 17e eeuw werden steeds meer wetenschappelijke ontdekkingen gedaan die twijfels opriepen over de waarheid van de aanspraken van het godsdienstig geloof. De fatale klap voor het creationistische wereldbeeld was de publicatie van The Origin of Species door Charles Darwin in 1859. Deze gebeurtenis veegde de religieuze grond onder de voeten van het intellectuele Westen weg.

Voor wie in de tweede helft van de 20e eeuw geboren is valt het moeilijk zich voor te stellen hoe groot toen de ontreddering was bij de intellectuele en later ook de gewone mens. Konden eerlijke mannen en vrouwen in alle eerlijkheid nog volhouden dat ze geloofden in de onfeilbare waarheid van de Heilige Schrift als het geïnspireerde woord van God? Tussen 1908 en 1910 schreef de Engelse dichter Thomas Hardy een gedicht waarin hij zich verbeeldde dat hij de begrafenis van God bijwoonde. Het is een immens verdrietig gedicht waarin het besef van een groot verlies de boventoon voert.

In De begrafenis van God beschrijft Andrew Norman Wilson hoe onder andere de filosofen Karl Marx en Herbert Spencer, de schrijver George Elliot en de psychiater Sigmund Freud heftig worstelden met het verlies van hun geloof in God en hun strijd met de kerk. God en godsdienst waren in de 19e eeuwse Victoriaanse samenleving zo sterk verankerd dat leven zonder religie verre van eenvoudig was. Het overboord gooien van de traditionele geloofsovertuigingen was voor velen een uitdagend avontuur en de verkenning van nieuwe horizonten. Maar voor velen was het ook een pijnlijk afscheid en besef van een diep verlies.

De vraag hoe religie behouden kon worden zonder het opofferen van intellectuele integriteit mondde op het einde van de 19e eeuw uit in de modernistische beweging. De modernisten streefden ernaar religie en het moderne leven verenigbaar te maken. Zij werden echter door de katholieke kerk met kracht bestreden. In de heksenjacht onder Pius X hebben ze de strijd met de kerk uiteindelijk verloren. Verschillende vertegenwoordigers werden geëxcommuniceerd, in die tijd een verschrikkelijke straf. Het verhaal klinkt bekend: wie in de kerk van binnenuit veranderingen wil bewerkstelligen komt meestal van een koude kermis thuis.

Op basis van de titel en de achterflap verwachtte ik een thematische studie van de teloorgang van het godsgeloof in de 19e eeuw. Wilson beperkt zich echter tot de beschrijving van de individuele zoektocht van meer en minder notoire figuren uit de Victoriaanse tijd. Op zich is dit een ambitieuze onderneming, want ze vereist grondige kennis en studie van de (auto)biografische geschriften van deze personen. Maar het zegt niet zo veel over de ondergang van het geloof in de Westerse beschaving als geheel, omdat hij zich beperkt tot de intelligentsia van die tijd.

Wilson levert het bewijs van een haast encyclopedische kennis van het literaire en filosofische leven in de Victoriaanse tijd. Van een biografische specialist mag je dit natuurlijk verwachten. Dit maakt het boek naar mijn mening echter alleen echt te smaken voor wie grondig vertrouwd is met het – vooral Britse - filosofische en culturele leven in de 19e eeuw. Over die specifieke voorkennis beschikt de doorsnee lezer niet.

Al kan de zwierige literaire stijl van Wilson me wel bekoren, hij slaagt er niet in zijn gegevens ordelijk te presenteren. Hij verliest zich voortdurend in anekdotes die hij, zeker voor de minder onderlegde lezer, onvoldoende kadert.

De lectuur van dit boek heeft wel een onbedoeld effect gehad. Ik heb me voorgenomen om enkele Britse Victoriaanse romans te lezen die al heel lang op mijn leeslijst staan.

© Minervaria

zaterdag 19 september 2009

God is niet groot

HITCHENS, C., God is niet groot. (Vert. God Is Not Great) A’dam, Uitg. Meulenhoff, 2007, 317 pp. – ISBN 978 90 290 8040 8

Religie trekt het politiek-maatschappelijk debat altijd naar zich toe en dringt zich aan iedereen op, zegt journalist, politiek activist en polemist Christopher Hitchens. Als atheïst en aanhanger van verlichting, rationalisme en humanisme, staat hij uitermate kritisch tegenover het geloof. Hij zou er echter geen probleem mee hebben als gelovigen hem met rust lieten en hem toelieten zijn leven in te richten zoals hij dat zelf verkiest. Maar daartoe is het geloof niet in staat, zegt hij, want ieder georganiseerd geloof claimt de absolute waarheid te bezitten waaraan iedere mens zich zou moeten onderwerpen.

De overvloed aan goden en religies, en de broedermoord binnen en tussen godsdiensten maken echter duidelijk genoeg dat God de mens niet naar zijn evenbeeld geschapen heeft. Het is andersom gegaan, zegt Hitchens. Religie is mensenwerk en dat maakt hij overvloedig duidelijk in zijn boek.

Gedegen wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat de religieuze mythen verzonnen zijn en niet op waarheid berusten. De georganiseerde religie levert bovendien de religieuze grondslag voor de verbeten strijd om het eigen gelijk, de jacht op andersdenkenden, racisme en onverdraagzaamheid, de onderdrukking van vrouwen, het misbruik van kinderen, bloedoffers en een hele reeks verschrikkelijke gewelddadigheden in heden en verleden.

Voor wie dat nog niet inzag maakt Hitchens een scherpe analyse van de absurditeit van de godsdienstige beweringen, de ongerijmdheid en inconsistentie van geboden en verboden op natuurlijk gedrag, en de onzin van leefregels en dieetvoorschriften die het leven van gewone, onwetende en ongeletterde mensen bezwaren. In een bevlogen betoog stelt hij de stupiditeiten en wreedheden aan de kaak binnen en tussen aanhorigheden, waarin religieuze teksten en gebruiken worden gehanteerd als oorlogsverklaringen. Hij onthult de veelvuldige verstrengeling van georganiseerde religie en corrupte regimes en ontkracht daarmee het klassieke tegenargument dat seculiere regimes evenveel en zelfs meer ellende hebben veroorzaakt.

Als er mensen waren die in naam van hun geloof opkwamen voor anderen, dan deden zij dat niet als gelovigen maar uit humanisme, zegt Hitchens. Het naleven van de Gulden Regel vereist immers geen bovennatuurlijke autoriteit. Menselijk fatsoen komt niet uit religie voort, het gaat eraan vooraf.

Volgens Hitchens hebben we behoefte aan een nieuwe Verlichting, die van het gezond verstand. De moderne mens heeft geen nood meer aan fabels die stammen uit tijden waarin absolute heersers het voor het zeggen hadden en men nog bijna niets wist over de natuur. De echte vooruitgang ligt niet in het bestuderen van heilige teksten die als bedrieglijke verzinsels zijn ontmaskerd, maar in de menselijke ethiek. Die zou er zeer mee gebaat zijn als mensen hun leven baseerden op redelijkheid en kritisch onderzoek. Filosofie begint immers waar religie eindigt.

Wie toch wil geloven moet zich realiseren dat religie een facultatieve, irrelevante privé-aangelegenheid is geworden. Gelovigen moeten ophouden andersdenkenden al dan niet met geweld tot hun geloof over te halen. Daar kan ik het alleen maar mee eens zijn.

Ik ben met enige terughoudendheid aan dit boek begonnen. Het zou niet het eerste werk zijn waarin religie ongenuanceerd aangevallen wordt en even fanatiek bestreden als ze zelf tekeer kan gaan. Maar het is me al bij al behoorlijk meegevallen. Hitchens voert geen kruistocht tegen de religie, maar zet haar gewoon in haar hemd. Zijn betoog is meestal nuchter en redelijk, zijn spitsvondige argumentatie stevig onderbouwd.
Hij laat zijn verontwaardiging alleen de vrije loop wanneer hij geweld, racisme en onderdrukking aanklaagt.

In God is niet groot toont Christopher Hitchens op scherpzinnige wijze aan dat religie inderdaad niets meer dan mensenwerk is. Mij moest hij daar niet meer van overtuigen. Het was bovendien een tegelijk plezierige en excellente oefening in kritisch denken.

De vraag is echter of de gelovigen die Hitchens wil aanspreken dit ook zouden vinden. Het is veel waarschijnlijker dat zijn boek, zoals zovele in dat genre, zijn doel compleet voorbij schiet omdat het niet gelezen wordt door zijn doelpubliek. Religie is immers nuttig en heeft met rationaliteit niet veel van doen.

© Minervaria

zondag 13 september 2009

De grote transformatie

ARMSTRONG, K., De grote transformatie. Het begin van onze religieuze tradities. (Vert. The Great Transformation) A’dam, Uitg. De Bezige Bij, 2005, 544 pp. – ISBN 90 234 1905 7

"Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet."

Wat wij kennen als de Gulden Regel hebben wijzen in de As- of Spiltijd onafhankelijk van elkaar als morele basisregel geformuleerd.

De Spiltijd wordt algemeen beschouwd als een van de vruchtbaarste perioden van intellectuele, psychologische, filosofische en religieuze verandering in de geschreven geschiedenis. Ze staat bekend als de eerste Verlichting. Pas in de 18e eeuw werden haar inzichten geëvenaard door de Westerse Verlichting, die de basis vormt voor onze wetenschappelijke en technologische verworvenheden en de sociale en politieke inrichting van onze moderne maatschappij.

Van ongeveer 900 tot 200 v.C. ontstonden in vier verschillende gebieden de grote wereldtradities waarop de mensheid zich nog steeds verlaat: confucianisme en taoïsme in China, hindoeïsme en boeddhisme in India, monotheïsme in Israël en filosofisch rationalisme in Griekenland. Het rabbijnse jodendom, het christendom en de islam bijvoorbeeld bouwen allemaal voort op de inzichten uit de Spiltijd.

In de periode voor 900 v.C. stonden over de hele wereld rituelen en mensen- en dierenoffers centraal in de religieuze zoektocht. Mensen voelden zich machteloos en afhankelijk van externe krachten en probeerden de goden daarmee gunstig te stemmen. In de woelige en gewelddadige tijden van de Spiltijd zochten profeten, mystici en filosofen daarom naar meer houvast. Ze meenden dat de mens niet zonder meer overgeleverd is aan de willekeur van ongrijpbare krachten buiten hem, maar zich moet bezinnen op zichzelf en het eigen gedrag veranderen.

De Spiltijdwijzen stelden moraliteit centraal in het geestelijke leven en predikten een spiritualiteit van empathie en mededogen. Hervorming moet beginnen bij jezelf, je moet niet anderen ter verantwoording roepen. Het doorbreken van de grenzen van het egoïsme brengt meer bevrediging dan het toegeven aan genotzucht en het streven naar macht. Je goedheid mocht ook niet beperkt blijven tot de eigen omgeving: je zorg moest zich op de een of andere manier tot de hele wereld uitstrekken. Religie was geen kwestie meer van rituelen maar van respect voor de heilige rechten van anderen, in plaats van offers en onderwerping aan goddelijke machten.

Deze hervormers waren er bovendien niet op uit hun eigen visie aan anderen op te dringen. Niemand mocht ooit religieuze leerstellingen in goed vertrouwen of uit de tweede hand aanvaarden, vonden zij. Men moest alles ter discussie stellen en elke leer aan de persoonlijke ervaring toetsen. De denkers en zieners uit de Spiltijd hadden geen enkele belangstelling voor doctrines of metafysica.

Ze waren echter zo vooruitstrevend en hun visie was zo radicaal dat latere generaties de neiging hadden water bij de wijn te doen. Het was meestal een teken dat de Spiltijd over zijn hoogtepunt heen was wanneer een profeet of filosoof de nadruk begon te leggen op verplichte doctrines. Eeuwen van institutionele, politieke en intellectuele ontwikkeling hebben het belang van mededogen in de religie aan het oog onttrokken. Tot welke absurditeiten dit leidde kunt u lezen in het scherpe boek van Christopher Hitchens.

De benaming Spiltijd suggereert zowel qua periode als inhoud een eenvormigheid die er in feite niet was. In die zes- à zevenhonderd jaar ontwikkelden de volkeren van de Spiltijd zich in hun eigen tempo. Terwijl in het ene gebied de spiltijd tot bloei kwam kreeg hij in het andere een nieuwe vorm of liep hij ten einde. Elke traditie ontwikkelde haar eigen formulering en praktijk van de Gulden Regel. Langs uiteenlopende wegen ontdekten ze echter allen dat ze werkte. Ondanks alle verschillen en afwijkingen vormen empathie, respect en mededogen nog altijd de lakmoesproef voor ware religiositeit in iedere grote religie.

Op basis van het beschikbare materiaal reconstrueert Karen Armstrong de spirituele ontwikkeling van de volken in China, India, het Midden-Oosten en Griekenland in de periode van ca. 1600 tot 200 v.C. Ze belicht hoe de oude godsdiensten geleidelijk plaats maakten voor nieuwe vormen van religie, waarin rituelen niet dienden om externe goden gunstig te stemmen maar verdieping centraal stond. Ze beschrijft hoe de spiritualiteit van de Spiltijd tot een hoogtepunt kwam en weer uitstierf. En ze verduidelijkt hoe deze evolutie vervlochten was met belangrijke politieke en sociale omwentelingen in de verschillende regio’s.

Wij moeten het ethos uit de Spiltijd herontdekken, zo betoogt Karen Armstrong. In onze globaliserende wereld kunnen we ons geen bekrompen of selecte visie meer veroorloven. We moeten leren leven en handelen alsof mensen in verre landen even belangrijk zijn als wijzelf. Ik zou dit willen uitbreiden tot tolerantie en pluralisme in de eigen samenleving, want in de geest van de Spiltijd begint hervorming bij onszelf.

Armstrong heeft zich ontzettend goed gedocumenteerd. Ze voert een stoet op van bekende en minder bekende figuren en is verbazend goed op de hoogte van zowel de historische context als de biografie en geschriften van de protagonisten. Voor haar studie verlaat ze zich op een indrukwekkende lijst van deskundigen. Het is heel leerrijk te ontdekken hoe in de huidige culturen van Oost en West de specifieke spiltijdfilosofieën nog herkenbaar zijn.

Haar benadering is chronologisch. Ieder hoofdstuk behandelt de ontwikkeling van de verschillende volken in een bepaalde tijdsperiode. Deze keuze begrijp ik niet goed, gezien de evolutie van de spiritualiteit bij de verschillende volken niet synchroon verloopt. Om de ontwikkeling in een bepaald gebied te kunnen volgen moet je daardoor telkens terugkeren naar het vorige hoofdstuk.

De tekst is vlot geschreven, maar door de vele onbekende details niet altijd eenvoudig te volgen. Met veel begrippen, persoonlijkheden en gebeurtenissen uit China en India zijn wij als westerlingen immers niet vertrouwd. Gelukkig bevat het boek zowel een verklarende woordenlijst als een personenregister. Er is ook een zeer uitgebreide notenlijst en dito bibliografie.

Een dikke en soms taaie pil, maar vooral een fascinerende ontdekkingstocht naar de religieuze en filosofische wortels van de beschaving.

© Minervaria

maandag 26 januari 2009

God als hype

den BOEF, A.H, God als hype. Dwarse notities over religieus Nederland. A'dam, Van Gennep, 2008, 224 pp. – ISBN 978 90 5515 890 4

Als het over religie gaat krijg je behoorlijk wat Nederlanders op hun paard. In Nederland is godsdienst een issue. Je vindt er een voor Vlamingen soms zeer amusante bonte verzameling van religieuze groeperingen. Net zoals overal in West-Europa zijn volgens recent onderzoek de gelovigen er echter een minderheid geworden. Wie beweert dat religie aan een heropleving bezig is heeft het, aldus August Hans den Boef, helemaal mis. Als gevolg hiervan verkeert onze samenleving in een post-religieus stadium, een toestand die de verhouding tussen kerk en staat ingrijpend heeft veranderd.

Toch heeft Nederland sedert een paar jaren het meest christelijke kabinet sinds 1937: Balkenende IV. Volgens den Boef regeert dit kabinet Nederland als een constitutionele theocratie. Godsdienst is voor de meeste leden ervan boven alle andere maatschappelijke verschijnselen verheven. De andere grondwettelijke vrijheden worden ondergeschikt aan de vrijheid van godsdienst, de voortschrijdende secularisering bovendien aangeduid als de oorzaak van maatschappelijke verloedering. Alleen religie kan een basis bieden voor sociale cohesie en waarden en normen, zo stellen de gelovigen die recht in de leer zijn.

Om te beginnen weerlegt den Boef bondig de argumenten van de stromantactiek die gelovigen hanteren om ongelovigen in diskrediet te brengen. Dit is veruit het meest interessante deel.

Hierna maakt hij een kritische analyse van de wijze waarop verschillende kabinetsleden van Balkenende IV godsdienst en religieuze moraal als maatstaf nemen voor beslissingen over gezins-, onderwijs- en tewerkstellingsbeleid. Daarbij gaat hij heftig tekeer tegen de moralistische betuttelingdrang van het kabinet dat uitgaat van een 19e eeuws mens- en maatschappijbeeld, waarin religie de burger in het gareel houdt.

Tenslotte belooft hij alternatieven voor de voorgewende rol van religie als behoedster van waarden en normen en sociale cohesie. Omdat ik minder vertrouwd ben met het reilen en zeilen in de Nederlandse politiek, en de vorige analyse mij vaak niet veel wijzer maakte, had ik mijn hoop op dat laatste deel gesteld. Er wachtte mij echter een serieuze teleurstelling. Den Boef komt niet verder dan zwaar pamflettair geschut tegen een aantal onbekende sociologen en andere wetenschappers, maar slaagt er niet in om hierover een samenhangend voorstel te formuleren. Ook het pamflet voor rationele voortplanting overstijgt dat niveau niet. Het lijkt alsof hij niet zozeer alternatieven wil aanreiken, maar vooral rekeningen vereffent.

Het is leerrijk te lezen welke implicaties een christelijk en bij uitbreiding religieus geïnspireerd overheidsbeleid kan hebben voor de inrichting van de samenleving en meer bepaald voor diversiteit en tolerantie. Ik ben het bovendien voluit met den Boef eens over de kernpunten van zijn betoog. Religie staat wat betreft morele en ethische kwesties niet boven andere gezindten en mag de eigen maatstaven niet opleggen aan andersdenkende burgers. De vrijheid van godsdienst is in een seculiere democratie niet belangrijker dan andere vrijheden en rechten. Religie is niet noodzakelijk voor de sociale cohesie van een samenleving. De inrichting van de samenleving dient gebaseerd te zijn op een redelijk diversiteitsbeleid, waarin het individueel handelen centraal staat en niet het behoren tot een bepaalde groep.

Mij moest hij niet overtuigen. Het is veel belangrijker om gelovigen aan het denken te zetten.. Het is mogelijk dat ook een sereen en gestructureerd betoog bij zij die recht in de leer zijn even veel of weinig zoden aan de dijk zou zetten. Den Boef mag dan wel voor even zijn ei kwijt zijn, het vaak denigrerende taalgebruik kan net het omgekeerde effect hebben.

Zeer storend bij het lezen zijn de vele onvolledige zinnen. Haastige en dus slordige redactie, een journalist onwaardig. De overvloed aan treffende citaten kan hier niet aan verhelpen.

Als tussendoortje kan dit boek er nog door, maar het is verre van een hoogvlieger in deze materie en al helemaal niet om er geld aan te spenderen.

© Minervaria

maandag 29 september 2008

Religie, normen en waarden

de RIJK, L.M., Religie, normen, waarden. Een kritische blik op een maatschappelijk debat. A'dam, Uitg. Bert Bakker, 2006, 304 pp. – ISBN 90 351 3053 7

De grootste tragedie in de geschiedenis van de mensheid zou wel eens het zich toe-eigenen van de moraliteit door de godsdienst kunnen zijn.
Arthur C. Clarke

De plaats en rol van religie in de moderne seculiere samenleving is de afgelopen jaren het onderwerp van soms heftige discussie. Met de toenemende individualisering lijken ook de traditionele normen en waarden ter ziele gegaan, en er is schijnbaar geen stelsel voorhanden om ze te vervangen. In de perceptie van velen heeft het ene met het andere te maken: de teloorgang van de religie heeft tot een losbandige en normenloze wereld geleid.

Maar is dat wel zo? Kan een deugdelijk stelsel van normen en waarden inderdaad niet zonder religie? Is moraliteit mogelijk zonder godsgeloof?
Veel discussies over normen en waarden worden vertroebeld door slordigheid inzake terminologie en argumentatie, aldus L.M. de Rijk, prof.em. aan de Universiteit Leiden. Als taalfilosoof is hij natuurlijk zeer bedreven in de zorgvuldige analyse van terminologie en logische argumentering. Een serieus te nemen debat over normen en waarden moet voldoen aan de vereisten voor ieder debat, stelt hij, namelijk een doeltreffende en heldere argumentatie. De vraag is dus of religie een deugdelijke argumentatie kan bieden voor de te hanteren normen en waarden in een samenleving.

Argumentatie en debat zijn gebaseerd op redelijkheid, en daarvoor moeten we ons wenden tot de filosofie. In de eerste plaats vraagt de Rijk zich af wat de filosofie ons te vertellen heeft over de rede en de relatie van de rede tot de werkelijkheid. In de loop der eeuwen had men daarover verschillende opvattingen. Het besluit is dat wij de dingen kennen door de waarneming en niet door het denken. Denken en werkelijkheid vallen niet samen, wat gedacht wordt is niet feitelijk of waar.

Vervolgens gaat hij na wat religie ons kan vertellen over de dingen. Religie kan twee betekenissen hebben. De eerste is een innerlijke grondhouding, de ervaring van het 'hogere' of de God-in-ons. De tweede, die gewoonlijk godsdienst wordt genoemd, postuleert een transcendente God. De Rijk toont overvloedig aan dat alle bewijzen voor het bestaan van een transcendente God echter op niets uitlopen. Geloofsinhouden zijn te beschouwen als allegorische waarheden, geloofsuitspraken als metaforen, producten van de menselijke verbeelding.

Cruciaal in zijn betoog is het verhelderende onderscheid tussen waarheid en werkelijkheid. Hiervoor hanteert de Rijk taalkundige criteria. Wat waar is kan worden waargenomen en geverifieerd. Werkelijk is wat werkzaam is, betekenis of zin heeft of gegeven wordt. Gezien God alleen kan bestaan als innerlijke houding, hebben geloofsuitspraken en -inhouden geen waarheids- maar een werkelijkheidsgehalte. Een niet-bestaande transcendente God kan dus ook geen normen en waarden opleggen of postuleren. Zedelijke beginselen staan helemaal niet op zichzelf, ze wortelen in de menselijke verbeelding. Voor wie religieus denkt en voelt hebben normen en waarden te maken met de God-in-ons.

Als er geen instantie is buiten onszelf die normen en waarden oplegt, vanwaar komen ze dan en hoe absoluut en algemeen geldig kunnen ze dan zijn? Zoals begrippen niet op zichzelf staan, maar een verbeelde abstractie van een concrete realiteit zijn, bestaan algemene en abstracte principes volgens de Rijk ook niet op zich, maar komen ze voort uit de praktijk. Morele argumentatie vertrekt vanuit het persoonlijke en concrete handelen en niet van het algemene en abstracte.

Religieuze beginselen kunnen dus niet gelden als sanctie voor het praktisch handelen. Dit geldt evenmin voor politieke ideologieën. Er zijn geen universele beginselen. Moraal en politiek hebben betrekking op het regelen van het leven en de sociale omgang, en niet op beginselen.

Daarmee geeft de Rijk een stevige onderbouwing aan maatschappelijke en politieke tolerantie. Kwesties als het dragen van de hoofddoek en onaanvaardbare ideologieën bijvoorbeeld moeten als een praktisch probleem worden beschouwd. Alleen bij aanwijsbare redenen om aan te nemen dat het (uit)dragen ervan provocatief of ordeverstorend is of een adequaat functioneren in de weg staat dient de overheid maatregelen te nemen.

Het antwoord op de basisvraag luidt dus volgens de Rijk: religie is niet onontbeerlijk als fundament voor een deugdelijke morele praktijk noch voor een stelsel van normen en waarden. We mogen aan religie en ideologie niet meer waarde geven dan ze verdienen: ze situeren zich in het innerlijke gebied van de gedachten en verbeelding. Religie en ideologie hebben een functie voor de betekenis- en zingeving van het handelen. De regie van de dagelijkse handel en wandel is en blijft echter in handen van de praktiserende mens.

Dit is een belangrijk boek, vooral in een periode waarin de invloed van religieuze groepen en bewegingen op belangrijke morele vraagstukken toeneemt of de voortgang van de discussie belemmert, bijvoorbeeld in het euthanasiedebat en het gebruik van embryo's voor stamcelonderzoek. Het verwondert me dus dat het zo weinig bekend is.

Dit boek levert vooral een theoretische bijdrage aan het debat over de plaats en rol van religie in het politieke beleid. Dat godsdiensten hun aanhangers voorhouden dat er een transcendente God bestaat, of dat individuele mensen hun moreel handelen laten leiden door dit idee, wordt door de Rijk niet ter discussie gesteld. Hij betwist ook niet dat religie het leven en de menselijke omgang voor veel mensen zinvol maakt. Het gaat er alleen om dat elke logische argumentatie faalt als ze dit aan andersdenkenden proberen op te leggen. Hier kan ik het alleen maar mee eens zijn.

Mij sprak vooral de zorgvuldige en stapsgewijze afwikkeling van de redenering aan.
Het taalgebruik is inzichtelijk en maakt de toch moeilijke materie best leesbaar.

© Minervaria

donderdag 15 mei 2008

Allah houdt niet van vrouwen

SELIM, N., Allah houdt niet van vrouwen. A’pen, Houtekiet, 2007, 127 pp. – ISBN 978 90 5240 958 0

Nahed Selim is geboren in Egypte en heeft er tot haar twintigste gewoond. Nu verblijft ze in Nederland en schrijft voor verschillende kranten artikels over islam, vrouwenemancipatie en integratie. Ze is tolk in de Arabische taal en is daardoor van dichtbij getuige van de conflicten die ontstaan in het dagelijkse leven door de botsing tussen de islamitische en de westerse opvattingen. In dit boek uit ze haar ongenoegens over en bezwaren tegen de genderverhouding en de positie van de vrouw in de islam.

Er zijn heel weinig boeken geschreven over vrouwen en islam, en nog minder vanuit een vrouwelijk standpunt. Selim belicht dit onderwerp vanuit een voor de islam weinig gebruikelijk en vooral vrouwelijk perspectief, dat van de liefde. Het geloof als spiritualiteit is immers vaak een uiting van liefde en van de behoefte aan liefde. Men zegt weleens dat vrouwen het doorgeefluik zijn voor religie. Desondanks is de godsdienst in het algemeen, en in het bijzonder de islam, zelden vriendelijk geweest voor vrouwen. Vandaar haar vraag: houdt Allah wel van vrouwen?

Om daarop een degelijk antwoord te kunnen geven heeft Nahed Selim zich een aantal jaren verdiept in de studie van de authentieke bronnen van de islam, de geschiedenis en de praktijken van de moslimwereld. Zij stelt dat de man-vrouwrelatie in de islam één van de belangrijkste tekortkomingen is van de islam als denk- en leefsysteem en aan de basis ligt van de crisis die de islam momenteel doormaakt. Een kritische analyse van de positie van de vrouw in de islam is daarom zeer belangrijk. En die is weinig vleiend voor de islam.

Eeuwenlang werd de koran moedwillig geïnterpreteerd op een wijze die nadelig is voor moslimvrouwen. Het gaat bovendien niet om de dode letter, in sommige moslimlanden zijn dit de officiële wetten en regels. Zelfs in het Westen gelden in de islamitische gemeenschap familieregels die strijdig zijn met de officiële nationale wetten.

Maar het probleem gaat over meer dan interpretatie. Vele passages van de koran zelf en van de soenna discrimineren vrouwen als zijnde het bezit van de familie of van de clan. In plaats van wederzijdse liefde en respect tussen de echtparen te propageren, verplicht de islam de vrouw tot gehoorzaamheid aan haar man. Praktisch ieder aspect van de familieregels in de islam benadeelt de vrouw ten gunste van de man. De koran verordent ongelijkwaardigheid voor de wet en die komt in praktisch ieder islamitisch land voor. In de koran wordt de vrouw systematisch als tweederangsfiguur afgeschilderd. Dit alles tast het zelfbeeld van vrouwen aan. Het woord liefde komt in de gehele koran slechts 77 keer voor. Over onvoorwaardelijke liefde, vergeving en mededogen wordt nauwelijks gesproken.

Daarom moeten moslims zich de vraag stellen: willen wij recht doen aan vrouwen of willen we de islam van alle kritiek vrijwaren? Aan veel moslims en islamologen verwijt Selim dat ze de tweede positie verkiezen. Het lijkt er haast op dat men bang is dat de islam een kritische, eerlijke analyse niet kan doorstaan. Zij pleit voor een eerlijke, moedige en intellectueel integere analyse van de islam. We moeten af van de vijandige reactie tegenover religiekritiek. De kritiekloze houding kan alleen maar veranderen indien er genoeg mensen zijn die hun mening openlijk durven uiten. Daar ben ik het grondig mee eens.

Selim heeft haar boek geschreven als dialoog met een fictieve vriendin, Salma. Die komt door een nauwkeurige en kritische lezing van de Koran langzaam tot de ontdekking dat wat haar altijd is voorgehouden niet klopt.

De troef van dit boek is dat het geschreven is door een vrouw die én als moslima is opgevoed én de Koran echt bestudeerd heeft. In drie bijlagen voorziet ze de relevante verzen van commentaar waardoor haar stellingen geloofwaardiger zijn dan die van Benazir Bhutto. Selim gaat jammer genoeg niet in op de consequenties van haar studie voor de islam zelf. Het is een onafgewerkt verhaal, en dat is het zwakke punt van het boek.
Toch laat dit dunne boekje zien dat er ook op een serene wijze kritisch kan gedacht worden over de Koran en de islam. Het is bovendien vlot en inzichtelijk geschreven.

© Minervaria