Posts tonen met het label Cultuur. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Cultuur. Alle posts tonen

zondag 2 augustus 2020

Wat bomen ons vertellen


TROUET, V., Wat bomen ons vertellen. Een geschiedenis van de wereld in jaarringen. (Vert. Tree Story: The History of the World Written in Rings, 2020) Tielt, Uitg. Lannoo, 2020, 296 pp. - ISBN 978 94 014 6675 2

Hebt u het al opgemerkt? Het snijvlak van een omgehakte boom staat vol concentrische cirkels. Hoe ouder een boom, des te dikker de stam en hoe meer cirkels. Ze worden jaarringen genoemd, omdat bomen ieder jaar zo’n ring vormen. De dendrochronologie telt en bestudeert deze jaarringen in bomen en houten voorwerpen.

Op het eerste zicht lijkt dit een vrij saaie bezigheid. Maar dit is het allerminst, wat Valerie Trouet betreft. En dat zult u geweten hebben. Gepakt en gezakt neemt ze u mee op haar avontuurlijke tochten naar verafgelegen en onherbergzame gebieden om er oeroude bomen te monsteren. En ze vertelt u hoe de dendrochronologie uit hun jaarringpatronen een schat aan informatie haalt.

Want die jaarringen leren ons heel wat. Hun samenstelling, vorm en dikte is immers afhankelijk van de omstandigheden waaronder de boom het afgelopen jaar verkeerde. Omdat een boom ieder jaar een nieuwe maakt, zijn jaarringen absoluut en op het jaar af nauwkeurig te dateren.

Bomen zijn dan ook ideale toegangswegen tot de reconstructie van het verleden. Ze kunnen zeer oud worden en blijven onder bepaalde omstandigheden prima bewaard, zelfs dood. Dank zij de dendrochronologie kennen we precies de jaren in het verre verleden waarin een aardbeving plaatsvond, een vulkaanuitbarsting, overstroming of andere natuurrampen.

Ook door de mens veroorzaakte rampen zijn in de jaarringen vastgelegd. Men is het er bijvoorbeeld over eens dat grootschalige ontbossing verantwoordelijk is voor een belangrijk deel van het broeikaseffect. Ontbossing is echter al heel lang bezig. Voor de kolonisatie door de mens waren de kale Paaseilanden en IJsland bedekt met bos.

De meeste pre-industriële samenlevingen maakten immers kwistig en voortdurend gebruik van hout om te bouwen, te koken en hun woningen te verwarmen en om kunstvoorwerpen te maken. Jaarringdatering van hout, gevonden bij opgravingen, maakt het mogelijk om archeologische vondsten zeer nauwkeurig te dateren. Zo levert de dendrochronologie tevens een essentiële bijdrage aan onze kennis over vroege menselijke nederzettingen, handelsroutes en historische gebeurtenissen.

Jaarringen van bomen verschaffen ons ook heel wat informatie over klimaatschommelingen in het verleden en de invloed ervan op ecosystemen en samenlevingen. De dendroklimatologie laat zien hoe samenlevingen in het verleden de invloed ondergingen van klimaatveranderingen. De bloei en het verval van het Romeinse Rijk werd, behalve door socio-economische factoren zoals corruptie, burgeroorlogen en invallen van de barbaren, bepaald door klimaatveranderingen. Ook de successen van Djenghis Khan en zijn veroveringstochten, de opkomst en verval van het Oeigoerse Rijk, de ondergang van de Maya-samenleving en van de Khmers in huidige Cambodja worden begrijpelijker als men ook klimatologische factoren in rekening brengt.

Kennis van de invloed van natuurrampen in het verleden kan ons bovendien helpen om toekomstige uitdagingen beter het hoofd te bieden. Zo kan herbebossing in de strijd tegen klimaatverandering vakkundig worden aangepakt. En kennis over aardbevingen in het verre verleden kan helpen om een aardbeving in de toekomst op te vangen.

Er valt uiteraard nog veel meer te leren in dit fascinerende boek. Ik had er geen vermoeden van dat bomen ons zoveel kunnen vertellen. Valerie Trouet is bovendien een zeer begenadigd schrijfster. Wat bomen ons vertellen vat niet alleen samen wat het jaarringonderzoek heeft opgeleverd, maar het is ook het persoonlijke verhaal van een wetenschapster die begeesterd is door haar vak.

De tekst is bovendien zeer goed gedocumenteerd met een uitgebreide index van boomsoorten en een handig register van de gebruikte termen.

©  Minervaria

vrijdag 15 februari 2019

Homo Deus


HARARI, N.Y., Homo Deus. Een kleine geschiedenis van de toekomst. (Vert. Homo Deus, 2015) A’dam, Thomas Rap, 2017, 447 pp.

Kun je een geschiedenis schrijven over wat nog komt? Net zomin als de geschiedenis zich herhaalt, laat de toekomst zich voorspellen. In dit boeiende boek probeert de historicus/filosoof Yuval Harari vat te krijgen op wat de toekomst voor ons in petto heeft.

Duizenden jaren lang hield iedereen zich bezig met dezelfde problemen: honger, ziekte, oorlog. Maar aan het begin van het derde millennium hebben we honger, ziekte en oorlog bijna onder controle. Wat komt er dan boven aan de menselijke agenda te staan? Dit is de hamvraag van dit boek.

Homo Deus bouwt verder op de gedachtegang van Sapiens. Dat de mens verhalen kan verzinnen maakt hem bijzonder en onderscheidt hem van de dieren. Die eigenschap stelde hem in staat om complexe menselijke samenlevingen te bouwen. Maar het geloof in deze verhalen zorgde er vaak voor dat de mens zich vooral inspande ter meerdere eer en glorie van fictieve entiteiten als goden en naties en er zelf nauwelijks beter van werd.

Dit veranderde met de opkomst van de moderne wetenschap. Het belangrijkste doel werd het verbeteren van het leven van echte, voelende mensen. Niet de goden of andere mythische wezens zijn het doel van alles, maar de mens zelf. Zo werd het humanisme de dominante wereldreligie. Het vormde de basis voor een liberaal pakket van individualisme, mensenrechten, democratie en vrije markt.

Met de spectaculaire vooruitgang van de wetenschap in de eenentwintigste eeuw, zal de mensheid waarschijnlijk serieus gaan streven naar onsterfelijkheid en geluk. In wezen komt het erop neer dat mensen zich proberen op te werken tot de status van goden.

De opkomst van posthumanistische technologieën en de biowetenschappen zou de humanistische revolutie echter teniet kunnen doen. Recent biowetenschappelijk onderzoek toont aan dat de vrije wil niet bestaat en het vrije individu een mythe is. En het is wellicht een kwestie van tijd voor de techniek zover is dat we de menselijke geest kunnen veranderen.

‘Nog even en we worden geconfronteerd met een stortvloed aan extreem nuttige apparaten, werktuigen en structuren die geen rekening houden met de vrije wil van individuele mensen.’ Zullen de democratie, de vrije markt en de mensenrechten die vloedgolf overleven? En wat zal er gebeuren als de mens gaat sleutelen aan de mens? Zal de mens zelf dat overleven?

Harari ziet drie bedreigingen: mensen zullen hun waarde verliezen, ze zullen hun individualiteit verliezen, en er zal een opdeling groeien tussen een kleine elite van supermensen en de onbetekenende massa. De belangrijkste economische vraag van de 21e eeuw zou weleens kunnen worden wat we aan moeten met alle overbodige mensen.

Welke religie zal het humanistische geloof in de mens dan opvolgen? De meest waarschijnlijke kandidaat is volgens Harari het geloof in de kracht van informatie of data. In de eenentwintigste eeuw zou het homocentrisch wereldbeeld op een zijspoor gezet kunnen worden en vervangen door een datacentrisch wereldbeeld. Daarin zijn menselijke ervaringen waardeloos. Het individu wordt een chipje in een gigantisch systeem dat niemand nog helemaal begrijpt. Zodra het mondiale dataverwerkingssyteem alwetend en almachtig is, wordt verbondenheid met het systeem de bron van alle zingeving.

Een zorgwekkende evolutie? Het is maar hoe je het bekijkt. Ze is trouwens al volop bezig. In de eenentwintigste eeuw zijn onze persoonlijke gegevens waarschijnlijk het waardevolste wat de meesten van ons nog hebben, en we geven ze zonder erg weg aan tech-giganten in ruil voor mailboxen en grappige kattenfilmpjes.

Miljoenen mensen leven nu al voornamelijk op sociale media. Ze checken om de haverklap hun smartphone om toch maar niets te hoeven missen, zijn van slag paniek als internet het laat afweten en geloven zonder meer wat hun daar voorgeschoteld wordt. De uitkomst van recente verkiezingen werd nu al grondig beïnvloed door fake news.

Het dataïsme kan het einde betekenen van de democratie en een totaal ander systeem inluiden. Maar we moeten niet in paniek slaan, zegt Harari, dit zal geleidelijk gebeuren.

Uiteraard blijft deze analyse speculatief. Maar ze is zeker niet uit de lucht gegrepen en zet op zijn minst aan het denken. Alleen al omwille van de originele en spitsvondige verbanden is dit boek echt de moeite van het lezen waard. En het is nog vlot geschreven ook.

© Minervaria

maandag 6 februari 2017

Regen

BARNETT, C., Regen. Een natuur- en cultuurgeschiedenis. (Vert. Rain – A Natural and Cultural History, 2015) Utrecht/A’pen, Kosmos Uitgevers, 2015, 383 pp. – ISBN 978 90 215 5931 5

Onlangs heeft de Chinese regering een project goedgekeurd om een kunstmatige regenzone te creëren boven een gebied dat twee keer de oppervlakte van Frankrijk omvat. Dit zou de droogte in de noordwestelijke provincies van het land moeten helpen aanpakken. In een aantal steden zou de technologie al gebruikt zijn om de zware vervuiling uit de lucht te spoelen.

In zijn eeuwige gevecht met het weer heeft de mens steeds geprobeerd om regenval te voorspellen en te beheersen. Regen is immers van cruciaal belang voor de mens. De menselijke geschiedenis is diepgaand verbonden met regenval en droogte. Zonder regen was er om te beginnen helemaal geen mens geweest. En de opkomst en ondergang van grote beschavingen wereldwijd houdt gelijke tred met aanhoudende droogte of regenval.

Regen speelt een sleutelrol in de meeste godsdienstige tradities. Hij wordt beschouwd als een zegen of vloek van de goden. Mensen onderhouden een grote verscheidenheid aan rituelen om regen af te smeken of om ze te doen ophouden. Er valt een verband aan te tonen tussen de extreme regenval in de late Middeleeuwen en de heksenvervolging.

Reeds in de negentiende eeuw probeerden regenmakers om droogte te bestrijden door het kunstmatig opwekken van regen. Hun interventies waren vaak oplichterij, maar ze waren wel de aanzet tot wetenschappelijk gefundeerde pogingen om regen op te wekken. Dit is geen sinecure, want regen en sneeuw horen bij de meest onvoorspelbare weersfenomenen. Zelfs de moderne wetenschappelijke meteorologie slaat geregeld de bal mis.

Elders levert de mens dan weer een gevecht tegen overvloedige regenval. Wetenschappers, ingenieurs en technici proberen daar de regen in te dammen en in banen te leiden. Dat verloopt niet altijd zonder problemen, want het kan de natuurlijke afloop van regen verhinderen. Ook de toenemende verstedelijking leidt soms tot catastrofale overstromingen op de ene plaats en watertekort op de andere. Hetzelfde geldt voor de klimaatverandering.

Maar regen is niet alleen de oorzaak van een veelvoud van rampen. Wist u dat u het aan de regen te danken hebt, als u onder een azuurblauwe hemel geniet van een stralende zon? Had u er enig idee van dat het, behalve de figuurlijke pijpenstelen, ook letterlijk kikkers en vissen kan regenen? En wist u dat regen ook een geur heeft die men chemisch kan analyseren? Aan de regen hebben wij de uitvinding te danken van waterdichte kledij, van de ruitenwisser en van de paraplu. En regen is een uitgelezen inspiratiebron voor kunstenaars van verschillende pluimage.

Dit boeiende boek over Regen bevat een schat van meer en minder bekende feiten over dit grillige en vaak vervelende weersverschijnsel. Het zou nog meer waarde gehad hebben als de uitwerking van de thema’s zich niet beperkte tot de Noord-Amerikaanse situatie.

Het is geschreven in een bijwijlen poëtische taal en dus, ondanks de soms beroerde Nederlandse vertaling, heel aangenaam om te lezen.

© Minervaria

zaterdag 13 augustus 2016

Sapiens

HARARI, Y.N., Sapiens. Een kleine geschiedenis van de mensheid. (Vert. From Animals into Gods. A Brief History of Humankind, 2012) A’dam, Uitg.0 Thomas Rap, 2016 (8e dr.), 462 pp. – ISBN 978 94 004 0310 9

Het wordt steeds duidelijker dat er gedurende ongeveer twee miljoen jaar verschillende mensensoorten tegelijk leefden. Hoe komt het dat slechts een ervan is overgebleven? Hoe heeft Homo Sapiens alle andere mensensoorten de vergetelheid in gedrukt? Wat was het geheim van zijn succes?

Volgens Yuval Noah Harari, professor geschiedenis aan de Hebreeuwse Universiteit van Jeruzalem, heeft Sapiens de wereld veroverd omdat hij een unieke taal beheerste. Hiermee kon hij niet alleen de waarneembare werkelijkheid benoemen, maar ook een imaginaire realiteit oproepen. Door zijn superieure cognitieve vermogens kon Homo Sapiens de beperkingen van de biologie overstijgen. Hij vertelde verhalen en creëerde gemeenschappelijke mythen die hem in staat stelden om in grotere groepen te leven en samen te werken, handel te drijven en informatie uit te wisselen.

De opkomst van nieuwe manieren van denken en communiceren gaf ongeveer zeventigduizend jaar geleden de aftrap voor de cognitieve revolutie. De rondtrekkende groepen sapiens met hun verhalen begonnen de wereld in snel tempo te koloniseren. De eerste golf van sapienskolonisatie veroorzaakte een van de grootste ecologische rampen van de geschiedenis van de aarde. Lang voordat het eerste boerendorpje werd gebouwd waren nagenoeg alle grote diersoorten verdwenen.

Nadat hij als enige van zijn soort overbleef, begon de mens te knutselen aan de levensloop van een paar planten- en diersoorten. Zo’n twaalfduizend jaar geleden veranderde de agrarische revolutie de wereld nog veel ingrijpender. Voor de meeste mensen viel dit allesbehalve positief uit. Landbouw verzwaarde het bestaan van mensen en ging gepaard met veel persoonlijk leed.

De agrarische gemeenschappen waren immers patriarchale systemen die dreven op hiërarchie en onderdrukking. Ze maakten daarvoor gebruik van gemeenschappelijke mythes, zoals religieuze stelsels, die het geloof in een bovenmenselijke orde voorhielden. Het schrift en een geldeconomie lieten mensen toe zich te organiseren in steeds grotere samenwerkingsverbanden. Zo ontstonden wereldrijken en groeide de collectieve macht van mensen dramatisch.

Ongeveer vijfhonderd jaar geleden begon de derde omwenteling, de wetenschappelijke revolutie. Deze begon in West-Europa en ging hand in hand met de opkomst van het kapitalisme en van het moderne imperialisme. De Europese ontdekkingsreizen werden gestuurd door het rusteloze gevoel dat er achter de horizon misschien iets belangwekkends te ontdekken viel. En daarvoor waren uiteraard veel geld en investeringen nodig.

De wetenschappelijke revolutie vormde de basis voor de industriële en later technologische revolutie. Deze bracht de wereld in een stroomversnelling. De technologische revolutie wordt een doorlopende revolutie. Ze gaf de aanzet tot een explosie van menselijke productiviteit en heeft tientallen grote omwentelingen in de menselijke samenleving teweeggebracht. Sapiens wordt steeds minder de speelbal van de grillen van de natuur. En omdat we evolueren naar één mensheid is er minder oorlog en meer internationale vrede.

Maar die winst heeft een keerzijde. Het imperialisme bracht inheemse volkeren onnoemelijk veel leed toe. De wilde wereld gaat ten onder aan ecologisch verval. De kweek van dieren op industriële schaal geeft aanleiding tot onvoorstelbaar dierenleed en ongebreideld consumentisme. Mensen moeten zich steeds meer plooien naar industrie en overheid. En er is geen enkele aanwijzing dat mensen nu gelukkiger zijn.

En wat staat de mensheid nog te wachten? Sapiens heeft een begin gemaakt met het doorbreken van de wetten van de natuurlijke selectie en ze te vervangen door deze van ‘intelligent design’. Zal sapiens zijn eigen opvolger creëren die hem zal vervangen? Staat ons een toekomst te wachten van cyborgs? Wordt dit het einde van Homo Sapiens?

Homo Sapiens heeft zijn succes te danken aan zijn vermogen om een alternatieve wereld te creëren. Cultuur is de drijvende kracht achter de geschiedenis van de mensheid. Niet iedereen zal het met deze stelling eens zijn, maar Harari toont met verve aan dat dit zeker een belangrijke factor is. Zijn betoog wordt bijzonder goed onderbouwd met originele en gedurfde redeneringen. Een triomfantelijk verhaal is het echter niet geworden. Het sapiensregime heeft helaas weinig voortgebracht om trots op te zijn, stelt Yuval Harari ietwat mismoedig vast.

Dat oordeel geldt in ieder geval niet voor zijn boek, dat met recht een meesterwerk kan genoemd worden. Ook wie met het onderwerp vertrouwd is, doet er heel wat intrigerende en vernieuwende inzichten op. Het werk is bovendien zeer toegankelijk geschreven. Sapiens is genieten van begin tot eind.

© Minervaria

vrijdag 8 juni 2012

De cultuur van middeleeuws Europa

LE GOFF, J., De cultuur van middeleeuws Europa. (Vert. La civilisation de l’Occident médiéval, 1984) A’dam, Uitg. Wereldbibliotheek, 1987, 503 pp. – ISBN 90 284 1521 1

Rijzige belforten en kathedralen, imposante burchten en vestingen, verfijnde miniaturen, prachtige schilderijen en beeldhouwwerken. Een aanzienlijk deel van ons erfgoed dateert uit de middeleeuwen. Maar wat zeggen gebouwen, geschriften en kunstwerken over de mensen zelf? Hoe leefden en dachten de middeleeuwers? En hoe kunnen wij daar een beeld van krijgen?

De nagelaten teksten onthullen slechts de cultuur van een zeer beperkte groep in de middeleeuwse samenleving. De doorsnee middeleeuwer, zowel edelman als boer, was immers ongeletterd. In De cultuur van middeleeuws Europa doet Jacques Le Goff een poging om door te dringen tot deze wereld, die niet de mogelijkheid bezat om zich schriftelijk uit te drukken. Hij maakte dan ook niet alleen gebruik van de gangbare schriftelijke bronnen, maar verwerkte de bevindingen van verscheidene wetenschappen, zoals de archeologie, de sociale wetenschappen, de antropologie en de etnologie. Ook de elitaire kunstuitingen, de schilderijen, boekverluchtingen, de reliëfs en majestueuze gebouwen, onthullen ons heel wat over de leef- en denkwereld van de middeleeuwse mens.



In dit monumentale werk krijgen we een zeer uitgewerkt beeld van de wijze waarop de  mensen van hoog tot laag zich handhaafden in een schaarstemaatschappij. De middeleeuwen waren niet alleen een donkere periode voor de wetenschap, maar vooral voor de doorsnee middeleeuwer. De meeste mensen leefden voortdurend op de rand van het bestaansminimum en kregen te stellen met herhaalde misoogsten, ziekten, natuurrampen en oorlogsgeweld. Dit sombere beeld van de middeleeuwen druist regelrecht in tegen de negentiende-eeuwse romantische voorstellingen van de middeleeuwen als lichtende bakermat van de christelijke beschaving.

In het eerste deel schetst Le Goff de hoofdlijnen van de economische, sociale en  politieke geschiedenis van het Westen van de vierde tot de veertiende eeuw. Middeleeuws Europa verrees op de ruïnes van het Romeinse rijk. Aan het eind van de 5e eeuw stortte het ineen onder druk van de massale invallen van de Germaanse stammen aan zijn grenzen. Het gevolg was dat de bevolking uit de steden wegtrok en zich vestigde op het platteland. De rijke stedelingen verschansten zich op hun domeinen en de armen zochten hun toevlucht op de domeinen van de rijken. Zo werd de basis gelegd van de middeleeuwse feodale samenleving.

De structuur en het functioneren van dat soort samenleving maakt de cultuur van de middeleeuwen begrijpelijk. Die wordt in het tweede deel van het boek uitgebreid geëxploreerd. De middeleeuwse mens leefde in een hiërarchisch geordende gemeenschap waarin het individu totaal ondergeschikt was aan de groep: de familie, de clan, de heerlijkheid. Iedere mens zat aan alle kanten verstrikt in een netwerk van verplichtingen dat hem dwong tot gehoorzaamheid, onderwerping en solidariteit. De middeleeuwer had geen enkel besef van vrijheid in de moderne betekenis van het woord.

In deze uitermate behoudsgezinde samenleving had iedereen een voorbeschikte plaats en bestemming, een idee dat door het christendom gretig werd ondersteund. Het christelijke geloof legitimeerde de onwrikbare standenmaatschappij, de tweehoofdige leiding op aarde van paus en keizer, de verhouding tussen het individu en de gemeenschap, de gezinsrelaties en de positie van man, vrouw en kind. Le Goff bespreekt de machtsverhoudingen in steden en dorpen, de positie van de stedelijke gemeenschap ten opzichte van het platteland, de rol van de Kerk en de kerken als instituten en de functie van het koningschap. De brandpunten van het sociale leven komen uitgebreid aan de orde: kerken, kastelen, molens, kroegen als ontmoetingsplaatsen. Ook de marginalen, de ketters, leprozen, joden, tovenaars, homoseksuelen, zieken, vreemdelingen en maatschappelijk onaangepasten hadden een functie in de christelijke middeleeuwse maatschappij.

Jacques Le Goff geeft een indingend beeld van de volkscultuur van een analfabete massa in een hoogst wisselvallig bestaan. Voor de middeleeuwers was de wereld een tranendal waarin men zo goed en zo kwaad moest zien te overleven. Hun mentaliteit en belevingswereld werden bepaald door onzekerheid en onveiligheid en door de noodzaak om zijn angsten onder controle te krijgen. Mensen waren zeer gevoelig voor symboliek, geloofden rotsvast in buiten- en bovennatuurlijke werelden en zochten houvast in mirakels en godsoordelen. De middeleeuwers stelden al hun hoop op het hiernamaals, waarin uiteindelijk rechtvaardigheid zou heersen.

Verder rekent Le Goff af met het wijdverspreide romantische idee dat de middeleeuwse wereld een eenheid vormde en dat de middeleeuwer een wereldburger was. Middeleeuwers waren weliswaar veel minder honkvast dan de moderne Europeaan, maar dat had niet zozeer te maken met een kosmopolitische instelling als wel met een hoogst onzeker bestaan en het feit dat men toch al zeer weinig bezat. Het middeleeuwse Europa was een lappendeken van relatief autonome streken, de mensen leefden vooral in kleine entiteiten en er werden tientallen verschillende talen gesproken. De werkelijkheid was veel banaler dan bevlogen nationalisten, die zich vaak beroepen op een groots middeleeuws verleden, het voorstellen.

Hoewel dit werk reeds meer dan 30 jaar geleden werd geschreven, is het de moeite meer dan waard. Het is geschreven door een eminente historicus, op basis van een diepgaande studie van veelzijdig en origineel bronnenmateriaal. De tekst laat zich zeer vlot lezen en wordt geregeld verlucht met zeer instructieve illustraties, zoals geografische kaarten, plattegronden van abdijen en kerken, steden en dorpen, kaarten van slagvelden. Dit werk heeft me van begin tot einde kunnen boeien.

@  Minervaria

donderdag 5 april 2012

Beschaving

FERGUSON, N., Beschaving. Het Westen en de rest. (Vert. Civilization, 2011) A’dam/A’pen, Uitg. Contact, 2011, 431 pp. – ISBN 978 90 254 3276 8

Vorig jaar nam Geely Volvo Car Corporation over van Ford. Twee Chinese autobedrijven deden al een bod op het Zweedse Saab. Als de deal doorgaat verzeilt een tweede Zweedse autobouwer onder Chinese vleugels. En onlangs hebben Geely en een andere Chinese autofabrikant hun oog laten vallen op de Opelfabriek in Antwerpen.

De opkomende macht van China wordt met argusogen gevolgd. Terwijl de ontwikkelde wereld op de rand van een tweede Grote Depressie wankelde, ervoer China niet veel meer dan een kleine vertraging in de groei. Luidt dit het einde in van het Westen en de komst van een nieuw Oosters tijdperk, zoals Kishore Mahbuhbani voorspelde in De eeuw van Azië? Beleven we dan toch het einde van 500 jaar Westerse dominantie?

Misschien kunnen we meer doen dan koffiedik kijken als we die lange periode van Westerse suprematie kunnen verklaren, zegt historicus Niall Ferguson. Hij meent dat hij aan de bevindingen van onderzoekers als David Landes en Jared Diamond een aantal essentiële zaken kan toevoegen. Volgens hem heeft de 500-jarige voorsprong van West-Europa niet enkel te maken met geografische ligging, culturele kenmerken of de ontwikkeling van techniek, maar met een complex systeem van instituties, dat hij beschaving noemt.

Beschavingen zijn veel meer dan majestueuze gebouwen, schitterende kunstwerken of een verfijnde leefstijl. Een beschaving is de grootste eenheid van menselijke organisatie. Het is een praktische en culturele reactie van menselijke populaties op hun omgeving, vaak met een gedeelde religie en taalgemeenschappen. Iedere tijdsperiode kent slechts een beperkt aantal beschavingen. De interacties van deze beschavingen waren altijd een belangrijke drijvende kracht van historische verandering.

Vanaf de vijftiende eeuw brachten de kleine staatjes van West-Europa een beschaving voort die de hele wereld kon veroveren en onderwerpen. Ze slaagden er bovendien in om volkeren over de hele wereld tot de westerse manier van leven te bekeren. In de praktijk is het grootste deel van de wereld inmiddels geïntegreerd in een Westers economisch systeem. En de Westerse politieke organisatie wordt door steeds meer landen min of meer overgenomen.

Wat had de beschaving van West-Europa na de 15e eeuw dat haar in staat stelde de superieure Rijken van het Oosten te overtroeven? Zes instituties zijn kenmerkend voor de wijze waarop het Westen de uitdagingen aanging waarvoor iedere beschaving staat. In evenveel hoofdstukken toont Ferguson aan hoe deze instellingen de West-Europese staten een voorsprong gaven op andere beschavingen.

In de eerste plaats stimuleerde de politieke versplintering van West-Europa de concurrentie tussen de staten. De Europeanen zochten economische, geopolitieke en religieuze kansen in verre landen. Het toen superieure China sloot het land en zijn inwoners echter op in zelfgenoegzaamheid. De ontwikkeling van de natuurwetenschappen leverde het Westen een tweede voordeel. De moslimwereld daarentegen raakte haar wetenschappelijke voorsprong kwijt door de schier onbeperkte heerschappij van de religie. De derde sterkte bestaat uit de rechtsorde, een representatieve regering en particuliere eigendomsrechten. De uiteenlopende ontwikkeling van de beide Amerika’s illustreert hoe het Britse model van breed verspreide eigendomsrechten en democratie beduidend beter werkte dan het Spaanse model van geconcentreerde rijkdom en een autoritair systeem.

De vierde Westerse institutie, de moderne geneeskunde, heeft de levensverwachting van mensen overal ter wereld beduidend verhoogd. Het vijfde kenmerk is de mogelijkheid voor grote groepen mensen om zich consumptiegoederen aan te schaffen. Dit is het resultaat van de voortschrijdende technologische ontwikkeling, die begon met de Industriële Revolutie in West-Europa. Het Westerse arbeidsethos is het zesde kenmerk. Die maakt de vrije markteconomie mogelijk, waarin steeds meer mensen kunnen sparen en over kapitaal beschikken.

Ferguson noemt de opkomst van het Westen het belangrijkste historische verschijnsel in de tweede helft van het tweede millennium van onze tijdrekening. Dat is echter geen reden om triomfantelijk te doen en ongenuanceerd de loftrompet te steken over de Westerse beschaving. Haar opkomst was immers niet mogelijk geweest zonder de toevallige gelijktijdige zwakte van haar rivalen.

Maar beschavingen hebben niet het eeuwige leven. Ook de Westerse beschaving is al eens eerder in verval geraakt en ten onder gegaan. Staat ons dat binnenkort ook te wachten? Het is moeilijk om dat te voorspellen. Beschavingen zijn complexe systemen, en als zodanig vergelijkbaar met complexe natuurkundige systemen. Ze functioneren ergens tussen orde en wanorde en hebben de neiging om tamelijk plotseling van stabiliteit naar instabiliteit over te gaan.

Kan er iets ondernomen worden om de westerse beschaving voor zulk onheil te behoeden? Niall Ferguson blijft hoopvol. Wat we nu doormaken is het einde van 500 jaar van westerse dominantie. Maar we hoeven niet te overheersen om te blijven bestaan. De westerse beschaving is verre van perfect en haar geschiedenis omvat zeer veel zwarte bladzijden. Toch nemen steeds meer samenlevingen vrijwillig de kenmerken ervan over. Het lijkt erop dat dit Westerse pakket voorlopig de best beschikbare reeks economische, sociale en politieke instituties biedt voor individuen en samenlevingen.

Ferguson besluit: “Misschien is de echte dreiging niet de opkomst van China, de islam of CO2-emissies, maar het verlies van ons geloof in de beschaving die we van onze voorouders hebben geërfd.”.

Veel van de inzichten in dit boek zijn niet nieuw. Bij verschillende hoofdstukken beleefde ik een déja-vu. De meeste thema’s werden ook al door onder andere David Landes, Jared Diamond en Francis Fukuyama aangesneden en uitgewerkt. Het is de verdienste van Niall Ferguson dat hij ze in de ruimere context van een beschaving heeft geplaatst. Zijn werk was echter heel wat toegankelijker geweest indien hij zich minder had vastgebeten in gedetailleerde beschrijvingen en meer aandacht had gehad voor het globale plaatje. Van de boeiende vergelijking tussen beschavingen en natuurkundige systemen daarentegen heb ik volop genoten.

© Minervaria

zaterdag 30 april 2011

Informalisering

WOUTERS, C., Informalisering. Manieren en emoties sinds 1890. A’dam, Uitg. Bert Bakker, 2008, 388 pp. – ISBN 978 90 351 3289 4

De buren met de voornaam aanspreken, zoenen in het openbaar, in gesprekken onverbloemd kenbaar maken dat je het er niet mee eens bent. Nu is het gewoon, tachtig jaar geleden was het niet denkbaar. In de Westerse samenlevingen werden heel wat omgangsvormen overboord gegooid die in de loop van de vorige eeuwen gemeengoed waren.

In de twintigste eeuw zijn overal in het Westen de regels voor goede manieren soepeler en gevarieerder geworden. Tegelijk zijn steeds meer mensen deze manieren gewoon en goed gaan vinden. Vergeleken met de voorgaande eeuwen zijn ze bovendien veel vrijer om hun emoties te tonen. Dit informaliseringsproces begon volgens de socioloog Cas Wouters aan het einde van de negentiende eeuw.

Op het eerste zicht is dit een eigenaardige evolutie. In 1976 beschreef de gerenommeerde socioloog Norbert Elias hoe het gedrag van mensen vanaf de Renaissance tot het einde van de negentiende eeuw steeds meer aan strikte en gedetailleerde regels werd onderworpen. Een aantal van die regels werden mettertijd in wetten gegoten, andere werden als goede manieren of omgangsvormen nageleefd, tenminste voor wie als beschaafd wilde doorgaan. Een geciviliseerde mens snoot bijvoorbeeld zijn neus in een zakdoek en at met vork en mes.

Wie zich gedroeg toonde dat hij tot de betere kringen hoorde. Om op de sociale ladder te stijgen diende men zich verfijnde omgangsvormen eigen te maken. En aangezien in de Westerse samenleving, onder druk van de arbeidsdeling, de sociale klassen steeds nauwer verweven raakten, waren er steeds meer mensen die dat deden. Het resultaat was dat goede manieren vanzelfsprekend werden en deel gingen uitmaken van de persoonlijkheidsstructuur of de habitus van mensen. Het Westen werd steeds ‘beschaafder’.

Dat proces kreeg een wending aan het einde van de negentiende eeuw. Cas Wouters bestudeerde een groot aantal etiquette- of manierenboeken van verschillende landen uit de periode tussen 1890 en het begin van de eenentwintigste eeuw. De manieren werden gaandeweg losser. Ongedwongenheid en spontaneïteit werden overal de norm. In bepaalde decennia verschenen zelfs helemaal geen nieuwe boeken over ‘hoe het hoorde’. Hoe komt dat?

De verklaring ligt in aanzienlijke veranderingen in de sociaaleconomische verhoudingen van die periode, zegt Wouters. De sociale mobiliteit nam toe en mensen van allerlei slag kwamen vaker met elkaar in contact. Steeds meer mensen deelden in de groei van de welvaart. De verschillen in macht en rang tussen mensen werden kleiner en alle mensen werden ‘gewoner’.

In deze toenemende sociale vermenging en democratisering werden openlijk vertoon van minachting en andere uitingen van superioriteit onaanvaardbaar. Manieren, als instrument om afstand te houden en ‘andere’ mensen buiten te sluiten of af te wijzen, kwamen in een kwade reuk te staan. De etiquetteboeken benadrukken steeds meer de noodzaak van vriendelijkheid in de menselijke omgang. Rekening houden met de gevoelens van anderen werd de norm bij goede omgangsvormen.

Als je met mensen van alle slag moet kunnen omgaan heb je immers niets aan starre gedragsregels, die alleen gelden binnen de eigen coterie. Van een moderne westerling wordt verwacht dat hij met iedereen, althans oppervlakkig, overweg kan. Flexibiliteit en ongedwongenheid zijn dus de norm geworden, evenals de bereidheid tot het sluiten van compromissen. Dat wij dit intussen vanzelfsprekend zijn gaan vinden illustreert hoezeer dit intussen deel geworden is van onze persoonlijkheidsstructuur.

In de Westerse landen gaan mensen van verschillende sociale klassen op verschillende wijze met elkaar om. Wouters maakt die verschillen en eigenheden begrijpelijk. Hij legt verband tussen de sociale en politieke geschiedenis van een land en de oorsprong van de ‘volksaard’. Maar de neergang van formele regels voor omgangsvormen verliep overal gelijkaardig, zij het met verschillende uitkomst.

Met het model van informalisering kunnen volgens Wouters veel andere, zowel historische als hedendaagse, perioden van sociale vermenging bestudeerd en begrepen worden. Mensen die afkomstig zijn uit landen waar de sociale afstand tussen de verschillende klassen veel groter is, hebben vaak moeite met onze informele omgangsvormen en de nadruk op onderhandeling en overleg, die wij als vanzelfsprekend ervaren.

Anders dan we geneigd zijn te denken, zijn de lossere zeden dus niet iets van de laatste decennia, maar omspant dit proces al meer dan een eeuw. Toch is dat geen reden om niet attent te zijn op de teloorgang van goede manieren. Informalisering mag dan wel een meer ongedwongen omgang gebracht hebben, de keerzijde is een verruwing en vergroving van de omgangsvormen. Er wordt geklaagd over het gebrek aan ‘beschaving’ in onze samenleving. Geregeld gaan stemmen op om waarden en normen in ere te herstellen. Goede manieren en etiquette zullen nooit overbodig worden.

In een interessante bijlage legt Wouters trouwens parallellen met de regulering van de globaliserende arbeidsmarkt. De globalisering heeft, zowel in de rijke westerse samenlevingen met hoge lonen als in de arme lageloonlanden, een deregulering gebracht. Die biedt bedrijven meer bewegingsruimte maar heeft de positie van arbeiders verzwakt. In de hogeloonlanden ging aan de informalisering van de arbeidsverhoudingen echter aanzienlijke regulering of formalisering vooraf. In de lageloonlanden was dit doorgaans niet of nauwelijks het geval. Daar bestaat het risico dat het ‘recht van de sterkste’ zegeviert.

Hoewel een wetenschappelijke studie, is dit boek vrij toegankelijk geschreven. Het bevat ook een boeiend hoofdstuk over de geschiedenis van manieren in Europa vanaf de hofsamenleving tot de victoriaanse periode.

© Minervaria

donderdag 14 januari 2010

De begrafenis van God

WILSON, A.N., De begrafenis van God. De ondergang van het geloof in de westerse beschaving. (Vert. God’s Funeral. The Decline of Faith in Western Civilization) A’dam, Prometheus, 2000, 418 pp. – ISBN 90 5333 889 6

“De kwestie-God wil maar niet verdwijnen”, stelt Andrew Norman Wilson. Tien jaar later is dit nog altijd zo. God blijft stevig overeind. Uit opiniepeilingen blijkt dat de meerderheid van de mensen nog steeds in God gelooft. Voor veel mensen telt en werkt het oude verhaal nog steeds. Ongeacht of het bestaan van God kan bewezen worden heeft godsdienst voor de meeste mensen nog zin.

En toch staat het bestaan van God in het Westen al een paar eeuwen onder druk. Vanaf de 17e eeuw werden steeds meer wetenschappelijke ontdekkingen gedaan die twijfels opriepen over de waarheid van de aanspraken van het godsdienstig geloof. De fatale klap voor het creationistische wereldbeeld was de publicatie van The Origin of Species door Charles Darwin in 1859. Deze gebeurtenis veegde de religieuze grond onder de voeten van het intellectuele Westen weg.

Voor wie in de tweede helft van de 20e eeuw geboren is valt het moeilijk zich voor te stellen hoe groot toen de ontreddering was bij de intellectuele en later ook de gewone mens. Konden eerlijke mannen en vrouwen in alle eerlijkheid nog volhouden dat ze geloofden in de onfeilbare waarheid van de Heilige Schrift als het geïnspireerde woord van God? Tussen 1908 en 1910 schreef de Engelse dichter Thomas Hardy een gedicht waarin hij zich verbeeldde dat hij de begrafenis van God bijwoonde. Het is een immens verdrietig gedicht waarin het besef van een groot verlies de boventoon voert.

In De begrafenis van God beschrijft Andrew Norman Wilson hoe onder andere de filosofen Karl Marx en Herbert Spencer, de schrijver George Elliot en de psychiater Sigmund Freud heftig worstelden met het verlies van hun geloof in God en hun strijd met de kerk. God en godsdienst waren in de 19e eeuwse Victoriaanse samenleving zo sterk verankerd dat leven zonder religie verre van eenvoudig was. Het overboord gooien van de traditionele geloofsovertuigingen was voor velen een uitdagend avontuur en de verkenning van nieuwe horizonten. Maar voor velen was het ook een pijnlijk afscheid en besef van een diep verlies.

De vraag hoe religie behouden kon worden zonder het opofferen van intellectuele integriteit mondde op het einde van de 19e eeuw uit in de modernistische beweging. De modernisten streefden ernaar religie en het moderne leven verenigbaar te maken. Zij werden echter door de katholieke kerk met kracht bestreden. In de heksenjacht onder Pius X hebben ze de strijd met de kerk uiteindelijk verloren. Verschillende vertegenwoordigers werden geëxcommuniceerd, in die tijd een verschrikkelijke straf. Het verhaal klinkt bekend: wie in de kerk van binnenuit veranderingen wil bewerkstelligen komt meestal van een koude kermis thuis.

Op basis van de titel en de achterflap verwachtte ik een thematische studie van de teloorgang van het godsgeloof in de 19e eeuw. Wilson beperkt zich echter tot de beschrijving van de individuele zoektocht van meer en minder notoire figuren uit de Victoriaanse tijd. Op zich is dit een ambitieuze onderneming, want ze vereist grondige kennis en studie van de (auto)biografische geschriften van deze personen. Maar het zegt niet zo veel over de ondergang van het geloof in de Westerse beschaving als geheel, omdat hij zich beperkt tot de intelligentsia van die tijd.

Wilson levert het bewijs van een haast encyclopedische kennis van het literaire en filosofische leven in de Victoriaanse tijd. Van een biografische specialist mag je dit natuurlijk verwachten. Dit maakt het boek naar mijn mening echter alleen echt te smaken voor wie grondig vertrouwd is met het – vooral Britse - filosofische en culturele leven in de 19e eeuw. Over die specifieke voorkennis beschikt de doorsnee lezer niet.

Al kan de zwierige literaire stijl van Wilson me wel bekoren, hij slaagt er niet in zijn gegevens ordelijk te presenteren. Hij verliest zich voortdurend in anekdotes die hij, zeker voor de minder onderlegde lezer, onvoldoende kadert.

De lectuur van dit boek heeft wel een onbedoeld effect gehad. Ik heb me voorgenomen om enkele Britse Victoriaanse romans te lezen die al heel lang op mijn leeslijst staan.

© Minervaria

maandag 7 september 2009

Waarom cultuur belangrijk is

SCRUTON, R., Waarom cultuur belangrijk is. (Vert. Culture Counts. Faith and Feeling in a World Besieged) A’dam, Uitg. Nieuw Amsterdam, 2008, 144 pp. – ISBN 978 90 468 0390 5

In dit essay hanteert de Britse conservatieve filosoof Roger Scruton de term cultuur in een enge betekenis. Hij neemt het op voor wat weleens als de ‘hoge cultuur’ van de westerse beschaving wordt aangeduid. Het artistieke en filosofische erfgoed, dat traditioneel aan de universiteiten en academies werd onderwezen, is volgens hem in recente jaren, en dan vooral in Amerika, het voorwerp van neerbuigende afwijzing. Veel docenten verwerpen de traditionele cultuuruitingen omdat ze deze zien als louter restanten van achterhaalde patriarchale, aristocratische, burgerlijke of theocratische opvattingen.

Scruton probeert aan te tonen waarom deze redenering onjuist is.
Hij heeft het over het verschil tussen cultuur en beschaving, zet kunst af tegen populair vermaak en recreatie en vraagt zich af wat we onder echte kunst kunnen verstaan. In een interessant hoofdstuk neemt hij met degelijke argumenten het moderne leerlinggerichte onderwijs op de korrel en legt uit waarom we kennis niet met informatie mogen verwarren. Hij betoogt hoe moeilijk het is om cultuur – en bij uitbreiding kennis in het algemeen – te onderwijzen aan de pop- en tv-generatie.

Natuurlijk hebben we musea, universiteiten en archieven die zijn gewijd aan het bewaren van de overblijfselen van onze cultuur. Maar daarmee wordt niet gegarandeerd dat deze cultuur het overleeft want als cultuur overleeft ze in ons, de waarnemers en gebruikers van die overblijfselen. En Scruton voorziet terecht dat, als ze ons niet meer raakt, haar betekenis ook verloren gaat. Want kunst is ook de drager van ons morele erfgoed, aldus Scruton.

De zaak is echter nog niet verloren. Hij put hoop uit bewegingen van kunstenaars die zich inspireren aan de klassiekers uit de westerse cultuur. In het laatste hoofdstuk geeft hij een aantal voorbeelden uit de harmonieuze muziek, de figuratieve schilderkunst en de klassieke architectuur.

Ook al deel ik zijn conservatieve afkeer van het modernisme en het heimwee naar tradities en oude normen en waarden niet, toch heeft Scruton volgens mij wel een punt. In een tijd van ‘vercommercialisering van het menselijk hart door de media’ verkeren esthetische waarden voortdurend in conflict met het achtergrondlawaai van het moderne leven. Populariteit en kassucces zijn niet de beste criteria voor het beoordelen van de waarde van kunst. Misschien moet er inderdaad wel gewaakt worden voor een algemene vervreemding van ons culturele erfgoed.

In zijn moralistische kijk op cultuur en haar anti-adepten en de verheerlijking van ‘vroeger’ kan ik mij echter niet vinden. Volgens Scruton leven wij in een tijd van culturele neergang. De Westerse samenlevingen verkeren in een acute identiteitscrisis. Ze worden bedreigd door cultureel relativisme en multicultureel denken.

Scruton is er bovendien van overtuigd dat de Westerse cultuur al zo multicultureel als mogelijk is en meent dat we ons krachtig moeten verzetten tegen de multiculturalisten. De Westerse cultuur is volgens hem superieur aan andere omdat ze als enige een universalistische visie huldigt op de mens en die op neutrale wijze verspreidt. Voorwaar een paar op zijn minst zeer betwistbare stellingen!

Verder viel mij moeilijk het eens zijn met de houding van een elite, die neerbuigende oordelen velt over gewone mensen die “het maaien van het gazon beschouwen als hun levensavontuur” (p. 96)

Dit boek was, na een paar interviews met de auteur, een hernieuwde en instructieve kennismaking met het huidige conservatieve gedachtegoed.

Aanvankelijk beleefde ik plezier aan de redeneerkunst van Scruton, maar door de lange en ingewikkelde zinnen werd het lezen gaandeweg minder aangenaam.

© Minervaria

zondag 9 augustus 2009

Geisha. De verborgen geschiedenis

DOWNER, L., Geisha. De verborgen geschiedenis. (Vert. Geisha. The Secret History of A Vanishing World) A’dam, De Bezige Bij, 2001, 424 pp. – ISBN 90 234 5375 1

Toen Lesley Downer de kans kreeg om in een geishawijk te logeren greep ze de gelegenheid met beide handen aan. Hoewel ze tientallen jaren in Japan had gewoond en gewerkt had ze nauwelijks een glimp van hun wereld opgevangen. Toch duurde het nog maanden voor de deuren open zwaaiden. Maar toen ze eenmaal in de geishawereld was geaccepteerd werd ze geïntroduceerd in een wereld waarover zelfs de meeste Japanners niets weten.

Het eerste deel van dit boek gaat over de geschiedenis van de geisha’s, de veranderingen die ze in de loop der eeuwen hebben ondergaan, en de romantische verhalen die er over hen in omloop zijn. In de standaardgeschiedenis van Japan worden geisha’ s doodgezwegen. Toen ze echter wat dieper ging graven ontdekte Lesley Downer dat ze bij belangrijke gebeurtenissen wel degelijk een rol hadden gespeeld, namelijk als vriendin, vertrouwelinge, minnares en soms echtgenote van de meest vooraanstaande mannen van het land. Maar deze vrouwen achter de besluitvormers stonden altijd in de schaduw.

Geisha’s waren ooit de koninginnen van de subversieve, alternatieve maatschappij. In de Victoriaanse tijd – het hoogtepunt van hun populariteit – waren geisha’s het beste wat de amusementswereld in Japan te bieden had. Net als de popidolen van nu waren ze kleurrijke karakters, de sterren van een volkscultuur. Geisha’s doorliepen een lange, strenge opleidingsperiode, waarin ze leerden zich aan nauw omschreven gedrags- en omgangsregels te houden.

In het tweede deel van het boek onthult ze de wereld van de geisha zelf en haar gewoonten en rituelen. Ze laat ons meekijken hoe ze zich opmaakt en haar kimono’s draagt, hoe ze leert zich op geishafeestjes charmant te gedragen en hoe haar privéleven eruit ziet. Van dit deel heb ik het meest geleerd én genoten.

De wereld van de geisha’s is over het algemeen nog even romantisch, mysterieus en ondoordringbaar als voorheen. Er is echter een groot verschil tussen het leven van de geisha’s en maiko’s – leerling-geisha’s – vroeger en nu. De geisha’s uit het verleden werden als jong kind al voor dit leven bestemd. De moderne geisha’s hebben voor hun beroep gekozen. Het is een baan geworden, weliswaar niet zoals een andere.

Lesley Downer beperkt zich niet tot een beschrijving van het geishaleven, maar situeert het in de eeuwenoude cultuur van huwelijk en man/vrouw relaties in Japan. Tot voor kort was, behalve in de laagste klasse van de maatschappij, een huwelijk een zuiver zakelijke aangelegenheid. Het was een verbond tussen twee families met als doel het produceren van kinderen om de familienaam voort te zetten. Tegen de wens van de familie in trouwen uit liefde was ondenkbaar. Men beschouwde het zelfs als hoogst onfatsoenlijk als een man graag de liefde bedreef met zijn vrouw. Seksueel genot vond een man buiten de deur.

Zelfs in het moderne Japan vinden veel mannen het vanzelfsprekend dat ze in twee werelden kunnen leven, met in beide een vrouw. Thuis heeft hij zijn echtgenote, die voor de huishouding, de kinderen en de financiën zorgt. Hij geeft haar zijn salaris en zij geeft hem zakgeld. Buitenshuis heeft hij een ander soort vrouwen: geisha’s, gastvrouwen in clubs, een of meer minnaressen voor luchtige conversaties en seksuele geneugten. Samen waken deze vrouwen ervoor dat er dag en nacht voor hem gezorgd wordt.

Door de hedonistische houding tegenover seks konden in Japan sensualiteit en de kunst van de erotiek bovendien op allerlei hoogstaande manieren vrijuit tot ontwikkeling komen. Japan kent dan ook nog altijd een bloeiende seksindustrie. Maar geisha’s waren en zijn geen prostituees. Ze worden beschouwd als kunstenaressen en fungeren als een soort entertainer op zaken- en andere feestjes.

In de meeste steden bleven, als overblijfselen van een uitstervende traditie, kleine geishagemeenschappen over. De geishawereld is echter een fragiele en bedreigde wereld. Japan is relatief snel geëvolueerd van een klassensysteem naar een democratie, waarin niet alleen alles genivelleerd is en de smaak veranderde, maar ook de rol en positie van de vrouw is gewijzigd. Culturen veranderen echter slechts langzaam. Het aantal geisha’s is beduidend kleiner geworden, maar ze zijn absoluut nog niet verdwenen.

Wie op een vlot leesbare wijze kennis wil maken met de geheimzinnige en intrigerende wereld van de geisha’s kan ik dit boek warm aanbevelen.

© Minervaria

donderdag 5 maart 2009

Allemaal andersdenkenden

HOFSTEDE, G. & G.J. HOFSTEDE, Allemaal andersdenkenden. Omgaan met cultuurverschillen. A’dam, Uitg. Contact, 2005 (2e herz. ed.), 431 pp. – ISBN 90 254 2681 6

"The Germans live in Germany, the Romans live in Rome

The Turkeys live in Turkey, but the English live at home"


Met dit kinderversje van J.H. Goring zetten Geert en Gert Jan Hofstede het laatste hoofdstuk van hun boek in. Iedereen kijkt naar de wereld van achter de vensters van zijn eigen culturele thuis en doet het liefst of mensen uit andere landen iets bijzonders hebben. Maar bij ons thuis zijn we gewoon. In culturele aangelegenheden is echter niets gewoon, er is geen universele norm.

Of we het willen of niet, onze wereld is op zeer korte tijd multicultureel geworden. Reizen naar andere werelddelen voor het plezier of voor zaken is al jaren heel gewoon, en nooit voorheen is er zo’n intensieve migratie geweest overal ter wereld. Het wereldtoneel wemelt van de botsingen tussen mensen, groepen en volken die verschillend denken, voelen en handelen. Dank zij de moderne transport- en communicatietechnieken is het aantal interculturele ontmoetingen in de wereld enorm toegenomen.

Optimisten spreken over de wereld als een ‘global village’ en sommigen voorspelden dat verschillen tussen culturen op termijn zouden verdwijnen. Cultuurpessimisten vrezen dan weer de teloorgang van culturele eigenheid en het opgaan van individuen en vooral groepen in een grijze eenvormige massa. Ze hoeven zich echter geen zorgen te maken, culturele verscheidenheid zal niet verdwijnen, aldus vader en zoon Hofstede.

Cultuur hebben wij immers met de paplepel binnen gekregen. Het gaat om de ongeschreven regels van het sociale spel, die wij als kind via ervaringen in onze sociale omgeving als vanzelfsprekend aanleren. En die omgeving is dan weer het product van de ervaringen van onze voorouders. Cultuur is de collectieve mentale programmering die de leden van één groep of categorie mensen onderscheidt van die van andere.

Samenlevingen hebben de wonderlijke capaciteit om hun eigen identiteit en cultuur te bewaren over opeenvolgende generaties ondanks dramatische veranderingen. Doorheen de geschiedenis is er een opmerkelijke continuïteit in de cultuur van een volk. Als culturen samen veranderen door een gemeenschappelijke oorzaak, is er veel kans dat hun onderlinge verschillen blijven bestaan.

In een multiculturele wereld is een beter inzicht in die culturele eigenheid en verschillen zeer belangrijk om soms dramatische misverstanden en onbegrip te voorkomen. Overal ter wereld waar landen, groepen of personen cultuurverschillen negeren ontwikkelen zich immers min of meer zware conflicten en onnodige ellende. Hoe kunnen we dus meer greep krijgen op culturele eigenheid en verscheidenheid?

Het thema van dit boek is het omgaan met verschillen in denken, voelen en handelen van mensen overal ter wereld. Hoewel de verscheidenheid groot is, vertoont ze een structuur die als basis kan dienen voor meer wederzijds begrip. Uit verschillende wereldwijde waardenonderzoeken (Value Surveys) blijkt immers dat culturen zich van elkaar onderscheiden door hun antwoord op 5 fundamentele kwesties die elke samenleving bezig houden. De antwoorden op deze kwesties gaan over fundamentele waarden en laten zich rangschikken op evenveel dimensies.

Na een zeer inzichtelijke algemene inleiding over het begrip cultuur, de methodologie en de beperkingen van hun onderzoek, stellen de auteurs deze dimensies uitgebreid voor. Ze verhelderen hoe de plaats van een cultuur op het continuüm de belangrijkste sectoren van het maatschappelijk leven ingrijpend beïnvloedt. De verschillende landen waar het onderzoek gebeurde krijgen een plaats op het continuüm in vergelijking met andere landen. Het resultaat is leerrijk, leuk én soms verrassend, en sommige puzzelstukken vallen daarmee eindelijk op hun plaats. Dit vond ik het meest interessante deel van het boek.

In een tweede deel komen organisatieculturen aan de orde. Organisaties ontwikkelen structuren die tegemoet komen aan de culturele behoeften van hun leden. De auteurs tonen overvloedig aan hoe in alle organisaties culturele elementen de planning en besturing ingrijpend beïnvloeden. Het is dan ook ondoordacht om te verwachten dat ideeën, structuren en communicatiepatronen uit een cultuur zonder meer zullen werken in een organisatie aan de andere kant van de wereld.

In het derde deel komen de algemene conclusies aan de orde. Ontmoetingen tussen culturen houden mogelijkheden en beperkingen in. Onopzettelijke interculturele conflicten zijn schering en inslag. Door het aanleren van interculturele communicatie kan men proberen ze te vermijden of ervoor zorgen dat de schade beperkt blijft. Daarvoor is het belangrijk dat iemand zich bewust wordt van de eigen vanzelfsprekendheden en die van de andere, kennis verwerft over de gebruiken in de andere cultuur en vaardigheden ontwikkelt.

Wereldomvattende economische, technologische, ecologische en demografische problemen maken interculturele samenwerking noodzakelijk. Het overleven van de mensheid vraagt om gezamenlijke actie in zaken waarover mensen het, als gevolg van verschillende culturele waarden, vaker niet eens zijn dan wel. Veel zal dus afhangen van de mate waarin politici intercultureel kunnen samenwerken. In steeds meer landen worden zij door de bevolking gekozen. We kunnen alleen maar hopen dat interculturele opvoeding en onderwijs in toenemende mate ingang vinden. Polarisatie tussen cultureel verschillende groepen is echter vaak de sociale en politieke realiteit.

Met hun boek ondersteunen de auteurs cultuurrelativisme als de enige goede oplossing. Onderhandelingen en samenleven hebben immers meer kans op slagen als beide partijen begrip en tolerantie kunnen opbrengen voor de achtergronden en verschil in visie van de andere partij.

Deze herwerkte uitgave is nog grondiger en inzichtelijker dan het oorspronkelijke boek. De auteurs bieden een stevige methodologische en inhoudelijke onderbouwing van hun stellingen. Er is een uitvoerige notenlijst en dito bibliografie, alsook een handige begrippenlijst en namen- en trefwoordenregister.
Warm aanbevolen voor wie meer inzicht wil verwerven in cultuur en culturele verscheidenheid en het eigen handelen en dat van mensen uit andere culturen beter wil begrijpen.

© Minervaria

donderdag 19 februari 2009

Tolerantie

WALZER, M., Tolerantie. (Vert. On Toleration) A'dam, Uitg. Ten Have, 1998, 160 pp. – ISBN 90 259 4751 4

In onze geglobaliseerde en multiculturele samenlevingen werd anders-zijn nog nooit zo intens ervaren. Toch is het heel gewoon. Het leven zelf kenmerkt zich door een enorme verscheidenheid en hoe complexer, des te meer verschil. Anders-zijn hoort dus bij het leven zelf. Tolerantie zorgt ervoor dat anders-zijn mogelijk is, en houdt dus het leven zelf in stand. Dit geldt zowel voor de relaties tussen individuen als tussen groepen. Zonder vreedzame co-existentie van individuen en groepen is samen leven onmogelijk, en een samenleving ten dode opgeschreven.

Volgens Michael Walzer hoeft het belang van vreedzame co-existentie niet eens aangetoond te worden omdat het een goede zaak is zonder meer, ook al appreciëren mensen dat niet altijd. Het zijn de beoefenaars van religieuze vervolging, van gedwongen assimilatie, van heilige oorlogen of etnische zuivering, die zich dienen te rechtvaardigen. Maar meestal doen zij dat niet door zich te verdedigen, maar door te ontkennen wat zij aan het doen zijn.

Walzer beperkt zich in dit essay tot tolerantie tussen groepen mensen en meer bepaald tot deze aspecten van het groepsleven die niet hoeven te verschillen. Hij heeft het dus niet over tolerantie van politieke diversiteit, maar van verschillen in cultuur, godsdienst of levenswijze. Hij onderneemt ook geen poging tot een systematische filosofische redenering om tolerantie te onderbouwen, maar onderzoekt hoe tolerantie vorm kreeg en krijgt in verschillende samenlevingsvormen. Hiervoor beperkt hij zich tot de Euro-Aziatische regimes, omdat deze hem het meest vertrouwd zijn.

Vreedzame co-existentie tussen groepen binnen een bepaald staatsregime is in de geschiedenis op verschillende wijze gerealiseerd. Iedere vorm of regime had en heeft specifieke implicaties voor het dagelijkse leven. Walzer onderscheidt vijf regimes van tolerantie binnen het Westelijke deel van het Euro-Aziatische continent. Geen van de regimes kan als intrinsiek beter dan een ander worden beschouwd. Ze kunnen slechts begrepen en gewaardeerd worden binnen een welbepaalde politieke, sociale en historische context.

Want de ordening van een samenleving is complex, en de verschillende regelingen krijgen enkel zin en betekenis in deze complexiteit. Het is niet mogelijk de 'mooiste' kenmerken van alle afzonderlijke regelingen te combineren. Vaak gaan die 'mooie' regelingen samen met arrangementen die wij verafschuwen, maar die aan de bewonderde regelingen op een functionele manier gerelateerd zijn. Walzer neemt dus een relativistisch standpunt in - er bestaat geen universeel geldige vorm van tolerantie - zij het niet onbegrensd. De norm is immers vreedzame co-existentie. Toch betekent toestaan aan verschillende groepen of individuen om in vrede samen te leven niet dat ieder verschil zonder meer moet worden getolereerd.

Ook de 'gecompliceerde gevallen' krijgen zijn aandacht: Frankrijk, Israël, Canada en de Europese Unie. Deze regimes reflecteren de alledaagse complexiteit van het 'echte' leven. Hier heb ik een bredere kijk gekregen op het conflict in Israël en de geheel nieuwe uitdaging waarvoor de EU staat met betrekking tot tolerantie.

Vervolgens bespreekt Walzer hoe de verschillende regimes vreedzame co-existentie realiseren met betrekking tot belangrijke thema's: de (verdeling van de) macht, de verhoudingen tussen de klassen en geslachten, godsdienst en scholing en de gemeenschappelijke civiele ideologie. Cruciaal voor tolerantie is dat groepen geen politieke macht hebben 'op grond van de realistische aanname dat zij allemaal op zijn minst potentieel intolerant zijn'. Tolerantie is alleen mogelijk bij scheiding van kerk en staat, van etnie en staat en van politiek en staat.

In een zeer boeiend hoofdstuk maakt Walzer een kritische analyse van moderne en postmoderne tolerantie. In veel moderne regimes is de tolerantie jegens verscheidenheid vervangen door een streven naar eenheid en singulariteit. Het postmoderne project stelt bovendien het individu boven het horen tot een groep. Dan dreigt niet alleen het gevaar voor een losgeslagen tolerantie en onverschilligheid. Dergelijke pogingen leiden er soms toe dat culturele en godsdienstige verschillen worden uitgewist, maar vaak helpen ze in feite om deze verschillen te versterken. Ze bakenen de leden van minderheidsgroepen af, onderscheiden hen door hun lidmaatschap ervan, dwingen hen op elkaar te vertrouwen, en smeden intense solidariteit.

Mensen hebben immers behoefte aan gemeenschappelijke banden en gemeenschappelijke gebruiken. En voor mensen die een sterke loyaliteit verkiezen met de groep waartoe ze behoren is een geïndividualiseerde samenleving een bedreiging voor de eigen identiteit. Als we dus deze mensen niet in extreme posities willen dwingen, dan moet er tolerantie zijn van én individuele verscheidenheid én verscheidenheid van groepen. Het kernpunt van tolerantie is immers niet 'wij' en 'zij' af te schaffen maar te zorgen voor blijvende vredige co-existentie en interactie tussen vrije individuen en min of meer hechte groepen. Volgens mij wordt vooral het laatste door fervente voorstanders van secularisatie en verdedigers van individuele vrijheid uit het oog verloren.

In een democratische multiculturele samenleving zullen we altijd te maken hebben met spanningen tussen groepen die onderling strijden voor middelen. Tolereren en getolereerd worden is een onderneming van democratische burgers. Maar tolerantie kan niet alleen aan de individuele burger worden overgelaten. De overheid dient te zorgen voor een richtinggevend kader, waarin én gemeenschappelijkheid én individualiteit kunnen versterkt worden. Als sociaaldemocraat verbindt Walzer bovendien multiculturalisme met grotere sociale en economische gelijkheid. 'Als multiculturalisme vandaag de dag meer problemen oplevert dan het hoop geeft, komt dat door de zwakte van de sociaaldemocratie', is zijn besluit. Over dit verhaal zie van den Brink.

Dit boeiende, zeer gecondenseerde essay is, alhoewel reeds meer dan tien jaar geleden geschreven, nog altijd brandend actueel.

© Minervaria

donderdag 12 februari 2009

Een wereld van verschil

de JONG, S., Een wereld van verschil. Wat is er mis met cultuurrelativisme? A'dam, De Bezige Bij, 2008, 304 pp.

Sedert de aanslagen op het WTC hebben cultuurrelativisten de boter opgegeten. Zoals 'reactionair' en 'fascist' lange tijd een scheldwoord waren, is cultuurrelativisme bij nagenoeg alle debatten over het wel en vooral het wee van onze maatschappij de kop van jut. Overal zet de economische en culturele globalisering tradities en nationale culturen op losse schroeven. Internationale migratie, snelle veranderingen in de economie en de verschuiving van machtsconcentraties in de wereld roepen bij veel mensen de behoefte op aan duidelijke nationale en culturele identiteiten, die in één klap duidelijk maken 'wie wij zijn'.

Cultuurrelativisme is in Nederland – en in geheel Europa - een vies woord geworden en gelijkgesteld aan minachting voor de 'eigen' unieke Westerse waarden. Die zouden als vanzelfsprekend superieur zijn aan niet-westerse waarden. Het zou ons bovendien tot morele blindheid veroordelen en leiden tot de goedkeuring van gewelddadige praktijken als weduweverbranding, genitale verminking, steniging en het afhakken van handen.

Maar is dat wel zo? Geloven cultuurrelativisten echt dat een cultuur waarin vrouwen niet zonder mannelijke begeleiding op straat mogen even goed is als een cultuur die vrouwen gelijke rechten toekent? En leidt het idee dat culturen niet kunnen worden ingedeeld in een tweeluik van verlicht en achterlijk onvermijdelijk tot moreel nihilisme? Welke argumenten gebruiken aanhangers en tegenstanders van cultuurrelativisme voor het onderbouwen van hun standpunt? En hoe kunnen we in dit soms verhitte debat een genuanceerde positie innemen?

Sjoerd de Jong, filosoof en redacteur aan het NRC Handelsblad, houdt in dit boek een pleidooi voor herwaardering van het cultuurrelativisme. Hij wil vooral het begrip ontdoen van zijn onjuiste connotaties en in een correct daglicht plaatsen.

In het eerste deel analyseert de Jong het debat over nationale cultuur en cultuurrelativisme in Nederland sinds de Fortuynrevolte van 2002. Cultuurrelativisme zou een obstakel zijn voor nationale renovatie en de vorming van een nieuw cultureel zelfbeeld. Men verwijt de cultuurrelativisten dat zij hun eigen cultuur niet naar waarde schatten en zelfs verraden. Deze cultuurpolitieke retoriek heeft echter nog weinig te maken met een rationeel publiek debat. Ze wordt gedomineerd door een achterhaald, negentiende-eeuws culturalisme: het idee dat het gedrag van mensen naadloos te verklaren is uit één cultuur. Hierbij worden culturen opgevat als gesloten gehelen die massief tegenover elkaar staan. De verschillen tussen autochtonen en allochtonen, westerse en niet-westerse migranten, Nederlanders en moslims, modernen en achterlijken, worden gedefinieerd in overwegend culturele termen: hun cultuur is anders dan de onze, hun sociale achterstand en de problemen die daarmee samenhangen worden toegeschreven aan culturele factoren. Dit mocht de meerderheid van autochtonen, als slachtoffers van de politiek correcte elite, lange tijd niet benoemen. Vaak wordt cultuur ook zonder meer herleid tot etniciteit of religie.

Paradoxaal genoeg beleven we dus niet het failliet maar juist de triomf van een eenzijdige, culturalistische manier van denken over de samenleving. Goed gedocumenteerd en met zin voor humor legt de Jong de interne tegenstrijdigheden bloot in het discours van de critici van het cultuurrelativisme en de aanhangers van het cultuurnationalisme. Cultuurkritiek moet en is goed, maar zoals ze is doorgeschoten voegt ze niets toe.

In het tweede en omvangrijkste deel verdiept de Jong zich in de historische en filosofische achtergronden van het cultuurrelativisme. Cultuurrelativisme was aanvankelijk het belangrijkste wapen in de strijd tegen de dominantie van het rassendenken en etnocentrisme in de 19e eeuwse antropologie. Volgens Franz Boas, de grand old man van de moderne antropologie, bepaalden niet ras of biologische en erfelijke eigenschappen, maar sociale, historische en culturele factoren de verscheidenheid binnen de volkeren. Boas steunde op de empirische waarneming dat menselijke culturen grote onderlinge verschillen vertonen in hun praktische en theoretische omgang met de werkelijkheid. Maar hij was even overtuigd van de fundamentele eenheid van de menselijke soort.

In een grondig uitgewerkt en boeiend betoog legt de Jong uit hoe het begrip cultuur vanaf de 18e eeuw in het Europese en Amerikaanse denken is gekomen en vervolgens is geëvolueerd tot een gedemoraliseerd en gepolitiseerd begrip, analoog aan racisme. Boas was schatplichtig aan de ideeën van een stoet Europese filosofen over de eenheid en de verscheidenheid van de mensheid. Veel van zijn opvattingen vinden we al terug bij Johann Gottfried Herder. Deze mij tot dan toe onbekende, vaak verkeerd begrepen maar zeer interessante Duitse Verlichtingsfilosoof, kan beschouwd worden als de vader van het cultuurrelativisme. In latere tijden is het begrip door moderne filosofen waaronder David Wong en Michele Moody-Adams verder uitgewerkt en inhoudelijk verfijnd tot cultureel pluralisme.

Maar als we ervan uitgaan dat iedere cultuur een eigen intrinsieke waarde heeft en geen enkele cultuur 'beter' is dan een andere, wat doen we dan met de beoordeling van praktijken die onze morele afkeuring wekken? In één moeite door wordt immers aan cultuurrelativisten ook moreel relativisme verweten. Het meest adequate antwoord op dit probleem is een strikte wetshandhaving. In een multiculturele samenleving kunnen culturele praktijken die indruisen tegen de moderne noties van lichamelijke integriteit en vrijheid niet worden getolereerd. Maar dit hoeft geen afwijzing mee te brengen van de totale cultuur van de betrokken groep.

Voor zover een culturele praktijk of uiting geen harde inbreuk maakt op andermans vrijheid, kan een zekere onverschilligheid zelfs de aangewezen houding zijn. 'De publieke ruimte waar burgers elkaar ontmoeten moet niet worden gepolitiseerd tot een intellectueel slagveld, waarbij een hoofddoekje op een postkantoor al wordt gezien als een aanslag op de seculiere orde', aldus Sjoerd de Jong. Hiermee geeft hij blijk van een pragmatische kijk die veel onnodige conflicten zou voorkomen. Moraal heeft immers in de eerste plaats te maken met de dagelijkse praktijk van het samenleven en niet met morele noties die van buiten- of bovenaf worden opgelegd. Zie ook de Rijk.

Sjoerd de Jong verdedigt hiermee een pluralistisch of gematigd cultuurrelativisme. Hij neemt afstand van het radicale relativisme dat louter verschillen ziet tussen culturen, en eveneens van een dogmatisch universalisme dat één goed antwoord – hetzij religieus of seculier – dicteert op alle vragen. Een 'zuivere' cultuur bestaat immers niet, hooguit in de verbeelding van nationalistische bewegingen. Een multiculturele samenleving is bovendien voortdurend in ontwikkeling. Wie dus pasklare antwoorden verwacht op problemen zal altijd op zijn honger blijven zitten.

Het boek van de Jong biedt een grondige en doordachte analyse en fundering van gematigd en pluralistisch cultuurrelativisme. Hij kiest bovendien voor actief pluralisme. Dit gaat verder dan het passieve tolereren van andere culturen, maar omhelst de principiële erkenning van de gelijkwaardigheid van mensen en groepen van verschillende pluimage. In deze visie kan ik me zeer goed vinden. De lectuur van dit boek heeft mij een nog steviger onderbouwing hiervan verschaft. Ook al vertrekt de Jong van de Nederlandse realiteit, de kern van het probleem is zeer zeker ook in de Vlaamse te herkennen.

De vraag is welke boodschap de man/vrouw in de straat hieraan heeft. En dit is nu net de tuin waarin populistische politici wieden en harken. Want theorieën produceren over gelijkwaardigheid en erkenning van culturen is mooi, het ligt wel anders wanneer je je ontheemd gaat voelen in je eigen wijk omdat je het gevoel hebt in Istanboel of Marrakesh te wonen. Maar cultureel pluralisme is waarschijnlijk het enige realistische alternatief voor de multiculturele realiteit van de moderne samenleving.

© Minervaria

dinsdag 11 maart 2008

De vrouw van Shakespeare

GREER, G., De vrouw van Shakespeare. (Vert. Shakespeare’s Wife). A’dam, Meulenhoff, 2008, 478 pp. – ISBN 978 90 290 8039 2

Tot zeer recent heeft de geschiedenis zich altijd op de prestaties van de man gericht. Hoe hoger die prestaties werden aangeslagen, des te groter was de kans dat de vrouw met wie hij het bed deelde hem onwaardig werd geacht. Zijn fans deinsden terug voor het denkbeeld dat zijn echtgenote misschien een bijdrage van belang had geleverd aan het succes van haar man. Overwegend mannelijke commentatoren delen de overtuiging dat een geniale man zijn potenties slechts kan realiseren als hij zijn vrouw terzijde schuift.

Ook van Shakespeare is lang als bijna vaststaand aangenomen dat hij een ongelukkig huwelijk had. Daar waren nauwelijks bewijzen voor, maar door te doen wat van haar verwacht werd – haar mond houden en buiten beeld blijven – heeft Ann Hathaway een ‘gat’ achtergelaten die de commentatoren van het leven en werk van Shakespeare hebben opgevuld met hun eigen gissingen. Over zijn leven weet men hoe dan ook bitter weinig, maar de luttele gegevens over de relatie met zijn vrouw die ons ter beschikking staan, kunnen ook anders dan in haar nadeel worden geïnterpreteerd.

Germaine Greer neemt met dit boek haar oude liefde weer op: zij studeerde af aan de universiteit van Cambridge met een scriptie over de vroege komedies van Shakespeare. In dit boek probeert zij, met behulp van de schaarse gegevens uit die tijd, de rol en betekenis van Ann Hathaway als vrouw van Shakespeare te duiden. Bij gebrek aan stevige documenten over de personen zelf, gebruikt zij daarvoor de beschikbare kennis over de zeden en gewoonten van die periode. Ook de werken van Shakespeare worden als ‘bewijsmateriaal’ ingezet. Dit maakt haar verhaal in hoge mate speculatief, zoals ze zelf op het einde toegeeft.

Het is taaie lectuur, vooral door de vele details die voorkennis veronderstellen over de vele aspecten van het Engeland van de 16e eeuw. De verdienste van Greer is niet dat ze een historisch accuraat boek heeft geschreven, maar wel dat ze met De vrouw van Shakespeare een ander licht heeft doen schijnen op de vrouw achter de succesvolle man.

© Minervaria

vrijdag 15 februari 2008

De verlichting vandaag

ABICHT, L., De Verlichting vandaag. A’pen,/A’dam, Uitg. Houtekiet, 2007, 199 pp. – ISBN 978 90 5240 927 6

De denkers van de As-tijd, de periode tussen 900 en 200 v.C., hadden het voor het eerst over de Verlichting van het individu en de samenleving. Het hoogste goed voor de mens, zo stelden ze, is zijn leven in dienst van het mededogen met andere mensen te stellen. De grote georganiseerde godsdiensten hebben deze wijsheid op hun eigen manier opgeëist en ingevuld.

Door de West-Europese Verlichting is deze invulling in vraag gesteld en afgewezen. Volgens de Verlichte denkers is de mens begaafd met rede en vrije wil. Hij is het aan zichzelf en zijn medemensen verplicht deze eigenschappen zo goed en zo autonoom mogelijk te gebruiken. Het autonome gebruik van de rede staat gelijk met vrijheid, zelfstandigheid en volwassenheid. De Verlichting heeft daarmee de suprematie van de religie in het Westen doorbroken. Het primaat van de rede staat ook aan de basis van de bloei van het wetenschappelijke denken en de technologie. Een nieuw tijdperk was begonnen waarin de belofte van een grootse toekomst besloten lag.

Toch heeft de Verlichting de mensheid niet het heil gebracht dat ze beloofde. In naam van de grote principes Vrijheid, Gelijkheid en Broederlijkheid brachten de voorbije eeuwen wel de huidige democratieën voort, maar ook het brutale kolonialisme en een aantal totalitaire regimes die zich aan gruwelijke genociden te buiten gingen. Uiteraard waren de meeste daders uitgesproken vijanden van de Verlichtingsideeën en het democratische systeem. Toch werden deze misdaden door verbazend veel mensen geduld en in veel gevallen zelfs verdedigd of toegejuicht. Was de historische Verlichting dan niet meer dan de wensdroom van een klein aantal westerse filosofen, kunstenaars en wetgevers die nauwelijks vat hadden op de maatschappelijke realiteit?

De geschiedenis heeft ons geleerd dat het niet volstaat te streven naar een rationele en seculiere samenleving opdat de Verlichtingsideeën zouden bloeien. Zijn ze dan onrealistisch of hopeloos voorbijgestreefd? Hoe kunnen wij het erfgoed van de Verlichting benoemen en in de praktijk brengen zonder weer in excessen te vervallen? Wat kan de Verlichting ons nog leren? In dit boek komen deze vragen aan de orde.

In een eerste hoofdstuk buigt Ludo Abicht zich over de oorsprong, de ontwikkeling en een aantal wezenlijke aspecten van de Verlichting. Daarbij valt op hoe, op basis van dezelfde grote principes, de verschillende denkers er al meteen zeer verscheidene interpretaties op na hielden. Sommige tegenstanders noemen dit een zwakheid, het is echter geheel in de lijn met het primaat van het autonome en zelfstandige denken. Een onderscheid dat later zeer belangrijk zal blijken is dit tussen de radicale en gematigde denkers. Voor radicale Verlichte denkers dienden de theoretische inzichten immers ook op politiek en sociaal vlak in praktijk gebracht te worden. Zij wilden ook de wereldlijke macht inrichten volgens de Verlichtingsideeën. De gematigde denkers, die hun pijlen vooral richtten op de godsdienst, hebben echter het pleit gewonnen. De wereldlijke machthebbers waren zeker in eerste instantie niet geneigd Vrijheid, Gelijkheid en Broederlijkheid voor allen, dus een echte democratie, te realiseren.

Dit is meteen al een van de kritieken die de Verlichting te verwerken kreeg. Deze en andere kritiek behandelt Abicht in het tweede hoofdstuk. Al vanaf het begin van de Verlichting werd zowel uit conservatieve en reactionaire als uit progressieve hoek kritiek geuit en ze is nog steeds actueel. Vandaag zijn verbazend genoeg meer voorstanders van de Verlichting te vinden in het traditioneel rechtse kamp dan in linkse kringen.

Het leeuwendeel van het boek gaat uiteraard over de betekenis die de Verlichting kan hebben voor de moderne, democratische samenleving. In het derde hoofdstuk gaat Abicht op zoek naar die elementen uit de Verlichting die strategisch of pedagogisch nuttig kunnen zijn voor de verdediging van de huidige democratische samenleving en zonder dewelke de democratie gewoonweg niet langer kan bestaan. In navolging van Ernst Bloch toetst hij enkele grote Verlichtingsthema’s op hun actualiteitswaarde, onder andere waarheid en kennis, vrijheid, gelijkheid.

Zijn conclusie is zowel eenvoudig als complex. Het project van de westerse Verlichting heeft zeker niet afgedaan en is nog altijd brandend actueel. In een geglobaliseerde wereld met een grote diversiteit aan levensbeschouwingen en culturen willen immers alle mensen op evenwaardige manier aan bod komen. De Verlichting mag dan wel Europees van oorsprong zijn, ze is ook universalistisch: ze gaat alle mensen overal aan. Bovendien zijn ook in andere culturen en samenlevingen Verlichtingsideeën aanwezig. Abicht noemt het project van de Verlichting het voorlopig beste discussieplatform voor de realisatie van actief en authentiek pluralisme. In de negatieve betekenis betekent dit het afwijzen van elke vorm van fundamentalisme, in de positieve betekenis als een poging om op een open en positieve manier met de diversiteit aan levensbeschouwingen en culturen om te gaan.

Huldigt Abicht hiermee niet een al te positieve en dus eenzijdige visie op de mens en de samenleving? Kan de rede het uiteindelijk winnen van bruut geweld of eng groepsgevoel? Recente inzichten in de werking van het brein lijken er immers op te wijzen dat de mens niet in de eerste plaats een redelijk wezen is, maar zich vooral laat leiden door emoties en gevoelens. We leven in een onttoverde, seculiere wereld. Veel mensen voelen zich daarin ontheemd. Mensen blijven immers de vraag stellen naar de zin van het leven en de dood. Volgens Abicht zullen de slaagkansen van een hernieuwde Verlichting afhangen van de mate waarin ze in staat is op een positieve manier op deze reële menselijke vragen en behoeften in te gaan.

Als we het onafgewerkte project van de Verlichting een nieuwe kans willen geven, moeten we de spanningen in een samenleving onder ogen zien en niet verwerpen, en zoeken naar een manier om het midden te houden. En in de geest van de vrije rede, moet al wie met betere voorstellen komt een kans krijgen om anderen van zijn gelijk te overtuigen. Hiermee pleit Abicht voor een echte vrije meningsuiting, die niet wordt ingeperkt door individuele en groepsgevoeligheden. In het licht van meer en minder recente maatregelen, zoals het verbod op negationisme en het hoofddoekenverbod, is dit een zeer belangrijke stellingname.

Actief en authentiek pluralisme is dus geen afgewerkt en onveranderlijk geheel zoals de thora, bijbel of koran. Het is daardoor niet de gemakkelijkste, maar wel de enige weg naar een wereld waarin de waarden van de Verlichting voor alle mensen werkelijkheid kunnen worden. Het is de voorwaarde voor een authentieke democratie en een open samenleving, waarin de macht zo breed mogelijk gespreid is.

Dit boek is een stevig pleidooi voor diversiteit, vrijheid, tolerantie en actief pluralisme. Abicht presenteert een sober en tegelijk diepgaand betoog, dat bovendien zeer leesbaar is geschreven en dus vlot te verwerken. Het is ook zeer degelijk gedocumenteerd.
Een waardevol werk en een echte aanrader!

© Minervaria

dinsdag 27 november 2007

Cultuur van angst

FUREDI, F., Cultuur van angst. (Vert. Culture of Fear) A’dam, Meulenhoff, 2006, 304 pp. – ISBN 90290 7892 4

In 1999 kregen 40 Belgische meisjes last van misselijkheid en maagkrampen na het drinken van Coca Cola. Onmiddellijk werden hele loten van het goedje uit de handel genomen en draaide de pr- afdeling van het bedrijf op volle toeren om de schade voor het bedrijf te beperken. Alle meisjes herstelden snel, en niemand vond ooit een oorzaak voor de klachten. Na een paar weken was de hele heisa vergeten.

Een dergelijk voorval is volgens Furedi kenmerkend voor onze maatschappij. Draadloos internetten, microgolfovenstraling, telefoneren met gsm, ze worden meteen geassocieerd met vooralsnog niet aangetoond onheil. Er is een bijna panische angst voor de veiligheid van kinderen, voor verschillende vormen van misbruik en geweld, voor nieuwe technologie, voor de teloorgang van het milieu, voor gezondheid en voedingsproducten. De preventieve geneeskunde doet gouden zaken: mensen laten zich op alle mogelijke toekomstige gezondheidsproblemen screenen en de overheid doet daar lustig aan mee. Een Britse minister beweerde ooit zelfs dat we ons zorgen moeten maken over dingen waarvan we niet weten dat we ze niet weten. Overal liggen blijkbaar plagen te wachten om ontdekt te worden. Voor veel mensen is het leven zelf een veiligheidsprobleem geworden.

Mensen zijn zich zeer scherp bewust van risico’s. De zorg voor veiligheid is overal gepromoveerd tot een van de grootste maatschappelijke deugden. Alles wat vroeger als pech of toeval werd beschouwd, moet nu een verklaring krijgen, die op een of andere manier te voorzien of te voorkomen was. Voor problemen die vroeger beschouwd werden als behorend tot het leven zelf, wordt nu specifieke hulpverlening voorzien.

Het hele sociale leven is in de greep van de angst. Nooit voorheen is het zo veilig geweest als in onze Westerse samenleving, en tegelijk is nagenoeg iedereen van mening dat de wereld waarin we leven steeds gevaarlijker wordt. Het voortdurend uitvergroten van de gevaren van praktisch alle aspecten van het sociale leven moet volgens Furedi een symptoom zijn van een onderliggend probleem. Deze paradoxale situatie duidt er volgens hem op dat wij leven in een cultuur van angst. Op scherpe en bijwijlen hilarische wijze beschrijft hij hoe angst alle elementen van ons dagelijks leven, tot onze persoonlijke relaties toe, heeft doortrokken.

Furedi merkt op dat deze obsessie met veiligheid en voorzorg is begonnen in de jaren ’80 van de vorige eeuw. In dit decennium zijn, door de economische liberalisering onder Reagan (VS) en Thatcher (UK), voor veel mensen enorm veel zekerheden verdwenen. Het waren de hoogtijdagen van het individualisme. Onder de vlag van persoonlijke vrijheid zijn echter ook de traditionele samenlevingsverbanden afgekalfd.

Daardoor werden mensen op zichzelf terug geworpen, hebben zij het vertrouwen in hun medemens verloren en gingen ze de samenleving als geheel wantrouwen. En als niet meer duidelijk is wat je ergens van moet vinden of hoe je je dient te gedragen, worden dingen die vroeger tamelijk ongecompliceerd waren opeens als riskant gezien.

Zelfs het gezin, als de toevlucht in geborgenheid en hoeksteen van de samenleving, is geworden tot een risicosituatie van misbruik en geweld. Het geloof in de mensheid is teloor gegaan, en de sociale cohesie brokkelt nog verder af. De oude gedeelde waarden en het onderling vertrouwen zijn vervangen door een ander gedeeld gevoel en waardepatroon: het risicobewustzijn en de preoccupatie met veiligheid. Niet bang zijn wordt door velen als onverantwoordelijk beschouwd. Dit gedeelde gevoel brengt echter geen nieuw samenhorigheidsgevoel mee, maar doet mensen zich nog meer op zichzelf terug plooien.

Het betoog van Furedi is uitgebreid en grondig gedocumenteerd. Hij beperkt zich jammer genoeg tot vaststellingen en analyses, maar verschaft geen toekomstperspectieven. In het laatste hoofdstuk richt hij de aandacht op de politiek, die kritiekloos mee draaft en daardoor de cultuur van angst alleen maar versterkt. De politiek draagt volgens hem, en terecht, een grote verantwoordelijkheid. Toch beperkt hij zich tot een aanklacht, en laat hij in het midden wat politiekers meer kunnen doen.

Zijn analyse heeft vooral betrekking op de situatie in de VS en het VK. Zijn sporadische vergelijking met de situatie op het Europese vasteland had hem toch op een belangrijke conclusie kunnen brengen. In zeer liberale economieën zoals de VS en het VK is het sociale vangnet slechts minimaal uitgebouwd. Het gevolg daarvan is natuurlijk dat mensen veel meer onzekerheid ervaren over hun eigen situatie en leefwereld. Het kan Furedi toch niet ontgaan zijn hoe net in de VS angst en veiligheid tot in het absurde worden opgeklopt. Dan heeft de Britse econoom Richard Layard de zaken veel duidelijker gezien en gesteld: zorg voor een goed werkend sociaal vangnet, en mensen zullen meer vertrouwen hebben en zich gelukkiger voelen. Het is teleurstellend dat Furedi, die van maatschappelijke angst zijn thema heeft gemaakt, op de politieke vlakte blijft en zich hier niet over uitspreekt.

Tijdens het lezen ergerde ik mij steeds meer aan de slordige opbouw van de tekst. De inhoud mag dan zeer herkenbaar zijn, en boeiend geschreven, de structuur van het betoog is eerder ondoorzichtig. Furedi herhaalt zichzelf voortdurend, geeft telkens weer dezelfde voorbeelden en overstelpt de lezer met gegevens die hij zelf niet overzichtelijk heeft gestructureerd. Het geheel lijkt op een bundeling van afzonderlijk geschreven pamfletten.

Op basis van zijn vorige boek, Bange ouders, had ik van een onderlegde en politiek actieve socioloog meer verwacht.

© Minervaria

Aansluitend: