Posts tonen met het label Ecologie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Ecologie. Alle posts tonen

zondag 2 augustus 2020

Wat bomen ons vertellen


TROUET, V., Wat bomen ons vertellen. Een geschiedenis van de wereld in jaarringen. (Vert. Tree Story: The History of the World Written in Rings, 2020) Tielt, Uitg. Lannoo, 2020, 296 pp. - ISBN 978 94 014 6675 2

Hebt u het al opgemerkt? Het snijvlak van een omgehakte boom staat vol concentrische cirkels. Hoe ouder een boom, des te dikker de stam en hoe meer cirkels. Ze worden jaarringen genoemd, omdat bomen ieder jaar zo’n ring vormen. De dendrochronologie telt en bestudeert deze jaarringen in bomen en houten voorwerpen.

Op het eerste zicht lijkt dit een vrij saaie bezigheid. Maar dit is het allerminst, wat Valerie Trouet betreft. En dat zult u geweten hebben. Gepakt en gezakt neemt ze u mee op haar avontuurlijke tochten naar verafgelegen en onherbergzame gebieden om er oeroude bomen te monsteren. En ze vertelt u hoe de dendrochronologie uit hun jaarringpatronen een schat aan informatie haalt.

Want die jaarringen leren ons heel wat. Hun samenstelling, vorm en dikte is immers afhankelijk van de omstandigheden waaronder de boom het afgelopen jaar verkeerde. Omdat een boom ieder jaar een nieuwe maakt, zijn jaarringen absoluut en op het jaar af nauwkeurig te dateren.

Bomen zijn dan ook ideale toegangswegen tot de reconstructie van het verleden. Ze kunnen zeer oud worden en blijven onder bepaalde omstandigheden prima bewaard, zelfs dood. Dank zij de dendrochronologie kennen we precies de jaren in het verre verleden waarin een aardbeving plaatsvond, een vulkaanuitbarsting, overstroming of andere natuurrampen.

Ook door de mens veroorzaakte rampen zijn in de jaarringen vastgelegd. Men is het er bijvoorbeeld over eens dat grootschalige ontbossing verantwoordelijk is voor een belangrijk deel van het broeikaseffect. Ontbossing is echter al heel lang bezig. Voor de kolonisatie door de mens waren de kale Paaseilanden en IJsland bedekt met bos.

De meeste pre-industriële samenlevingen maakten immers kwistig en voortdurend gebruik van hout om te bouwen, te koken en hun woningen te verwarmen en om kunstvoorwerpen te maken. Jaarringdatering van hout, gevonden bij opgravingen, maakt het mogelijk om archeologische vondsten zeer nauwkeurig te dateren. Zo levert de dendrochronologie tevens een essentiële bijdrage aan onze kennis over vroege menselijke nederzettingen, handelsroutes en historische gebeurtenissen.

Jaarringen van bomen verschaffen ons ook heel wat informatie over klimaatschommelingen in het verleden en de invloed ervan op ecosystemen en samenlevingen. De dendroklimatologie laat zien hoe samenlevingen in het verleden de invloed ondergingen van klimaatveranderingen. De bloei en het verval van het Romeinse Rijk werd, behalve door socio-economische factoren zoals corruptie, burgeroorlogen en invallen van de barbaren, bepaald door klimaatveranderingen. Ook de successen van Djenghis Khan en zijn veroveringstochten, de opkomst en verval van het Oeigoerse Rijk, de ondergang van de Maya-samenleving en van de Khmers in huidige Cambodja worden begrijpelijker als men ook klimatologische factoren in rekening brengt.

Kennis van de invloed van natuurrampen in het verleden kan ons bovendien helpen om toekomstige uitdagingen beter het hoofd te bieden. Zo kan herbebossing in de strijd tegen klimaatverandering vakkundig worden aangepakt. En kennis over aardbevingen in het verre verleden kan helpen om een aardbeving in de toekomst op te vangen.

Er valt uiteraard nog veel meer te leren in dit fascinerende boek. Ik had er geen vermoeden van dat bomen ons zoveel kunnen vertellen. Valerie Trouet is bovendien een zeer begenadigd schrijfster. Wat bomen ons vertellen vat niet alleen samen wat het jaarringonderzoek heeft opgeleverd, maar het is ook het persoonlijke verhaal van een wetenschapster die begeesterd is door haar vak.

De tekst is bovendien zeer goed gedocumenteerd met een uitgebreide index van boomsoorten en een handig register van de gebruikte termen.

©  Minervaria

donderdag 22 november 2018

De microben in ons

YONG, E., De microben in ons. (Vert. I Contain Multitudes. The Microbes Within Us and a Grander View of Life, 2016) A’dam, AUP/Uitg. Manteau, 2017, 394 pp. – ISBN 978 90 2233 393 8

Handen wassen, microben opkrassen!

U hebt het ongetwijfeld ook al opgemerkt in de toiletten van een eet- of drinkgelegenheid. Maar bent u werkelijk microbenvrij na een rondje handen wassen? En zo niet, hoe erg is dit dan?

Recent onderzoek toont aan dat het toetsenbord van mijn computer tot 400 keer meer bacteriën bevat dan de toiletbril. En met de computermuis is het niet veel beter gesteld. Zou ik dan niet best na ieder gebruik van de computer ook de handen wassen? En wat als ik mijn handen bij de mond breng als ik aan het nadenken ben?

Microben of bacteriën doen ons spontaan denken aan ziekte en dood. Niets is minder waar, zegt Ed Yong. De meeste microben maken niet ziek, maar zijn zelfs nuttig en vaak levensnoodzakelijk. Micro-organismen zijn essentiële bestanddelen van de wereld. Ze zijn alomtegenwoordig en onmisbaar. En dat toont hij met verve aan in dit meeslepende boek.

Elk levend wezen herbergt een krioelende massa microben of micro-organismen. Ieder van ons is een dierentuin op zich. Mensen bevatten ongeveer evenveel menselijke cellen als micro-organismen. Deze microscopische menagerie bevindt zich zowel aan de buitenkant als in ons lichaam en wordt ons microbioom genoemd.

Zonder micro-organismen zouden wij niet eens bestaan. Het complexe leven op aarde is slechts mogelijk dank zij miljoenen jaren oude interacties tussen micro-organismen onderling. Levende wezens hebben hun mogelijkheden te danken aan het samenleven met micro-organismen. Het lot van hele soorten en groepen hangt af van hun partnerschappen met microben. Sommige soorten bestaan zelfs slechts bij de gratie van bacteriën met wie ze in symbiose leven.

Er zijn talloze voorbeelden van de symbiose tussen bacteriën en dieren. Die wemelende verzameling van duizenden soorten die voortdurend met elkaar concurreren, met hun gastheer onderhandelen, zich ontwikkelen en veranderen, vormt een ingewikkeld en gevarieerd ecosysteem. Zo slikt de gemiddelde mens met iedere gram voedsel ongeveer een miljoen micro-organismen in, die op hun beurt in interactie gaan met de darmflora.

Van de miljoenen microben is slechts een minderheid potentieel schadelijk. En als bacteriën levensbedreigende infecties veroorzaken, dan komt dat vaak omdat het normale microbioom verstoord is geraakt. Een rijk, florerend microbioom is de basis voor een goed werkend immuunsysteem en daardoor een efficiënte barrière voor ziekmakende bacteriën. Men heeft bijvoorbeeld ontdekt dat sommige koraalriffen afsterven omdat hun microbioom uit balans is.

Een nieuwe kijk op ziekte en gezondheid dringt zich dus op. Ziekte is een verstoring van een ecosysteem en dus een ecologisch probleem. En met onze moderne voedingsgewoontes en het gebruik van antibiotica belagen we dat ecosysteem. Ook onze obsessie met hygiëne werkt averechts. Steriliteit is een vloek, want door onschadelijke organismen buiten spel te zetten geven we juist meer ruimte aan schadelijke micro-organismen.

Die inzichten stellen ons in staat om ziektes op een andere manier te bestrijden dan we gewend zijn. De kennis en technieken staan nog in de kinderschoenen. Maar ze bieden veelbelovende perspectieven en openen de weg naar de gepersonaliseerde geneeskunde van de toekomst. Zo maakt men er nu al gebruik van bij fecale transplantatie en voor het bestrijden van malaria.

In De microben in ons valt uiteraard nog heel wat meer te leren over het ongemeen boeiende universum van de micro-organismen op aarde. Met aanstekelijk enthousiasme leidt wetenschapsschrijver Ed Yong u door de fascinerende, onzichtbare wereld die ons bestaan regelt. Hij slaagt er bovendien met glans in om een hoog wetenschappelijk gehalte te combineren met een vlotte pen, zodat ook de niet-ingewijde het betoog vrij gemakkelijk kan volgen.

Het is bijna onbegrijpelijk dat dit boek uit 2017 hier nauwelijks bekendheid kreeg. Ik heb het toevallig in handen gekregen, maar het was meteen een voltreffer! En ik ben helemaal anders gaan kijken naar de wonderlijke wereld van microben.

© Minervaria

maandag 8 oktober 2018

Ecomodernisme



VISSCHER, M., BODELIER, R. e.a., Ecomodernisme. Het nieuwe denken over groen en groei. A’dam, Uitg. Nieuw Amsterdam, 2017, 304 pp. – ISBN 978 90 468 21817

“Als we die groenen laten begaan, rijden we straks weer met paard en kar door de straat.”

Deze karikaturale uitspraak vertolkt de vrees van veel mensen voor de traditionele milieubeweging. Deze zet zich hardnekkig af tegen economische groei, die verwoestend zou zijn voor de natuur. En daarom is ze tegen kernenergie, tegen gentechnologie en tegen kunstmatige bemesting.

Het is net omgekeerd, zeggen ecomodernisten. Economische groei en modernisering hebben een gunstige invloed op de natuur. Ze zorgen voor meer welvaart en welzijn, en zijn voorwaarde voor sociale en culturele ontwikkeling. Rijke landen hebben de minste milieuproblemen, want vanaf een zeker niveau van welvaart gaan mensen beter zorgen voor de natuur.

De natuur wordt juist beschermd met alles wat onze westerse samenlevingen modern maakt. De vindingrijkheid van de menselijke soort maakte de afgelopen eeuwen een einde aan allerlei problemen die eerder nog werden gezien als onvermijdbaar en onoplosbaar. Dit betekent niet dat er geen problemen meer zijn. Nog steeds leven er mensen in armoede en voedselonzekerheid, er is nog steeds aanzienlijke milieuvervuiling.

Ecomodernisten ontkennen deze problemen niet, maar ze staan kritisch tegenover het nationale en internationale milieu- en natuurbeleid. Ze nemen een rationeel standpunt in en pleiten voor wetenschappelijke en technologische oplossingen die aantoonbaar werken. Niet ideologie, maar pragmatische oplossingen zullen de natuur beschermen.

In dit boek behandelen zeven auteurs kernachtig de belangrijkste ecomodernistische ideeën op het gebied van energie, landbouw, natuur en armoede. Ze maken duidelijk wat er mis is met wind en zon als bronnen van energie, verhelderen de voordelen van kernenergie en bespreken de energievoorziening in arme landen. Ze tonen aan waarom de intensivering van de landbouw niet alleen noodzakelijk is om de groeiende wereldbevolking te voeden, maar tevens te verkiezen boven biologische teelt als het aankomt op de bescherming en het behoud van de natuur.

Ecomodernisten zien overigens geen tegenstelling tussen natuur en cultuur. Menselijke activiteiten zijn niet noodzakelijk bedreigend voor de biodiversiteit, integendeel. En hoe belangrijk natuurbescherming en duurzaamheid ook mogen zijn, toch zijn er goede redenen waarom armoedebestrijding wereldwijd voorrang moet krijgen, ook als dit betekent dat energie wordt gehaald uit fossiele brandstoffen.

Natuurbehoud en –bescherming kan perfect zonder dat we onszelf tekort doen, menen ecomodernisten. Ze willen zich niet vastbijten in een onwrikbare overtuiging, maar open staan voor twijfel en hun meningen herzien op basis van wetenschappelijk bewijs. En ze maken zich sterk dat ze realistischer, wenselijker en ambitieuzer ideeën aanbieden dan de soms dogmatische oplossingen van de traditionele groene beweging.

Een jaar geleden had ik geen idee van het bestaan van het ecomodernisme. Het was een verrijkende kennismaking en ik hoop meer van hen te horen. De verschillende bijdragen zijn bovendien zeer vlot leesbaar en dus zonder meer toegankelijk voor de modale lezer. Een aanrader zonder meer!

© Minervaria

Noot:
Over dit boek zei Louise Fresco, voorzitter van Wageningen UR: ‘Dit frisse pleidooi van de ecomodernisten is een belangrijke bijdrage aan de zo noodzakelijke dialoog over duurzaamheid.’(Blog Marco Visscher)

vrijdag 19 juni 2015

Van dier naar mens

QUAMMEN, D., Van dier naar mens. Over de opkomst van levensbedreigende infectieziekten. (Vert. Spillover. Animal Infections and the Next Pandemic, 2012) A’dam/A’pen, Uitg. Atlas Contact, 2013, 557 pp. – ISBN 978 90 450 0760 1

In februari 2014 brak in Guinée een ebola-epidemie uit. De uiterst besmettelijke ziekte kreeg in een mum van tijd drie landen in West-Afrika in zijn greep. In Zuid-Korea werden recent 230 scholen gesloten als voorzorgsmaatregel tegen het MERS-virus, worden zo'n 6.500 mensen in quarantaine gehouden en zijn er intussen al twintig doden geteld. En enkele jaren geleden veroorzaakten SARS, vogelgriep en varkensgriep wereldwijde paniek.

Deze ziekten worden veroorzaakt door een virus dat van dieren naar mensen overspringt. Ze worden zoönosen genoemd. Ook lassakoorts, westnijlkoorts, builenpest en malaria zijn zoönosen. Sommige slaan slechts sporadisch toe en doven zonder veel schade uit, maar andere verbreiden zich in sneltempo van de ene persoon naar de andere. En in de afgelopen 50 jaar dienden er zich steeds meer van dit soort infectieziekten aan.

Waar komen deze virussen vandaan? Hoe springen ze over van dieren op mensen? Hoe verspreiden ze zich en maken ze mensen ziek? En hoe slaagt men erin ze onder controle te krijgen? En hoe komt het dat dergelijke infectieziekten steeds vaker voorkomen?

Alles wijst erop dat de recente uitbraken van zoönosen veroorzaakt worden door de catastrofale verstoring van ecosystemen door de mens. Dieren moeten territorium afstaan en komen daardoor veel vaker in contact met mensen. Sommige diersoorten worden niet meer in toom gehouden door roofdieren. Menselijke technologie en activiteiten verspreiden de ziekmakende virussen bovendien steeds sneller en op steeds grotere schaal. Zo biedt de desintegratie van natuurlijke ecosystemen kansen voor het overspringen van een virus van dieren op mensen.

Hiermee wordt duidelijk hoe belangrijk ecologische diversiteit is voor de volksgezondheid. Als er een nieuwe pandemie komt dan zal dat waarschijnlijk een zoönose zijn. Maar wegens de vele onzekerheden is het onvoorspelbaar wanneer deze zich zal voordoen en hoe ernstig ze wordt. Het enige wat we kunnen doen is minstens waakzaam zijn, goed voorbereid en snel ingrijpen.

David Quammen trok naar de streken waar in de voorbije halve eeuw belangrijke zoönosen uitbraken en neemt u mee op een fascinerende speurtocht naar de bron van het virus. Hij verheldert hoe aan virusonderzoek wordt gedaan in het algemeen en meer in het bijzonder in het geval van zoönosen. Hij gaat op pad met de veldbiologen om dieren te observeren en te vangen. Hij observeert het monnikenwerk in de laboratoria waar men de boosdoener probeert op te sporen. En hij legt uit hoe men behulp van wiskundige modellen zicht krijgt op het ontstaan en de verspreiding van de ziekte.

Met dit prachtige en stevig gedocumenteerde boek heeft David Quammen weer een hoogstandje geleverd. Van dier naar mens houdt het midden tussen een populair wetenschappelijk werk, een reisverslag en een spannende detectiveroman. Het onderzoek naar de herkomst van een virus is immers als het zoeken naar een speld in een hooiberg.

Waarschijnlijk uit zorg om geen enkele onderzoeker onrecht te doen, vermeldt de auteur echter een overvloed aan details waaraan de doorsnee lezer geen boodschap heeft. Dit is vaak hinderlijk voor de vlotte leesbaarheid, maar gelukkig kunnen deze passages ook overgeslagen worden. Evenals Monster van God en Het lied van de dodo doet deze kanjer je niettemin al uitkijken naar zijn volgende werk.

© Minervaria

donderdag 18 december 2014

De klimaatoorlogen

WELZER, H., De klimaatoorlogen. Waarom in de 21ste eeuw gevochten wordt. (Vert. Klimakriege. Wofür im 21. Jahrhundert getötet wird, 2008) A’dam, Uitg. Ambo/Anthos, 2009, 272 pp. – ISBN 978 90 263 2184 9

Op de omslag van dit boek is de Eduard Bohlen te zien. De postboot liep op 5 september 1909 in de mist aan de grond voor de kust. Het wrak ligt nu al bijna honderd jaar in de Namibische woestijn, tweehonderd meter landinwaarts. Zo is het een symbool van een harde realiteit: de klimaatopwarming treft de armste gebieden in de wereld het hardst. Als gevolg van de klimaatverandering raken vooral in deze agrarische gebieden de hulpbronnen op. Het ligt voor de hand dat dit leidt tot gewelddadige conflicten tussen groepen die overleven op hetzelfde stuk land.

Dit is echter slechts het topje van de ijsberg. De klimaatverandering confronteert de mensheid met een nieuw probleem waarvoor geen oplossingen of gebruiksaanwijzingen klaar liggen. Ze zal leiden tot een opeenhoping van sociale en culturele rampen. Het staat vast dat de overlevingscondities van steeds meer mensen bedreigd zullen worden. Grote groepen mensen zullen hun normale leefsituatie drastisch zien veranderen en dit zal hen ertoe brengen om te kiezen voor radicale oplossingen, zoals het gebruik van geweld.

De klimaatverandering zal niet alleen geweldconflicten veroorzaken maar ook bestaande conflictsituaties doen opflakkeren. De eenentwintigste eeuw zal een catastrofale heropleving laten zien van oude conflictlijnen over overtuigingen, klassen en hulpbronnen. De verschillen in macht, welstand en veiligheid tussen de geïndustrialiseerde landen en de derde wereld zullen zorgen voor breuken in de mondiale rechtvaardigheidssystemen. De klimaatverandering schept bovendien niet alleen nieuwe redenen voor geweldconflicten maar mogelijk ook nieuwe vormen van oorlog. In De klimaatoorlogen werkt Harald Welzer deze sombere voorspelling uit.

Meer in het bijzonder vraagt hij zich af hoe de klimaatverandering mensen ertoe zal aanzetten om extreem geweld te gebruiken tegen onschuldige medeburgers. Om daar zicht op te krijgen verdiept hij zich in gewelddadige uitbarstingen in het verleden: de naziperiode in Duitsland, de oorlog in Vietnam, de burgeroorlog in Joegoslavië en de genocide in Rwanda. De gangbare theorieën zijn volgens hem echter niet toereikend om dit te begrijpen. Als sociaal psycholoog formuleert hij een alternatieve verklaring.

Wanneer mensen problemen als bedreigend ervaren voor het eigen bestaan, neigen ze naar radicale oplossingen waaraan ze eerder nooit hadden gedacht. Ze blijken dan niet alleen hun gedrag te veranderen maar ook hun kijk op de situatie. Ze passen zich aan de veranderde omstandigheden aan en scharen zich gemakkelijker achter totalitaire ideeën. Zo beginnen gewone mensen abnormale zaken, zoals het doden van onschuldige burgers, geleidelijk normaal te vinden.

De auteur toont overtuigend aan hoe dit nu reeds het geval is bij de massa-emigratie, grensconflicten, etnische zuiveringen, terrorisme en burgeroorlogen die de wereld zullen onder druk zetten. De grootste uitdaging is momenteel de aangroeiende stroom vluchtelingen. Om deze klimaatvluchtelingen tegen te houden zullen er steeds meer indirecte grensoorlogen gevoerd worden. Men kan zich afvragen hoe dat zal gaan als deze druk ten gevolge van de klimaatverandering nog verder toeneemt.

Welzer ziet de toekomst somber in. De klimaatverandering is op dit moment niet op te lossen. De wereld zal er over enkele decennia absoluut anders uitzien dan nu het geval is. Gevreesd moet worden dat in steeds meer gebieden steeds minder mensen zullen kunnen overleven. In de 21e eeuw zal gedood worden om hulpbronnen. Voorlopig geeft de actualiteit de auteur gelijk. Of zijn voorspelling uitkomt dat de verlichting eraan zal ten onder gaan valt af te wachten.

Toekomstvoorspellingen zijn altijd een heikele zaak. Maar of u Harald Welzer een doemdenker vindt dan wel een realist, met De klimaatoorlogen hebt u een ongemeen interessant boek in handen. Het bevat niet alleen een beschrijving van de klimaatoorlogen van de toekomst, maar ook een diepgaand onderzoek naar de drijfveren van extreem geweld van burgers tegen burgers, dat kan uitmonden in massavernietiging. En daarmee is het een waarschuwing voor sluipende uitsluiting en radicalisering.

Het is jammer dat dit uitzonderlijk boeiende onderwerp niet echt lezersvriendelijk uitgewerkt wordt. Ellenlange en ingewikkelde zinnen maken het lastig om het betoog te volgen. De auteur valt ook vaak in herhaling. Dit werk verdient een herziening en een meer toegankelijke versie.

© Minervaria

donderdag 25 september 2014

Het lied van de dodo

QUAMMEN, D., Het lied van de dodo. Eilandbiogeografie in een eeuw van extincties. (Vert. Song of the Dodo. Island Biogeography in an Age of Extinctions, 2009) Uitg. Atlas, 2013 (4e dr.), 736 pp. – ISBN 978 90 467 0395 3


Grote aantallen vogels, zoogdieren en bloeiende planten, vooral op oceanische eilanden, zijn in de afgelopen honderd jaar plotseling uitgestorven. Het is alsof er onder deze soorten een epidemie heeft plaatsgevonden. – Michael Soulé, ecoloog.

Op het eiland Mauritius, midden de Indische Oceaan, leefde duizenden jaren lang een eigenaardige duifachtige vogel die tot een reuzensoort uitgegroeid was. Hij was helemaal niet schuw, kon niet vliegen en voedde zich waarschijnlijk met op de grond gevallen vruchten. Het was een evolutionair succes. De dodo had zich goed aangepast aan de plaatselijke omstandigheden en kwam nergens anders voor. De laatste werd gezien op het eind van de zeventiende eeuw. Het uitsterven van de dodo is op verschillende manieren representatief voor de moderne tijd. Net als veel soorten kon de dodo niet op tegen de komst van de mens. Hoe kunnen we dat begrijpen? En hoe kan dit vermeden worden?

Wereldwijd zien steeds meer diersoorten hun natuurlijke habitat krimpen. Ze moeten overleven in gebieden die nog slechts een fractie zijn van hun oorspronkelijke grootte en diversiteit. Ze leven op eilanden omgeven door een mensenzee. Hoe soorten zich handhaven en verspreiden op eilanden wordt bestudeerd door de eilandbiogeografie, een intrigerende tak van de biologie. Eilanden bieden een vereenvoudigd en overdreven beeld van precies dezelfde evolutionaire processen die op het vasteland plaatsvinden.

En het lijkt erop dat eilandsoorten kwetsbaar zijn voor uitsterven. Door hun isolement zijn eilanden niet alleen gunstig voor het ontstaan van nieuwe soorten. Ze leveren ook de omstandigheden waaronder soorten sneller en doortastender uitsterven. In de laatste paar eeuwen zijn tientallen soorten en ondersoorten verdwenen, allemaal inheems op eilanden.

Het uitsterven van soorten op eilanden geeft een helder inzicht in de onstuitbare achteruitgang van de soortenrijkdom op het vasteland. Overal waar homo sapiens het landschap heeft gekoloniseerd en opgedeeld valt de biologische wereld in stukken uiteen. Die meedogenloze aantasting van een aaneengesloten ecosysteem versnippert het natuurlijke landschap en deelt de verspreidingsgebieden van diersoorten onherroepelijk op. Zo wordt de hele aarde een verzameling van eilanden.

Hoewel het probleem al oud is, is het de laatste tijd nijpend geworden. Kritische drempels zijn bereikt en in veel gevallen overschreden. Talloze soorten zijn in hun voortbestaan bedreigd of op sterven na dood. Met man en macht proberen natuurbeschermers dit proces tegen te houden en een soort van de ondergang te redden. Maar een nationaal park of reservaat kan nooit een replica zijn van de natuurlijke fauna en flora van een uitgestrekt gebied. Het is en blijft een eiland.

De eilandbiogeografie verschaft de natuurbeschermers die soorten van de ondergang proberen te redden dan ook bijzonder waardevolle informatie. Ze verheldert welke factoren het uitsterven van soorten in de hand werken en beantwoordt de vraag hoe groot een gebied moet zijn om weerstand te kunnen bieden aan ecosysteemverval.

In dit ronduit prachtige boek neemt wetenschapsjournalist David Quammen u mee op een wereldreis naar deze kwetsbare gebieden. Hij ondernam talloze tochten naar verafgelegen eilanden en door de bush en heeft daar meegewerkt met de biologen ter plaatse. Zo verzamelde hij een verbazingwekkende schat aan informatie over de fauna en flora van verafgelegen eilanden en streken.

Maar Het lied van de dodo is veel meer dan een boeiend reisverslag. U krijgt een grondige uitleg over de studie van het behoud van soorten en extinctie. Met behulp van sprekende voorbeelden wordt u vertrouwd gemaakt met cruciale begrippen en processen uit de ecologie. U leert hoe wetenschappers van verschillende pluimage zicht krijgen op het uitsterven van soorten door middel van veldwerk, laboratoriumstudie en het opstellen van theoretische modellen. En u leert wat daaruit te onthouden valt om de soortenrijkdom te behouden en ecologisch verval te stoppen.

Een keur van natuurwetenschappers wordt voor het voetlicht gebracht, noeste werkers waarvan velen weinig tot geen bekendheid genieten. Zij bouwen verder op het monnikenwerk van Alfred Russell Wallace, de miskende pionier van de eilandbiogeografie die tegelijk met Charles Darwin de wetten van de evolutie ontdekte, maar er door omstandigheden zijn naam niet kon aan verbinden.

Dit meeslepende boek werd bijna twintig jaar geleden voor het eerst uitgegeven, maar wordt nog steeds herdrukt en is nog altijd brandend actueel. Het is een ronduit magistraal werk, geschreven door een zeer belezen journalist die gefascineerd is door de natuur en zich grondig gedocumenteerd heeft. Laat u niet afschrikken door de omvang van dit werk. Het is prachtig geschreven en laat zich lezen als een roman.

© Minervaria Ook zeer aanbevolen: Het Maleise eilandenrijk

vrijdag 1 februari 2013

The story of stuff

LEONARD, A., The story of stuff. (Vert. The Story of Stuff, 2010) Utrecht, A.W. Bruna Uitgevers, 2010, 376 pp. – 978 90 229 9604 1

In 1972 verscheen Grenzen aan de groei, het eerste rapport van de Club van Rome. Door critici werden de wetenschappers voor doemdenkers versleten en het rapport is in de vergetelheid geraakt. De mantra van onze politici, economen en de media is nu economische groei. Die zou de beste manier zijn om tot een betere wereld te komen. En economische groei kan alleen worden ondersteund door consumptie.

Annie Leonard ziet het helemaal anders. Twee decennia lang reisde ze de wereld rond om de internationale handel in afval te volgen en te onderzoeken. In 2007 werd haar kortfilm The Story of Stuff, een samenvatting van haar bevindingen, een internationale hit. Dit boek biedt een uitgewerkte en meer diepgaande studie van het verhaal van afval.

Afval is het laatste stadium van de spullen die we iedere dag onnadenkend gebruiken. Vóór het eenvoudige T-shirt, de zitbank, het koffiezetapparaat en de geavanceerde computer of tablet afval worden, hebben ze een ingewikkeld proces doorlopen waarvan wij meestal geen flauw benul hebben.

In dit boek toont Leonard ons wat er gebeurt met de materialen waarvan onze spullen gemaakt zijn. Ze legt de vinger op de talloze problemen die aan onze manier van omgaan met de spullen kleven, voor het milieu, voor de maatschappij en de toekomst. Het fundamentele probleem is niet in de eerste plaats het individuele gedrag van mensen of een slechte manier van leven, maar het rammelende systeem dat zij de dodelijke neem-maak-weggooi-machine noemt.

Het begint bij de ontginning van grondstoffen. Voor de spullen die we kopen, gebruiken en vervolgens weggooien wordt een onrustwekkend grote aanslag gepleegd op de beperkte hoeveelheid waardevolle grondstoffen die onze aarde rijk is. Het massaal kappen van bossen, de verspilling en vervuiling van water en de invasieve methodes waarmee delfstoffen worden gewonnen hebben een verwoestende uitwerking op ons klimaat en het leefmilieu van miljarden mensen.

Met de productie van onze meest simpele spullen is vervolgens een nauwelijks te bevatten hoeveelheid materialen, machines en gevaarlijke chemicaliën gemoeid. Die leggen een loodzware hypotheek op het milieu en onze gezondheid, maar nog veel meer op die van de arbeiders in de productie en hun gezinnen.

Veel van onze spullen hebben bovendien al de halve wereld afgereisd voor ze in de winkelschappen liggen. De milieuvervuilende effecten van het mondiaal en internationaal transport, dat voortdurend met allerhande goederen zeult op zoek naar een plaats waar de productie het goedkoopst is, veroorzaakt enorme milieuvervuiling. De gevolgen voor de mensen in de derdewereldlanden zijn bovendien ronduit mensonterend.

En de spullen moeten natuurlijk gekocht worden. Daartoe worden geraffineerde methodes gebruikt, en met ongehoord succes. In de geïndustrialiseerde wereld worden hallucinante bedragen uitgegeven in de jacht op spullen. Dat exuberante consumptiepatroon heeft uiterst nare gevolgen. In de eerste plaats is overconsumptie een ernstige bedreiging van de nog resterende natuurlijke hulpbronnen van de aarde. En wat het betekent als de burger herleid wordt tot consument heeft Samuel Barber uitvoerig betoogd.

Tenslotte worden spullen in no time rommel en rommel wordt afval. Tonnen spullen worden er weggegooid, zelfs als ze nog prima werken of niet eens gebruikt werden. 
Wist u dat u per jaar gemiddeld een halve ton afval produceert? Deze immense verspilling van materialen, energie en vernuft vormt een levensgrote bedreiging voor het leefmilieu en de gezondheid van mensen, vooral in de derdewereldlanden. 

Haarfijn wordt het niets en niemand ontziende systeem achter onze kleding, boeken, speelgoed, meubelen, auto’s, computers, tablets en nog veel meer ontleed. Het onthutsende verhaal achter onze spullen is een schrijnende illustratie hoe het milieu en de sociale rechtvaardigheid moeten inbinden ten gunste van de economische groei.

Het groeimodel van het kapitalisme zoals het nu functioneert, is niet duurzaam. Economische groei moet in dienst staan van de mens en mag geen doel op zich zijn. Ongebreidelde groei kent weinig voordelen en zeer veel nadelen. Er is een overvloed aan bewijzen dat we afstevenen op een ernstige milieucrisis, die in grote mate veroorzaakt wordt door ons consumptiepatroon.

Maar wat kunnen we doen? Moeten we terug naar de paardentram of misschien een leven als holbewoner? Helemaal niet, zegt Annie Leonard. We kunnen wel bewuster omgaan met onze spullen. Waarom nieuwe kopen als de oude het nog prima doen? Maar de belangrijke veranderingen moeten gebeuren in het systeem zelf. De huidige ondoordachte methoden om grondstoffen te winnen en spullen te produceren en te verdelen, moeten radicaal heringericht worden met het oog op duurzaamheid.

De ontstellende waarheid achter je nieuwe T-shirt, het blikje frisdrank of bier naast je, het nieuwe speelgoed van je jarige kind en het goedkope tablet van de aanbieding in de supermarkt is huiveringwekkend. Maar er is hoop. De weg naar duurzame consumptie is nog bezaaid met diepe putten en loodzware rotsblokken, maar hier en daar liggen er stapstenen en zijn de obstakels geruimd. Er zijn alternatieven voorhanden en ze worden steeds vaker toegepast.

Met haar boek wilde Annie Leonard de ingewikkelde gang van de materialen door de economie op een zo eenvoudig mogelijke manier te ontrafelen. In dat opzet is ze met glans geslaagd. De tekst is vlot leesbaar en wordt duidelijk geïllustreerd met verhelderende tekeningen en grafieken. Ook in haar tweede doel is ze geslaagd. De lectuur van dit boek spoorde mij aan om nog veel bewuster en zorgvuldiger om te gaan met de voorwerpen die mijn leven vergemakkelijken.

Wie liever kijkt dan leest, een dik boek niet ziet zitten of een voorsmaakje wil hebben kan ook de film bekijken. Voor Nederlandse ondertiteling klikt u op CC en kiest Dutch.

© Minervaria

woensdag 30 mei 2012

Groene filosofie


SCRUTON, R., Groene filosofie. Verstandig nadenken over onze planeet. (Vert. Green Philosophy. How To Think Seriously About the Planet, 2012) A’dam, Uitg. Nieuw Amsterdam, 2012, 320 pp. – ISBN 978 90 468 1123 8

De milieubeweging wordt doorgaans zowel door aanhangers als door tegenstanders omschreven als ‘iets van links’. Volgens de Britse conservatieve filosoof Roger Scruton zijn milieubeschermers en conservatieven echter bondgenoten, want ze hebben gelijklopende doelen. Beiden willen een bedreigde erfenis beschermen tegen plundering en streven naar een langetermijnbeleid dat gericht is op het zuinig omgaan met natuurlijke hulpbronnen.

Maar de milieubewegingen motiveren de gewone burger niet om zijn leven te veranderen. Hun alarmkreten over nakende milieucatastrofes jagen hem angst aan en stuiten op wantrouwen en verzet. Ze leggen de nadruk bovendien teveel op politiek activisme, ingrijpende mondiale programma’s en grootschalige overheidsprojecten.

Het klopt dat mondiale problemen als klimaatverandering, olievervuiling, bergen plastic afval en verlies aan biodiversiteit niet aangepakt kunnen worden zonder regeringsbemoeienis. Maar als we problemen aan regeringen overlaten, geven we ze uit handen. Grootschalige projecten gaan bovendien spoedig een eigen leven leiden zonder verantwoording aan de burger.

Bovendien zijn mensen van nature zelfzuchtig en gaan ze niet spontaan zorgzaam om met hun leefmilieu. Individuele consumenten zijn vooral gericht op voordelen op de korte termijn. Dus moeten we zoeken naar niet-zelfzuchtige prikkels die sterk genoeg zijn om onze begeerten in te tomen en die mensen kunnen bewegen om milieubewust te leven.

Die wortelen volgens de conservatieve visie in de natuurlijke gehechtheid van mensen aan het eigen thuis en grondgebied, door Scruton oikofilie gedoopt. Deze gehechtheid zet hen ertoe aan om het leefmilieu te beschermen tegen erosie en verspilling. Wanneer mensen hun omgeving niet langer beschouwen als hun thuis dragen zij er minder zorg voor.

In zijn boek belicht Scruton wat oikofilie kan betekenen voor milieubescherming, onder welke voorwaarden ze ontstaat en hoe ze gestimuleerd kan worden. Hij verdedigt plaatselijke initiatieven tegen mondiale programma’s, burgerverenigingen tegen politiek activisme, en kleinschalige, op vriendschap gebaseerde instellingen tegen grootschalige campagnes. Hij staat kritisch tegenover regelgeving van bovenaf en tegenover milieubewegingen die een algemeen doel nastreven zonder overleg met de plaatselijke gemeenschappen.

Een conservatieve milieupolitiek berust op rentmeesterschap, overleg en gemeenschapszin. Conflicten dienen opgelost te worden door onderhandeling in plaats van door regelgeving van bovenaf. Door zelf op te treden haalt de staat het gevoel van verantwoordelijkheid bij de burgers weg. De overheid zou zich ertoe moeten beperken de voorwaarden te scheppen waaronder mensen zorg gaan dragen voor hun lokale milieu.

Scruton kant zich daarmee niet helemaal tegen overheidsregulering. De overheid moet alle nodige maatregelen nemen om de kosten van een vrije markteconomie te beperken en te beletten dat ze ten laste komen van de gemeenschap en de toekomstige generaties. Hij bestrijdt en ontkracht een aantal wijd verspreide ideeën over conservatisme en verzet zich met klem tegen het soort conservatisme dat alles ondergeschikt maakt aan het primaat van de economische vrijheid. Dit is alvast een interessante correctie op het gangbare beeld van de conservatieve politiek.

Politiek rechts wordt inderdaad niet meteen aan milieubescherming gekoppeld. Ik was dus reuzebenieuwd wat een oerconservatieve filosoof als Roger Scruton over ‘groen’ te zeggen heeft. Met zijn voorkeur voor lokale initiatieven en de nadruk op de verantwoordelijkheid van burgers voor hun eigen leefmilieu en dat van hun nakomelingen heeft hij een sterk punt. Mensen moeten zelf zorg dragen voor hun leefmilieu. Regelgeving over de hoofden van de burgers heen roept vaak verzet en onverschilligheid op. Van de overheid mag je inderdaad verwachten dat zij de voorwaarden schept waaronder de burgers het rentmeesterschap over hun eigen grondgebied kunnen uitoefenen.

Scruton onderkent wel dat milieuproblemen de nationale grenzen vaak overstijgen en derhalve niet altijd op lokaal niveau op te lossen zijn. Maar ingewikkelde en grootschalige internationale verdragen vormen een aanslag op de vrijheid en op de lokale gebruiken, zo stelt hij. Zijn alternatief is duidelijk toegesneden op de Angelsaksische landen en klinkt pover: burgers kunnen zich verenigen en via juridische weg hun rechten opeisen.

Hij gaat daarbij echter voorbij aan de machtspositie van internationale concerns waartegen burgers zeer weinig vermogen. Zelfs de nationale regeringen zijn in onze wereld de speelbal van ondernemingen die mondiaal opereren en zich de wet niet laten dicteren door nationale regelgeving. In niet-democratische landen of landen waar de burgergemeenschap zwak staat hebben deze multinationals vrij spel.

Scruton richt bovendien zijn pijlen ongenuanceerd op alles wat maar enigszins naar links ruikt. Hij noemt ‘links’ zonder onderscheid ‘oikofoob’ en laat geen gelegenheid voorbijgaan de linkse bewegingen van alle zonden Israëls te betichten. Voor een filosoof van zijn klasse is het uitermate zwak dat hij daarbij communisme, marxisme en socialisme zonder meer over dezelfde kam scheert. Hij zou beter moeten weten.

Scruton verkondigt nog meer straffe opvattingen. Als we hem moeten geloven, dan bestaat de mensheid uit twee categorieën: de goeden die de liefde voor de eigen thuis beoefenen, en de slechten die ofwel verslaafd zijn aan technologie of die een afkeer hebben van hun eigen thuis. Zo cultiveert hij kunstmatige tegenstellingen en verschillen tussen mensen. En in zijn nostalgisch verlangen naar een idyllische plattelandssamenleving, die in een snel verstedelijkende wereld steeds zeldzamer wordt, beschuldigt hij de wetenschap ervan dat ze de mens losweekt van zijn gehechtheden.

Als het de bedoeling was een breed lezerspubliek te bereiken, dan heeft Scruton de bal tenslotte behoorlijk mis geslagen. De lezer wordt overstelpt met eindeloze herhalingen en een onnodig ingewikkelde woordenvloed. Alle hoofdstukken bestaan uit lopende tekst zonder indeling, soms dertig bladzijden lang. Na het eerste hoofdstuk heb ik mezelf moeten verplichten om verder te lezen.

Ondanks voorgaande bedenkingen heb ik uit dit boek toch veel opgestoken. Het was een kennismaking met een gedachtegoed dat het mijne niet is. Het brengt een aspect van milieubeheer aan de orde waar ik tevoren weinig aandacht aan gaf. En het verschafte mij een beter inzicht in het succes van de huidige populistische en nationalistische stromingen.

©  Minervaria


vrijdag 16 januari 2009

De toekomst is groen

FRIEDMAN, T.L., De toekomst is groen. (Vert. Hot, Flat and Crowded – Why We Need a Green Revolution – and How it Can Renew) A'dam, Uitg. Nieuw Amsterdam, 2008, 496 pp. – ISBN 978 90 468 0412 4

Het afgelopen jaar was wereldwijd gemiddeld weer warmer dan het vorige. De opwarming van de aarde zet door, zeggen klimatologen. Maar geologen hanteren een andere tijdschaal en zien eerder stabilisatie. De kritische journalist Thomas L. Friedman laat zich voor geen enkel karretje spannen. Het probleem is ingewikkelder. De wereld wordt immers niet alleen misschien warm, ze wordt ook plat en vol. Die tendensen beïnvloeden elkaar en kunnen gigantische problemen oproepen. Hoe we met deze mondiale ontwikkelingen omgaan zal in sterke mate de kwaliteit van het leven op aarde in de eenentwintigste eeuw bepalen. Friedman waarschuwt ons dat het hoog tijd wordt dat er wereldwijd werk wordt gemaakt van fundamentele veranderingen om een catastrofe voor de mensheid af te wenden. En volgens hem is het van groot belang dat de Verenigde Staten daarin het voortouw nemen.

Dit boek wordt als bestseller aangeprezen, en ik was op mijn hoede. Wat kan een journalist mij vertellen over een probleem waarover zelfs klimatologen en geologen het niet eens zijn? Krijg ik hier het zoveelste pamflet te lezen van een lobbyende journalistieke klimaatactivist? Het boek van Friedman heeft mij echter in nagenoeg alle opzichten zeer aangenaam verrast.

In eerste instantie spit hij het probleem van de wereld uit. Op het gebied van energie, klimaat en biodiversiteit staat de wereld voor een reeks unieke uitdagingen. De opwarming van de aarde, de onstuimige groei van de middenklasse overal ter wereld door de globalisering en de snelle bevolkingsgroei vallen zozeer samen dat de stabiliteit van onze planeet in gevaar is. Deze combinatie leidt tot schier onoplosbare problemen. Op boeiende en inzichtelijke wijze maakt Friedman duidelijk hoe daardoor energie schaarser wordt, steeds meer planten en dieren uitsterven, miljoenen arme mensen tot schrijnende energiearmoede veroordeeld zijn, de positie van oliedictaturen versterkt en democratisering vertraagd worden en het klimaat in versneld tempo verandert. In essentie gaat het over een energieprobleem. Dit is wat wij in de media te horen en te lezen moesten krijgen maar wat volgens mij onvoldoende gebeurde.

Vervolgens buigt Friedman zich over aanpak en oplossingen. En dan komt 'groen' op de proppen. Maar het 'groen' van Friedman gaat veel verder dan het modieuze groen van de bioproducten en ecochic. Friedman noemt dit 'cynisch' groen, het zijn eenvoudige ingrepen die ons niet veel kosten. Groen denken en handelen wordt vaak voorgesteld alsof niemand een offer moet brengen. En als er offers verwacht worden is 'groen' opeens niet meer populair. Maar hij is wel realistisch: als mensen alleen offers moeten brengen zullen ze hun gedrag niet veranderen. Dus moeten we niet alleen de kosten maar ook de baten van 'groen' verrekenen en zo in rekening brengen dat groen financieel en economisch interessant is. Daarvoor zijn wezenlijke sociale veranderingen nodig en die moeten geschraagd worden door een groene politiek.

De eenvoudige manieren om groen te worden zijn absoluut niet toereikend. We kunnen dit probleem niet al consumerend, hoe 'groen' ook, oplossen of het overlaten aan de keuze van de individuele burger. Er zijn grootschalige initiatieven nodig om de productie en het gebruik van schone energie te ontwikkelen en te vermarkten. De innovatieve technologie op dit gebied is reeds tamelijk ver gevorderd maar er kan nog heel veel gebeuren. Er is een markt voor schone en duurzame energie, maar voorlopig is die nog zeer duur en dus alleen weggelegd voor kapitaalkrachtige mensen of voor durvers. Het is echter anders als naar het totale kostenplaatje gekeken wordt en we de externaliteiten van het huidige systeem, onder andere armoede en vervuiling, in rekening brengen. De overheid heeft hier een cruciale taak. Ze moet de spelregels zo bepalen dat schone en duurzame energie echt kan concurreren met de vuile brandstoffen die nu de markt domineren. Zonder een coherent overheidsbeleid dat schone en duurzame energie daadwerkelijk steunt en propageert staan we immers nergens.

Friedman bespreekt uitvoerig hoe door de juiste prijssignalen en regelgeving de overheid in staat moet zijn om de CO2-uitstoot gevoelig te verminderen. Hij vergelijkt de daadkracht van de overheid in een opkomend industrieland als China met de weifelende en wisselvallige politiek in de VS, die er niet in slagen hun uitstoot gevoelig te verminderen maar op zichzelf terugplooien in angst voor en de strijd tegen het terrorisme. En doordat de overheid de fossiele brandstofindustrie door kortzichtigheid en politiek eigenbelang bevoordeelt is de markt voor schone energie niet echt vrij.

De oplossing voor de warme, platte en volle wereld is ten gronde politiek. Men kan 'groen' of bio proberen te leven, men kan groene activist zijn, maar dat is niet voldoende want kleinschalig en niet verplicht. We hebben behoefte aan politieke leiders die een visie kunnen uitdragen en de autoriteit hebben om een coherente aanpak te kiezen. "Het is belangrijker je politici te vervangen dan je gloeilampen", aldus Friedman. Ik ben het helemaal met hem eens. Hij vergelijkt de groene revolutie met de burgerrechtenbeweging in de VS. Zolang het streven naar gelijke rechten voor blank en zwart een zaak was van activisten veranderde er wezenlijk niets. Dit gebeurde wel op het moment dat ze door de politici in regels en wetten gegoten werden. Je zou dezelfde vergelijking kunnen maken voor alle mensenrechten waarvoor gevochten is en die door wetten vanzelfsprekend geworden zijn. Zo moet het ook gaan met groen. Als groen verdwijnt weten we dat we op de goede weg zitten. Groen is dan normaal geworden. Groen is dan de norm en geen keuze.

Dit boek is geschreven door een Amerikaanse journalist, en geschreven voor Amerikanen. Met patriottische retoriek doet Friedman beroep op de trots van zijn landgenoten om zich als natie weer op de voorgrond te plaatsen. De vergelijking met China als concurrent voor een leidende positie is dus zeer goed gekozen. Het zegt iets over de Amerikaanse kijk dat Europa in zijn boek nauwelijks aan de orde komt.
Na lezing móet je het Europese project wel gunstiger gezind zijn. Want alleen een politiek die de particulariteiten van afzonderlijke staten overstijgt kan een oplossing bieden voor een wereldwijd probleem.

Als je over de soms bevlogen stijl kan lezen, heb je een boek in handen dat deze complexe problematiek op een kritische, realistische en rationele manier benadert. Met treffende beeldspraak en veel variatie zet Friedman, veelvuldig winnaar van de Pullitzerprijs, bovendien een inzichtelijk, boeiend én vlot leesbaar betoog neer.

© Minervaria

donderdag 16 oktober 2008

De wereld zonder ons

WEISMAN, A., De wereld zonder ons. (Vert. The World Without Us) A'dam,/A'pen, Uitg. Atlas, 2007, 359 pp. – ISBN – 978 90450 0057 2

In een afgelegen en schaars bezocht hoekje van het Slate Museum in het Welshe stadje Llanberis kan je je even in een wereld zonder mensen wanen. Door een korte tunnel in de rotsen leidt een pad met een half begraven treinspoortje naar een indrukwekkende oude groeve. Tussen meer dan 80 meter hoge steile leistenen rotswanden ligt een meer, rondom begroeid met jonge berken en struikgewas. De eekhoorns schoten er voor mijn voeten weg. Ongetwijfeld zwommen er vissen in het water, en tussen het stuikgewas sprongen en kropen heel zeker verschillende soorten kikkers en hagedissen. Af en toe zag je een vogel over het water scheren en in het groen verdwijnen. En in de hemelse stilte ontdekte ik dat het anders altijd aanwezige suizen, brommen en dreunen in mijn hoofd helemaal was verdwenen.

Honderd jaar en meer geleden heerste in de leisteengroeve van Llanberis een hels lawaai van sissende en stampende topzware, door stoom aangedreven, machines dat het kappen van de steenhouwers overstemde. Uit de groeve wordt al meer dan 50 jaar geen leisteen meer gehaald. Behalve de uitgehakte wanden en het meer, is het verweerde en onbruikbare smalspoor de enige getuige van vroegere menselijke activiteit. Een paradijs op aarde.

Zou de aarde echt een paradijs worden als de mensen er verdwenen waren? Of verandert op termijn de wereld in een braakliggend stuk grond, waar niets meer kan gedijen en de elementen vrij spel krijgen? Een generatie geleden waarschuwden onheilsprofeten voor de nucleaire vernietiging van de mensheid. Tegenwoordig leven we onder de dreiging van de vergiftiging van het milieu, de definitieve verdwijning van duizenden dier- en plantensoorten en de opwarming van het klimaat.

Hoe zou de rest van de wereld reageren als ze ineens werd verlost van de genadeloze druk die mensen op haar en onze mede-organismen uitoefenen? Hoe lang zou het duren voor het klimaat zou terugkeren naar het punt waar het gebleven was voor wij al onze motoren startten? Hoelang zou het duren voor de natuur haar verloren terrein zou herwinnen en het paradijs zou herstellen waarin Homo Habilis verscheen? Zou de natuur ooit al onze sporen kunnen uitwissen? Of zijn sommige daarvan zo onnatuurlijk dat ze onverwoestbaar zijn? Welke erfenis zal de mensheid de verre toekomst nalaten?

Natuurlijk kunnen wij dat niet met zekerheid weten. Maar we zouden er wel kunnen over fantaseren. Alan Weisman stelt zich voor hoe de wereld er zou uitzien als de mens door een of andere ramp plotseling zou verdwenen zijn. Om een idee te krijgen hoe de wereld zonder ons verder zou gaan moeten we kijken naar de wereld zoals die was voor de mens verscheen, hoe ze sedertdien veranderd is en welke rol de mens hierin heeft gespeeld. Dit is een geweldige onderneming.

Want geen enkele diersoort heeft zoveel invloed uitgeoefend op het totale ecosysteem van de aarde als de mens. De oermens die opging in de natuur is een fabeltje. Zelfs het oerbos draagt de sporen van de mens en het ongerepte oerwoud van de Amazone herbergt sporen van menselijke ontginning. Met behulp van hun vernuft hebben mensen vanaf hun prille bestaan de natuur gebruikt en naar eigen hand gezet. Mensen hebben bomen gekapt, struikgewas verbrand, het leefgebied van dieren verstoord en de bewoners verjaagd of gedecimeerd. Het uitsterven van de grote zoogdieren staat nagenoeg helemaal op rekening van de mens.

Op nog veel meer manieren heeft de mens zijn stempel gedrukt op de wereld. Hij heeft aardolie geboord, mijnen ontgonnen onder en aan het aardoppervlak, kerncentrales gebouwd, zendmasten en hoogspanningskabels opgericht, onverwoestbare of bijna niet af te breken kunststoffen gefabriceerd, in oorlogen hele gebieden met uiterst giftige stoffen onherstelbaar verwoest.

Op minder spectaculaire wijze heeft de mens de natuur beheerst door aan landbouw te doen, moerassen droog te leggen, miljoenensteden te bouwen, immense kanalen en tunnels te graven, diersoorten te domesticeren en te exporteren naar gebieden waar ze hele inheemse populaties verjagen, decimeren of vernietigen.
En ons exuberant gebruik van fossiele brandstoffen dreigt nu uit te monden in een versnelde en verhevigde verandering van het klimaat op aarde.

Weisman bespreekt systematisch alle gevolgen van de aanwezigheid van de mens op aarde, hoe de mens vanaf zijn verschijnen fauna en flora heeft beïnvloed en het hele ecosysteem naar zijn hand heeft gezet, hoe hij de natuur heeft bewerkt en omgevormd tot zijn habitat, en hoe zijn artefacten het aanzien van de wereld grondig hebben veranderd.
Sommige van die ingrepen zullen de tand des tijds niet overleven, maar andere, zoals bepaalde kunststoffen, zullen de wereld voorgoed belasten.

Bij elk van deze aspecten stelt hij zich de vraag wat er zou gebeuren als de mens er plots niet meer zou zijn. Vaak gaat hij daarvoor uit van bestaande situaties, bijvoorbeeld verlaten steden of mijnen of een invasie van geïmporteerde diersoorten. Hij heeft overal op de wereld, maar vooral in de Verenigde Staten, met mensen gesproken die de noodzakelijke infrastructuur moeten onderhouden van ingewikkelde bouwwerken.

Zijn boek bevat een schat aan informatie over hoe het ecosysteem functioneert, hoe en op welke manier de mens zijn stempel op de aarde zet en het milieu belast en vervuilt en wat de gevolgen ervan zullen zijn.

Misschien zal de natuur weer volop kunnen floreren als de mens verdwenen zou zijn. Maar omdat sommige dingen die we gedaan hebben onherroepelijk zijn, zou de planeet die na onze definitieve verdwijning resteert niet dezelfde planeet zijn die er geweest was als wij nooit ontstaan waren. Er zijn dingen die nooit meer zullen veranderen en processen die slechts na duizenden jaren en zelfs eeuwen zullen afgelopen zijn. De toekomst kan en zal geen volmaakt spiegelbeeld van het verleden zijn.

De aarde zal het echter prima doen zonder ons, zo verzekeren deskundige natuurwetenschappers. Dit mag dan misantroop klinken, ik ben het helemaal met hen eens. Maar niet alles wat de mens heeft voortgebracht is negatief voor de aarde. En de mens is zelf ook een product van de natuur.

Als we waarde hechten aan het voortbestaan van de mensheid, is volgens Weisman een drastische geboortebeperking de enige oplossing. Er zijn nu al 6,5 miljard mensen. Als we doorgaan zoals nu zijn we in 2050 met 9 miljard. Als vanaf nu elke vrouw slechts één kind krijgt, dan zouden we rond 2075 nog slechts met ongeveer de helft zijn en in 2100 met 1,6 miljard. Met dit veel kleiner aantal zou de mensheid beduidend beter kunnen profiteren van de technologische vooruitgang, als men dan maar de bevolkingsgroei in het oog houdt.

Dit klinkt wel logisch, maar het werkt slechts als mensen zich beperken. Een opgelegde beperking druist echter in tegen de politiek liberale opvatting van de individuele vrijheid. Een vrijwillige beperking is, zeker in landen waar kinderen de verzekering zijn voor de oude dag, onrealistisch en onhaalbaar.
En in de rijke landen zien we dat mensen die onvrijwillig kinderloos blijven vaak hemel en aarde verzetten om toch eentje te krijgen.

In deze fundamentele kwestie worden we geconfronteerd met de vraag waar de individuele keuzevrijheid eindigt in functie van het collectief welzijn. China heeft indertijd gekozen voor het laatste, met alle voordelen maar ook ellende vandien. Het is in ieder geval een stevige uitdaging voor het liberale Westen.

Hoe dan ook, het boek van Weisman is een eye-opener. Het is geschreven door een milieubewuste journalist, die zich zeer degelijk heeft gedocumenteerd. En omdat de verschillende hoofdstukken ook los van elkaar te lezen zijn, hoef je niet het hele boek in een keer te verhappen.

© Minervaria

woensdag 24 oktober 2007

Leeg. Hoe overbevissing ons dagelijks leven verandert

CLOVER, C., Leeg. Hoe overbevissing ons dagelijks leven verandert. (Vert. The End of the Line. How Overfishing is Changing the World) A'dam/A'pen, Uitg.

Een aantal courante vissoorten uit mijn jeugd, zoals tong, griet, schol, tarbot, zijn nog nauwelijks te krijgen of zeer duur geworden. Ondertussen is de visconsumptie is, vooral in het Westen, enorm toegenomen. De gezondheidslobby houdt ons met de regelmaat van een klok voor meer vis te eten. Vis eten wordt door voedingsdeskundigen aangeprezen, soms als wondermiddel tegen nagenoeg alle kwaaltjes.

Vis is inderdaad gezond, maar de echte prijs ligt veel hoger dan vermeld op de menukaart. De visvoorraden zijn over de gehele wereld enorm geslonken. Sommige vispopulaties zijn bijna uitgeroeid, voor andere zijn strenge vangstquota ingesteld. In tegenstelling echter tot wat algemeen aanvaard wordt, komt het gevaar niet zozeer van de vervuiling, maar wel van de visserij zelf.

Om de vraag naar vis bij te houden heeft de industriële visserij grootse technologische middelen ingezet. Enorme treilernetten richten een ravage aan op de zeebodem en vernietigen onderweg alles wat ze tegenkomen, ook datgene waar niet op gevist wordt. Gesofisticeerde opsporingsapparatuur stelt vissersboten nu ook in staat te vissen op plaatsen die vroeger onbereikbaar waren. Niets is nog veilig voor de visserijvloot. Het resultaat hiervan is niet alleen overbevissing, maar de ondergang van hele ecosystemen.

Wetenschappers, de vissers zelf en politici zijn het erover eens dat er drastische maatregelen nodig zijn om een ramp te voorkomen. Aangezien veel vissoorten over grote afstanden migreren, zijn daarvoor internationale afspraken nodig. Maar politieke en bureaucratische onwil, belangenconflicten en struisvogelpolitiek beletten het tot stand komen van een sluitende regelgeving.

Charles Clover was 15 jaar lang milieuredacteur bij de Daily Telegraph. Hij stelt dat door overbevissing het einde in zicht is van visvoorraden en ecosystemen in de wereldoceanen en dat het tijd is om de dingen anders te regelen. In zijn boek geeft Clover een zeer uitvoerig en gedetailleerd verslag van zijn verschillende reizen en gesprekken met de betrokken personaliteiten. De meeste aandacht gaat naar de problemen in de Noordzee en Het Kanaal, die op zich enorm ingewikkeld zijn.

Ook mogelijke oplossingen komen aan de orde. Die komen vooral neer op een mentaliteitsverandering bij de bevolking. Mensen moeten beseffen dat de zee van iedereen is, en geen particulier bezit van de visserijvloot. De visbestanden zijn ook hun verantwoordelijkheid. Geïnspireerd door het visserijbeleid in Australië en Nieuw-Zeeland, formuleert Clover een reddingsplan voor de Europese wateren. Zijn conclusie is echter zeer pessimistisch. De politieke desinteresse en onwil zullen volgens hem op termijn leiden tot een verdere achteruitgang van het visbestand, en de mogelijke uitroeiing van belangrijke vissoorten zoals de kabeljauw.

Een geïnformeerde consument kan echter, binnen de filosofie van de consumentenactie, ook invloed en druk uitoefenen. Consumenten kunnen informatie eisen over de vis die ze eten, waar ze vandaan komt en hoe ze gevangen is. Als ze kiezen voor vis die op minder verkwistende manier gevangen is, zal de visserij wel verplicht zijn haar vangstmethodes aan te passen, en tegelijk zullen bedreigde vissoorten de kans krijgen hun populatie op peil te brengen.

Maar het is voor een journalist al zeer moeilijk om aan degelijke informatie te komen. Voor de doorsnee consument is die al bijna helemaal niet beschikbaar. Daarom heeft Clover op het einde van zijn boek een gids opgenomen voor het kiezen van vis, met een lijst van soorten die beter gemeden, en andere die met een gerust hart kunnen gegeten worden. Waar blijven de consumentenorganisaties?

Dit boek belicht een aspect van milieubeleid dat weinig aandacht krijgt. Vis heeft immers niet de aaibaarheidsfactor van kalfjes en lammetjes. Het bevat heel veel interessante gegevens over het visserijbeleid, vooral in Europa. Maar de meeste mensen, ook ik, zijn niet erg vertrouwd met de gangbare terminologie, procedures en instanties. Door de veelheid van gegevens gaat de overzichtelijkheid, en daarmee ook de toegankelijkheid van het boek verloren.

Een en ander maakt het moeilijk om uit te maken of de situatie werkelijk zo dramatisch is als Clover ze voorstelt. Toch heeft dit boek me aangespoord om meer bewust te kiezen welke vis ik op het menu zet. Jammer genoeg zijn de keuzemogelijkheden veel beperkter dan die voor vlees en vleesgerechten.

© Minervaria

donderdag 30 augustus 2007

De weermakers

FLANNERY, T., De weermakers. (Vert. The Weather Makers. The History and Future Impact of Climate Change) A'dam/A'pen, Uitg. Atlas, 2006, 325 pp. – ISBN 90 450 1385 1

Moeten we ons zorgen maken over de toekomst van ons klimaat? Dertig jaar geleden lagen de experts nog met elkaar overhoop of de aarde nu juist warmer dan wel kouder werd. Ondertussen is het pleit beslecht: de aardatmosfeer wordt warmer. Alpiene milieus bijvoorbeeld worden overal ter wereld bedreigd, de permafrost in het hoge Noorden is op bepaalde plaatsen aan het ontdooien.

Over de oorzaak van de opwarming zijn de meeste klimatologen het eens: er is teveel koolzuurgas in de atmosfeer. Volgens hen is dit het gevolg van luchtverontreiniging door het gebruik van fossiele brandstoffen: steenkool, olie en aardgas. Toch zijn er ook deskundigen die deze stelling willen relativeren. In zijn recent bekroonde boek De menselijke maat legt Kroonenberg uit waarom. Over de mogelijke aanwijzingen en gevolgen van de klimaatverandering bestaat nog meer onenigheid.

De paleontoloog Tim Flannery hoort bij de eerste groep. Hij wil de lezer verduidelijken hoe koolstofuitstoot aan de basis ligt van de opwarming van de aarde, en het klimaat ingrijpend zal doen veranderen. Hij spit het thema uit met behulp van gegevens uit zeer verscheidene wetenschappelijke disciplines.

Flannery pakt het probleem systematisch aan. Een bondig overzicht van de geschiedenis van klimaatveranderingen op aarde moet ons op weg zetten. Daarna beschrijft hij hoe de recente opwarming van de aarde zich in verschillende gebieden manifesteert en wat we nog kunnen verwachten. Verwachtingen moeten echter gebaseerd zijn op betrouwbare voorspellingen. Dus legt hij ook uit hoe klimaatmodellen worden opgesteld en gehanteerd, en welke zekerheid zij bieden.

Ingrijpen op de koolstofuitstoot heeft echter economische en politieke implicaties. Klimaatverandering is een wereldprobleem, en alle landen moeten het erkennen en maatregelen nemen. Dit loopt niet gesmeerd, onder andere omdat machtige geïndustrialiseerde landen als Australië en Noord-Amerika hun eigen kortetermijnbelangen vooropstellen. Flannery licht een tipje van de sluier over de machinaties achter het Kyoto-verdrag en andere klimaatovereenkomsten. Als de machthebbers het probleem niet met vereende krachten zullen aanpakken, en men het te ver laat komen, is volgens Flannery de installatie van een wereldwijd controlerend machtsorgaan onontkoombaar.

Het zal de enige uitkomst zijn voor een politiek van afwachten, maar tegelijk een belangrijke aanslag op de individuele vrijheid. We kunnen dat vermijden door nu op vrijwillige basis aan wereldwijde samenwerking te doen.
In de afgelopen decennia werden voor de koolstofuitstoot verschillende oplossingen bedacht. Flannery bespreekt elke aanpak met kosten en baten, voor- en nadelen. Voor hem is alleen de overschakeling naar duurzame energiebronnen op korte en lange termijn de enige goede oplossing. In een laatste hoofdstuk stelt hij voor wat ieder van ons hier en nu al kan doen. Elke keer als we in de auto stappen, het licht aandoen, eten koken of het licht aandoen maken we immers CO2 aan. Door rationeel energieverbruik kan iedere burger een belangrijke bijdrage leveren aan de bescherming van het klimaat op aarde.

Flannery verheldert moeilijke materie op een boeiende, begrijpelijke en inzichtelijke wijze. Hij heeft zich zeer degelijk en veelzijdig gedocumenteerd. Hoewel hij een klimaatactivist is, vermijdt hij stemmingmakerij, en probeert hij vooral objectieve informatie te verschaffen. Er is dan ook een uitgebreide bronnenlijst opgenomen en een namenregister.

Voor een kritische leek in de materie is het moeilijk om uit te maken in hoeverre de gegeven informatie werkelijk klopt. Dagelijks zijn er trouwens nieuwe wetenschappelijke bevindingen die vroegere hypothesen kunnen wijzigen of ontkrachten. Bovendien is Flannery in klimatologisch wereldje een omstreden figuur: als paleontoloog wordt hij er immers als niet onderlegd beschouwd, als activist als te weinig objectief. Maar ook wie zich niet wil laten meeslepen in de klimaathype, maar toch goed geïnformeerd wil zijn, zal in dit boek heel wat kunnen opsteken.

© Minervaria

zaterdag 30 juni 2007

Het nieuwe weer

LYNAS, M., Het nieuwe weer. De gevolgen van klimaatverandering. (Vert. High Tide) A'dam/A'pen, De Arbeiderspers, 2005, 295 pp. – ISBN 90295 6285 4

Mark Lynas is Brits journalist, lobbyist, nieuwscommentator en milieuactivist.
In dit boek beschrijft hij zijn driejarige reis in verschillende werelddelen op zoek naar tekenen dat de aarde opwarmt. Nu hoeft men dit niet meer aan te tonen, het is een vaststelling, maar in de periode waarin hij zijn verslag schreef was dit nog een omstreden stelling.

De tocht van Lynas leidt naar zeer uiteenlopende gebieden op aarde van de noordpool tot koraaleilanden in de Stille Zuidzee. Hij stelt vast dat hele ecosystemen beginnen uit elkaar te vallen, net als de levensstijl van de mensen die daarvan afhankelijk zijn. Hij geeft een goed beeld van hoe mensen zich enerzijds zorgen maken en anderzijds aanpassen aan die soms ingrijpende veranderingen.

Dit boek is geen wetenschappelijk werk, maar een doelgericht reisverslag. En geheel in lijn met zijn beroep en overtuigingen is het relaas van Lynas doorspekt met alarmerende berichten over de wereldwijde klimaatverandering. De veelvuldige sfeerbeelden roepen dreigende beelden op van verval. Ik kreeg heel vaak de indruk dat zijn relaas erg gedramatiseerd is.

Lynas is immers niet onbevooroordeeld en schrijft de tekenen van klimaatverandering ongenuanceerd en als vanzelfsprekend uitsluitend toe aan menselijke activiteiten. Vooral de fossiele brandstoffenindustrie moet het, niet geheel ten onrechte, daarbij ontgelden. Zelfs waar wetenschappers geen echte trends kunnen vaststellen, zoekt Lynas bewijzen voor de invloed van de mens op de klimaatverandering.

Zodoende heeft zijn reisverslag een duidelijk pamflettair karakter, dat culmineert in het laatste hoofdstuk. Daar geeft hij verslag van de klimaatconferenties in Den Haag (2000) en Bonn (2001).

Wie echter afstand kan nemen van de activistische kleur van het boek, krijgt toch een beeld van hoe het veranderende klimaat van de aarde, of het nu wel of niet door menselijke activiteit wordt veroorzaakt, het leven en de tradities van mensen op een soms dramatische manier beïnvloedt.

© Minervaria

dinsdag 19 juni 2007

De menselijke maat

KROONENBERG, S., De menselijke maat. De aarde over tienduizend jaar. A'dam/A'pen, Uitg. Atlas, 2007 (9e dr.), 334 pp. – ISBN 90 450 1464 7

Terwijl ik dit schrijf is het al meer dan een maand ongewoon droog en warm. En dan ga je je toch weer vragen stellen. Hoe zit het eigenlijk met 'global warming', de opwarming van het klimaat? En hoe groot is daarin het aandeel van menselijke activiteit?

Twee opvattingen maken van de duidelijk waarneembare klimaatverandering op de aarde een hype: de eerste gaat over de tijdsduur, de tweede over de oorzaak. Volgens de spraakmakende klimatologen is het al bijna twaalf uur, en gaat de mensheid er straks aan ten onder. Als je de grafieken van het IPCC, het Intergovernmental Panel for Climate Change, mag geloven, zegt Salomon Kroonenberg, wordt het jaar 2100 al bijna catastrofaal. Twee generaties verder dan vandaag: de levens van onze kinderen en kleinkinderen. Kroonenberg betwist ook de algemeen verspreide opvatting dat de opwarming van de aarde door de mens zou zijn veroorzaakt.

De kritische geoloog Krooneberg is daar niet zo van overtuigd. Volgens hem is de opwarming van de aarde gewoon een natuurlijk en voorspelbaar verschijnsel, waar de mens hoogstens een beetje aan toevoegt. Niks om zo ongemeen druk over te doen.

Mensen nemen de natuur waar met mensenogen en vanuit het eigen perspectief, en hanteren een zeer beperkte maatstaf om natuurlijke processen te meten en te beoordelen. Klimaat en klimaatsverandering kunnen volgens Kroonenberg echter niet met mensenmaat gemeten worden. De afwisseling van ijstijden en warme perioden wordt door net zo'n astronomische cycliciteit gestuurd als die van zomer en winter, alleen op een grotere tijdschaal. We kwamen 10.000 jaar geleden uit een ijstijd, gaan naar een klimatologische hoogzomer en gaan dan weer naar de geleidelijke afkoeling van de volgende ijstijd over pakweg 10.000 jaar.

We moeten dus leren denken in de logaritmische maat van de natuur: geen honderd jaar vooruit, maar tienduizend jaar en meer. Voor de doorsnee mens is dat een onoverzichtelijke periode.

Maar niet alleen de lange tijdsduur maakt het voor mensen moeilijk vooruit te kijken. De aardse processen werken ook op verschillende manieren in de tijd. En daarvan zien wij slechts momentopnames. Mensen zijn geneigd de tijd als stroom te ervaren, waarin een verandering in dezelfde richting verder gaat. Maar er zijn ook nog cyclische processen (golven) en plotse veranderingen (pulsen).

Kroonenberg laat ons kennis maken met die drie verschillende verschijningsvormen van tijd: de tijd als stroom, de tijd als golf en de tijd als puls. Die spelen samen een magistraal muziekstuk, van minieme tot immense tijdschalen. In een boeiend, voor de leek voldoende inzichtelijk relaas, komen nagenoeg alle aardverschijnselen aan de orde. Hij verheldert vulkanische activiteit, aardbevingen, overstromingen, hitte- en koudegolven, de loop van rivieren, wouden en savannes. Kroonenberg toont aan dat al deze verschijnselen gehoorzamen aan bepaalde wetmatigheden in de tijd, die de menselijke maat ver te boven gaan.

Natuurlijk heeft de mens invloed op de aardse leefcondities, maar volgens de auteur heel zeker niet op de schaal zoals vandaag wordt voorgesteld. Wij zijn immers niet groter dan de natuur, maar maken er gewoon deel van uit. Als dusdanig zijn wij onderworpen aan processen die veel omvattender zijn dan we kunnen beïnvloeden.

De mens kan zich echter zeer goed aanpassen aan warmere of koudere klimaten of hogere en lagere zeespiegels. Als de steentijdmens met berenvellen en stenen bijlen een hele ijstijd heeft weten te overleven, zo vraagt de auteur zich af, zouden wij met al onze hoogontwikkelde technologie dan niet een meter zeespiegelstijging aankunnen?

Kroonenberg houdt een pleidooi om wat langer vooruit te kijken. Dit boek biedt een nuchtere kijk op klimaat en klimaatverandering. Je stelt je vragen over de hype die voor het moment overheerst. Het perspectief van een geoloog is dan zeer interessant. Hij relativeert de menselijke invloed en brengt ons weer naar onze nederige positie: wij zijn niet meer dan een ademtocht in de geschiedenis van de aarde. Wij vermogen eigenlijk nauwelijks iets tegen de wetten van de natuur.

Het is een boeiend boek, ook voor een leek voldoende inzichtelijk en zeer vlot geschreven. Je kan het ook als naslagwerk gebruiken voor inzicht in geologische processen.
Er is een uitgebreide literatuurlijst opgenomen en een handig register.

© Minervaria

maandag 11 december 2006

Ondergang

DIAMOND, J., Ondergang. Waarom zijn sommige beschavingen verdwenen en hoe kan de onze haar ondergang voorkomen? (Vert. Collapse) Utrecht, Het Spectrum, 2005, 702 pp. – ISBN 90 274 9863 6

In zijn internationale bestseller Zwaarden, paarden en ziektekiemen, onderzocht Jared Diamond hoe het mogelijk was dat beschavingen zo verschillend kunnen evolueren. Zijn nieuwste boek zou je een soort vervolg en tegenhanger kunnen noemen. Hierin probeert hij het verval van beschavingen te verklaren. Het is een uitermate boeiende turf geworden, waar je echter wel wat tijd moet voor uit trekken.

Voor zijn studie gebruikt hij de vergelijkende methode, waarmee hij vertrouwd is door zijn werk als ornitholoog. Hierbij vergelijkt men natuurlijke situaties, die van elkaar verschillen, aan de hand van relevante factoren. Vijf factoren dragen volgens Diamond bij tot het behoud resp. de ondergang van een cultuur of beschaving: door de mens veroorzaakte schade aan het milieu, klimaatverandering, vijandigheden met andere culturen, handelsrelaties met andere gemeenschappen en culturele gewoonten.

Diamond begint zijn speurtocht met een streek die hem zeer vertrouwd is, en die ondanks de schoonheid ervan, toch zeer te lijden heeft van milieuschade: de staat Montana. Vroeger was het een van de rijkste, nu een van de armste staten in de VS. Montana staat hierbij model voor de vele kwetsbare, en soms voor landbouw ongeschikte, gebieden op aarde. Milieuproblemen hebben er een onmiskenbare invloed op de cultuur en leefwijze van de bewoners. Die ingewikkelde problemen worden door de auteur op een inzichtelijke en zeer goed gedocumenteerde wijze verhelderd.

In het volgende deel bestudeert Diamond een aantal verdwenen culturen die, mede door hun onvermogen om de milieuproblemen op te lossen die ze schiepen of ontmoetten, ten onder gingen. Achtereenvolgens komen aan de orde: Paaseiland, de Anasazi, de Maya's, de Vikingen op Ijsland en Groenland. Diamond heeft opzettelijk gekozen voor verscheidenheid. De geschiedenis van de Maya's maakt bijvoorbeeld duidelijk dat hoogontwikkelde en creatieve culturen hetzelfde kan overkomen als perifere culturen in een kwetsbaar milieu. Ook hier verbaast hij weer door zijn grondige en actuele kennis van deze beschavingen en van de problemen waarmee ze te maken hadden.

Uit het lot van deze beschavingen kunnen we lessen trekken voor de huidige situatie. Maar we kunnen ook leren uit de successen. Er zijn immers verschillende wegen naar succes. Sommige culturen ontwikkelen werkwijzen die overexploitatie vermijden en andere culturen slagen daar niet in. Daarom eindigt Diamond dit deel met een paar succesvolle culturen, waarmee hij aangeeft dat de mens niet machteloos staat tegenover vergelijkbare bedreigingen.

Het derde deel brengt hedendaagse samenlevingen en hun problemen aan de orde: de volkerenmoord in Rwanda, de uiteenlopende ontwikkeling van de Dominicaanse Republiek en Haïti, de milieuproblemen van China en de exploitatie van Australië. Ook hier analyseert Diamond zorgvuldig alle factoren die bijdragen tot de problemen van deze culturen, en de wijze waarop ze werden/worden aangepakt. Hij hanteert hiervoor dezelfde werkwijze als voor de verdwenen culturen. Omdat het gaat over nog bestaande culturen kan hij duidelijk aantonen dat conflicten tussen (groepen) mensen vaak nauw samenhangen met milieuproblemen.

In het laatste deel worden conclusies en lessen getrokken. Die hebben betrekking op de wijze waarop culturen omgaan met de gegeven omstandigheden. Wij kunnen immers alleen daarop invloed uitoefenen en dan niet zozeer als individu, maar als groep. Diamond wijdt een interessante bespreking aan de factoren die bijdragen tot een al dan niet succesvolle groepsbesluitvorming: het probleem moet eerst gezien worden, als het gezien wordt moet het onderkend worden, men moet pogingen (willen) doen om het op te lossen en de poging kan succesvol zijn resp. mislukken.

Een volledig hoofdstuk wordt gewijd aan de rol van de industrie bij de milieuproblematiek. Hiervoor vergelijkt hij de wijze waarop binnen diverse industrietakken door verschillende bedrijven met de milieuproblemen wordt omgegaan. Hij komt tot de conclusie dat, in tegenstelling tot wat bedrijven vaak stellen, een verantwoord milieubeleid bijdraagt tot winst en duurzaamheid van de industrie.

In het laatste hoofdstuk komt tenslotte de individuele consument aan de orde. Die moet niet passief toekijken, maar kan door zijn koopgedrag vrij veel invloed uitoefenen op de milieuproblematiek. Dit loopt parallel met de mening van Noreena Hertz m.b.t. de economische globalisering.

Die globalisering is trouwens zowel het uitgangspunt als de conclusie van Diamond: zoals de verdwenen culturen afhankelijk waren van hun naaste buren, zo is nu de hele wereld afhankelijk van de hele wereld. Er bestaat geen cultuur meer die op eigen houtje kan overleven. Waar in het verleden de ene cultuur verdween en de andere bleef bestaan, is het nu voor de hele wereldbevolking hetzij op korte of lange termijn overleven of verzuipen.

Het is een tamelijk alarmerende boodschap, waarbij Diamond toch gematigd optimistisch blijft. De belangrijkste opgave, en zeker niet eenvoudig, zal volgens hem zijn, te beslissen welke kernwaarden van onze cultuur verenigbaar zijn met het overleven van onze samenleving en welke we zullen moeten opgeven.

In de gedachtegang van de auteur kon ik mij goed vinden. Ik heb ook meer inzicht gekregen in de complexe samenhang van de zeer verscheidene uitdagingen en de gevolgen ervan, waarvoor een cultuur zich gesteld ziet.

Maar zelfs als je als lezer zijn conclusies niet deelt, blijft het een lezenswaardig boek. Het is enorm goed gedocumenteerd, de analyses zijn zeer nauwkeurig uitgewerkt en inzichtelijk gepresenteerd. Het bevat een schat aan (recente) informatie over verdwenen en nog bestaande culturen en is daarom alleen al het lezen waard. Voor elke cultuur is er een geografische kaart met de ligging van het betrokken gebied. Elk hoofdstuk kan bovendien op zichzelf gelezen worden, een niet te onderschatten voordeel voor een boek van deze omvang. Het is bovendien zeer toegankelijk en boeiend geschreven.

Tenslotte: zoals het een boek van dit gehalte betaamt, is er een uitgebreide literatuur- en notenlijst, en een trefwoordenregister.

© Minervaria

vrijdag 23 augustus 2002

De symbiotische planeet

MARGULIS, L., De symbiotische planeet. (Vert. The Symbiotic Planet) A'dam/A'pen, Uitg. Contact, 1999, 157 pp. – ISBN 90 254 9633 4

Lynn Margulis is hoogleraar Geowetenschappen aan de Universiteit van Massachusetts. Zij heeft een theorie geformuleerd over de oorsprong van organismen met cellen met een kern en heeft daarmee de Seriële Endosymbiosetheorie (S.E.T.) gefundeerd. Deze theorie wordt nu algemeen geaccepteerd als de wijze waarop cellen met een celkern (eukaryoten) zijn ontstaan. Uit deze eencelligen zijn alle meercellige organismen, dus ook de mens, gegroeid.

In haar boek vertelt zij eerst hoe ze tot deze opvatting is gekomen. In de eerste hoofdstukken krijg je een onthullend en ontnuchterend beeld hoe moeilijk het is om in de wetenschappelijke wereld met een andere dan de gangbare visie voet aan de grond te krijgen. Met alle respect voor de vastberadenheid van Margulis, vind ik haar relaas toch vaak op een verongelijkte klaagzang lijken.

Vervolgens legt zij uit wat de S.E.T. inhoudt en welke argumenten deze theorie ondersteunen. Hierna volgt een poging tot samenvatting van deze ingewikkelde materie.

Al het leven dat wij nu kennen stamt af van de kleinste aller levensvormen, bacteriën. De S.E.T. stelt dat eukaryoten zijn ontstaan door fusie van bacteriën, die elk hun genetisch materiaal meegebracht hebben. Deze bacteriën verhielden zich tot elkaar in een symbiotische relatie, waarbij er een soort taakverdeling ontstond in de nieuwe cellen met een celkern.

Symbiose is het systeem waarbij de leden van verschillende soorten fysiek samenleven tot wederkerig profijt. Zonder symbiose kunnen de meeste levende organismen niet voortbestaan. Ook voor het ontstaan van soorten is symbiose nodig. Er ontstonden pas soorten toen bacteriën zich tot grotere cellen – de voorouders van planten en dieren – verenigden. Margulis legt uit hoe symbiose heeft geleid tot het ontstaan van complexe cellen en uiteindelijk ook tot organismen als schimmels, planten en dieren.

Dat planten- en dierencellen door symbiose zijn ontstaan staat nu nog nauwelijks ter discussie. Margulis is er echter ook van overtuigd dat nieuwe soorten ontstaan door samensmelting van oude soorten, uiteraard op cellulair niveau. Deze visie was in elk geval bij het verschijnen van haar boek nog controversieel. Op basis van haar theorie stelt zij ook een andere indeling van de soorten voor dan de gangbare. Deze indeling is in bijlage opgenomen.
Tenslotte gaat zij in op de consequenties van deze theorie voor onze kijk op de aarde als ecosysteem.

Symbiose is ook de manier waarop de verschillende soorten zich tot elkaar verhouden in het ecosysteem van de aarde. Volgens Margulis zijn wij allemaal symbionten op een symbiontische planeet. Dit is de Gaia-hypothese, de metafoor die Dawkins bestrijdt omdat ze een eenzijdige en nepromantische voorstelling van zaken geeft.

In het laatste hoofdstuk ontkent Margulis echter deze interpretatie met kracht. Het beeld van Gaia staat niet voor het oude geloof in Moeder Aarde, maar voor het ecosysteem van de aarde, waarin de mens niet anders is dan zijn planeetgenoten: een meercellig organisme dat in symbiotisch verband leeft met alle andere organismen. "Voor de natuur vormen wij geen bedreiging, maar voor onszelf wel. Het idee dat we al het leven zouden kunnen vernietigen, inclusief alle bacteriën die welig tieren in de waterbassins van onze kerncentrales en kokendhete bronnen, is belachelijk." (p. 135)

Daar kan ik het volkomen mee eens zijn. Het relativeert de opgeblazen Gaia-retoriek en het milieu-activisme en brengt het terug tot zijn ware proporties.

Het boek leest vlot, en de materie is op een begrijpelijke manier gepresenteerd. Boeiend is de weergave van het proces waarmee de theorie is onderbouwd, door middel van experimenten, redenering en falsificatie.

De tekst wordt gevolgd door een lijst noten, tevens bronnenlijst, en een handig trefwoordenregister.

© Minervaria

Aansluitend:
Op 22 november 2011 is Lynn Margulis overleden aan de gevolgen van een zware hersenbloeding. Haar baanbrekende hypothese over het ontstaan van de Eukaryoten werd lang omstreden maar wordt nu algemeen aanvaard.
Lynn Margulis: An Unforgettable Woman