Posts tonen met het label Taal en communicatie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Taal en communicatie. Alle posts tonen

zaterdag 24 augustus 2013

Wie schrijft ...

GEORGE, E., Wie schrijft … Schrijven volgens Elizabeth George. (Vert. Write Away, 2004) Utrecht, Bruna Uitg. B.V., 2004, 316 pp. – ISBN 90 229 8797 3

Ik ben echter van mening dat, hoe meer je over je gereedschap weet, hoe beter je het kunt gebruiken. (p. 199)

Een boek of verhaal schrijven begint met een idee. Maar net zoals een schilder of beeldhouwer zijn werk niet met louter inspiratie tot stand brengt, moet een schrijver beschikken over vakmanschap. Wil een verhaal de lezer meeslepen, dan moet het vakkundig geschreven zijn.

Als er iemand is die het schrijversvak beheerst, dan is het Elizabeth George wel. Miljoenen mensen genieten van haar spannende psychologische thrillers en kijken al verlangend uit naar de volgende. In dit werk wordt er geen moord gepleegd maar legt zij uit hoe ze te werk gaat bij het schrijven van een boek.

Alles begint natuurlijk met het idee. Maar dat moet vervolgens vorm krijgen in een coherent verhaal. Dit vraagt in de eerste plaats een zorgvuldige voorbereiding. Er moet uitgezocht worden waar het verhaal zich gaat afspelen. De personages moeten vorm krijgen en van een karakter voorzien worden. En er moeten een plot en subplots bedacht worden.

Een goed verhaal dient ook te beantwoorden aan een aantal grondbeginselen die het samenhang en geloofwaardigheid bieden. De plot en de subplots moeten voldoen aan een aantal basisvereisten en er moet bepaald worden wie het verhaal zal vertellen. Ieder personage behoort zich te gedragen en te spreken in overeenstemming met zijn karakter. En de verschillende scènes moeten naadloos op elkaar aansluiten.

In een snelcursus schrijftechnieken leer je over verschillende soorten zinsbouw, hoe je de lezer ertoe kunt overhalen te blijven lezen door de alinea’s zorgvuldig aan elkaar te schakelen en hoe je het thema van je boek in de tekst tot uiting kunt laten komen. En je krijgt een inkijk in de manier waarop de auteur zelf een aantal problemen heeft aangepakt.

Wilt u een verhaal of een boek schrijven? Dan helpt dit werk u zeker op weg. Er staan geen pasklare recepten in, want iedere auteur ontwikkelt een eigen methode. Maar het is wel de geknipte gids waarmee u het hoofd kunt bieden aan de hindernissen die bij het schrijven horen. De hoofdopgave is immers voor iedere schrijver dezelfde: de lezer meeslepen in een spannend verhaal.

Of u al dan niet van plan bent om zelf te schrijven, u krijgt in ieder geval een goed beeld van de ontwikkeling van een boek en veel ontzag voor het schrijversvak. Omdat Elizabeth George haar betoog stoffeert met fragmenten uit werken van haar favoriete auteurs, wordt uw leeslijstje bovendien aangevuld met een schat aan suggesties.

Dit boek laat zich lezen als een thriller. Maar dat had u heel zeker niet anders verwacht.

© Minervaria

woensdag 31 augustus 2011

Debatteren om te winnen

VAN GRIEKEN, R., A. NOORDHUIS & D. PIRAS, Debatteren om te winnen. De kunst van het overtuigen. Zaltbommel, Uitg. Haystack, 2011, 165 pp. – ISBN 978 90 7788 138 5

Wil je sneller en doeltreffender kunnen reageren in vergaderingen, presentaties, debatten of discussies? Moet je mensen kunnen overtuigen van je inzichten, om iets te kopen of een beslissing te nemen? Dan is Debatteren om te winnen iets voor jou.

De auteurs hebben duizenden professionals getraind en begeleid in het overtuigend presenteren, argumenteren en debatteren. In dit boek helpen ze je op weg om overtuigender te spreken, te argumenteren en te debatteren. Ze geven inzicht in de basisprincipes van retorica en vertalen ze naar de dagelijkse praktijk.

Je leert hoe je je goed kunt voorbereiden op discussies, presentaties, onderhandelingen en vergaderingen. Je krijgt handvatten aangereikt om zelfverzekerd over te komen, en tips om de zenuwen te bedwingen en om spreekangst te overwinnen. Een spreker die zichzelf geloofwaardig presenteert is immers van doorslaggevend belang voor de overtuigingskracht van het betoog.

Een goede spreker spreekt ook de emoties van het publiek aan. De auteurs leggen daarom uit hoe je een gestroomlijnd betoog kan opbouwen, dat de toehoorders blijft boeien. Ze stellen ook een aantal effectieve stijlfiguren voor waarmee je je verhaal krachtiger kan maken.

Een deugdelijk betoog moet uiteraard ook stevig onderbouwd zijn. In het boek wordt uitgebreid ingegaan op deugdelijke argumentatie. Aan de orde komen het onderscheid tussen sterke en zwakkere argumenten, hoe je je op replieken kunt voorbereiden en hoe je adequate tegenargumentatie levert. Inzicht in de wetmatigheden van het debat kan je helpen om strategischer te argumenteren.

De auteurs geven verder een beknopt overzicht van de meest voorkomende soorten drogredenen. Ze vertellen je hoe je ze vlot kunt herkennen, je er zo goed mogelijk kunt op voorbereiden en hoe je ze onschadelijk kan maken. Daarmee worden debatten inhoudelijk op een hoger plan getild.

Wil je overtuigen dan moeten je presentatie, stijl en inhoud ook afgestemd zijn op de doelgroep. Je krijgt tips om soepel in te spelen op je publiek, door middel van een passende presentatie en vorm, en door de argumentatie toe te spitsen op de toehoorders.

In een goed debat worden ideeën, concepten en standpunten duidelijk uitgelegd en scherp getoetst. Dit draagt bij aan nieuwe inzichten en degelijke besluitvorming. In het laatste hoofdstuk komt de essentie van een goed debat aan de orde en hoe je dit in praktijk kunt brengen. Niet voor niets wordt het debat meer dan eens de ‘zuurstof van de democratie’ genoemd, menen de auteurs.

Dit boek is bestemd voor iedereen die overtuigend moet kunnen communiceren. Blijkens de voorbeelden hebben de auteurs vooral mensen uit het bedrijfsleven en de politiek op het oog. Volgens mij kunnen ook leerkrachten en werkers in de non-profitsector er hun voordeel mee doen.

De tekst is helder geschreven en laat zich zeer vlot lezen. Het boek is gebonden, heeft een harde kaft en is daardoor zeer gemakkelijk als naslagwerk te gebruiken. Wie een boodschap kort en helder wil kunnen overbrengen en snel en doeltreffend wil kunnen reageren zal met dit werk zeker zijn voordeel kunnen doen.

© Minervaria

donderdag 22 oktober 2009

Dageraad. Hoe taal de mens maakte

SMITS, R., Dageraad. Hoe taal de mens maakte. A’dam, Uitg. Nw. Amsterdam, 2009, 272 pp. – ISBN 978 90 468 0389 9

Een van de best bewaarde mysteries in de evolutionaire geschiedenis van de mens is de oorsprong en ontwikkeling van taal. Dat hoeft niet te verbazen want het gesproken woord vervliegt en laat geen sporen na. Wanneer de mens begon te spreken en hoe dit precies in zijn werk ging zal waarschijnlijk altijd in nevelen gehuld blijven. We kunnen alleen op basis van indirecte aanwijzingen gissen naar de oorsprong van het meest wezenlijke van alle menselijke vermogens.

Het taalvermogen moet de vroege mens in ieder geval evolutionair voordeel hebben opgeleverd. Lange tijd werd aangenomen dat de menselijke taal zich heeft ontwikkeld als een gesofisticeerd communicatiesysteem voor de jacht. Robin Dunbar, een autoriteit op het gebied, verlegde het accent naar de dagelijkse sociale interacties binnen jager-verzamelaarsamenlevingen.

Rik Smits, taalkundige en wetenschapsjournalist, heeft zo zijn eigen ideeën over het ontstaan van taal en de functie ervan in de menselijke evolutie. Volgens hem kan de noodzaak aan communicatie niet aan de basis liggen van de menselijke taal. De argumenten pro doorstaan zijn kritische analyse niet en vanuit verschillende invalshoeken zijn degelijke tegenargumenten te bedenken. De vraag is hoe het ontstaan van taal dan wel te verklaren is.

Volgens Smits spruit het taalvermogen voort uit de rijke binnenwereld van de mens. Mensen en dieren onderscheiden zich essentieel van elkaar door de kwaliteit van hun binnenwereld. Met behulp van de binnenwereld verwerken zowel mensen als dieren de indrukken van de buitenwereld om er gepast op te reageren. Maar anders dan bij dieren leidt de binnenwereld van mensen een actief zelfstandig bestaan. In hun onrustige geest borrelen onophoudelijk en ogenschijnlijk spontaan allerlei gedachten, gevoelens en activiteiten op. Mensen zijn, zelfs als ze rusten, innerlijk altijd bezig. Ze hebben bovendien een aangeboren aandrang om met de dingen om te gaan, om dingen anders te doen en hun vermogens telkens op een andere manier in te zetten en te benutten.

Smits reconstrueert het ontstaan en de ontwikkeling van die binnenwereld. Het vermogen om te gooien speelt daarbij een cruciale rol. Die heeft onze groeiende hersenen een gesofisticeerde rekenmachine opgeleverd, die van nut bleek voor andere vermogens zoals het vormen van concepten, logisch en abstract redeneren, tijdsbesef, gevoel voor ritme en zang. Die waren afzonderlijk allemaal nuttig voor het overleven en hebben er samen voor gezorgd dat mensen een zelfstandig opererende binnenwereld verwierven waarmee ze creatief konden denken en steeds nieuwe oplossingen konden verzinnen.
De integratie van deze vermogens moest wel leiden tot het ontstaan van taal als instrument om ze te structureren en te ordenen.

Taal is dus een noodzakelijk uitvloeisel van de ontwikkeling van een onafhankelijke binnenwereld. Dit kan volgens Smits niet eerder gebeurd zijn dan nadat er bij mensen ook een individueel bewustzijn was gegroeid. Voor het gebruik van taal zoals wij die kennen is zelfbesef nodig, het gevoel een afzonderlijk persoon te zijn en niet op te gaan in een of andere collectiviteit. Hij beredeneert dat dit proces betrekkelijk kort voor de landbouwrevolutie in het Midden-Oosten moet hebben plaats gevonden. Volgens hem vinden we zelfs sporen van de herinnering aan dat vroegere niet-individuele bewustzijn in een antiek werk als de Ilias.

Hij maakt zich verder sterk dat deze ontwikkeling nog helemaal niet af is. Hiervoor meent hij bewijzen te zien in de snelle maatschappelijke evolutie in de afgelopen eeuwen, waarin de waarde van de individuele mens als maatstaf steeds belangrijker wordt. Of dit een valabel argument kan zijn is uiteraard betwistbaar, want sterk beïnvloed door een Westerse individualistische kijk op mens en samenleving.

Bij gebrek aan getuigen en betrouwbare gegevens valt er over de evolutie van taal niet echt iets te bewijzen. Het verhaal van Smits is dan ook speculatief, en dat geeft hij zelf toe. Bij bepaalde stellingen had ik zeker bedenkingen, maar andere lijken me echt wel stevig te staan. Recent is er ook bewijsmateriaal opgedoken voor zijn theorie over de wijze waarop mensen in de gaten kregen hoe zaden zich ontwikkelen tot planten, wat hen op het idee bracht ze te kweken en te domesticeren.

De spitsvondige redeneringen van Smits en de intelligente combinatie van gegevens uit zeer uiteenlopende wetenschappelijke disciplines leveren een uitstekende uitdaging voor de geest. In de geest van Ockham hanteert hij het mes van de eenvoud. Zijn nuchtere en praktische interpretatie van archeologische vondsten heeft me zeer aangesproken.

Smits is geen wetenschapper, maar heeft zich zeer degelijk geïnformeerd en ontzettend veelzijdig gedocumenteerd. Hij lanceert in ieder geval een originele visie op het ontstaan van taal en hoe die met het mens-zijn verweven is. En hij verzamelt en combineert een schat aan gegevens uit zeer diverse hoeken, o.a. een boeiende vergelijkende analyse van de Ilias en de Odyssee.

Het verhaal van de menselijke taal is zeker niet eenvoudig en Rik Smits doet zijn best om het zo verteerbaar mogelijk te presenteren. Volgens mij had dit beter gekund. De journalist met de vlotte pen laat zich te gemakkelijk verleiden tot weliswaar meeslepende verhalen en sfeerbeelden, de essentie van het betoog wordt daardoor helaas wat vertroebeld. Een meer systematische benadering had misschien een minder aantrekkelijk resultaat opgeleverd, maar de redenering wellicht beter toegankelijk gemaakt.

Ondanks deze bedenkingen blijft het toch een boeiend en zeer inspirerend boek.

© Minervaria

maandag 11 mei 2009

Dat bedoelde ik niet



TANNEN, D., Dat bedoelde ik niet. Hoe taal relaties maakt of breekt. (Vert. That’s Not What I Meant, 1986) A’dam, Prometheus, 1994 (7e dr.), 217 pp. – ISBN 90 5333 103 4

Je zegt iets en merkt dat je woorden anders worden opgevat dan je bedoeld had. Je probeert behulpzaam te zijn en wordt opdringerig gevonden. Je probeert discreet te zijn en wordt als koel bestempeld. Je wilt eerlijk zijn en wordt agressief gevonden. Je wilt niet zeuren en men neemt je problemen niet serieus. Je probeert met je partner een misverstand uit te praten en eindigt bijna in slaande ruzie.

Communicatiestoornissen en herhaalde misverstanden lijken ons soms zo hardnekkig te achtervolgen dat we gaan denken dat er iets mis is met ons of de andere. Deborah Tannen, hoogleraar linguïstiek, toont aan dat dit niet het geval hoeft te zijn. Veel communicatieproblemen tussen mensen wortelen in een verschil in conversationele of spreekstijl. Als we opgroeien leren wij immers taal hanteren op de wijze die gebruikelijk en wenselijk is in de omstandigheden waarin we opgroeien. Ieder van ons heeft zo eigen spreekstijl ontwikkeld die past binnen een bepaalde cultuur. Communicatie tussen mensen is min of meer communicatie tussen twee culturen.

Dit mag meteen duidelijk zijn bij gesprekken tussen mensen uit verschillende delen van de wereld, maar het speelt ook een rol tussen mensen van verschillend geslacht, verschillende generaties of streken binnen hetzelfde land. En omdat we allen opgegroeid zijn in families en gezinnen waarin verschillende geplogenheden heersen met betrekking tot de wijze waarop je met anderen omgaat en praat, speelt het ook gewoon tussen mensen die buren zijn. Tussen intieme partners is het de belangrijkste bron van onenigheid zelfs over banale onderwerpen.

Voor we gaan spreken bedenken meestal wát we zullen zeggen, slechts zelden overwegen we hóe we het zeggen. In gesprekken letten we doorgaans op de informatie zelf, maar veel minder op de onuitgesproken boodschappen. Nochtans hebben die een veel grotere invloed omdat we ze onbewust als de bedoeling van onze gesprekspartner interpreteren. Tegelijk worden veel van onze eigen beweegredenen nooit of ànders door onze gesprekspartner waargenomen, omdat die let op de conversationele signalen die we vanzelfsprekend hanteren en waarvan we ons niet bewust zijn.

Subtiele verschillen in conversationele stijl kunnen in het begin slechts kleine, maar op de duur enorme misverstanden en teleurstellingen tot gevolg hebben. Veel schijnbaar onverklaarbaar gedrag is een reactie van anderen op onze speekstijl die hen besluiten laat trekken die wij nooit zouden verwachten.

In eerste instantie geeft Tannen inzicht hoe conversationele stijl werkt. Ze verduidelijkt hoe wij door middel van conversationele signalen, zoals luidheid of tempo, en conversationele middelen, zoals vragen stellen en klagen, steeds een evenwicht zoeken tussen betrokkenheid en onafhankelijkheid. Daarna legt ze uit waarom we niet willen en ook niet kúnnen zeggen wat we bedoelen zelfs àls we het zouden willen. De waarheid heeft zoveel facetten dat ze nooit helemaal kan worden verteld. Ze verheldert hoe inkaderen werkt en hoe we door middel van indirecte boodschappen zowel onze solidariteit als onze status tonen. Maar het is de betekenis die de andere geeft aan onze conversationele stijl die bepaalt welk effect wij met onze boodschap sorteren.

Vervolgens verheldert ze hoe deze processen werken in de dagelijkse gezins- en liefdesrelaties. Waarom konden partners het in de eerste jaren zo goed met elkaar vinden, en lijkt het met de jaren alleen maar slechter te gaan? Hoe zit het met de verschillen in conversationele stijl tussen mannen en vrouwen? En waarom komt kritiek uit de privé-sfeer doorgaans zo hard aan?

Als het de andere is die bepaalt hoe onze boodschap overkomt, hoe kunnen wij daar dan invloed op uitoefenen? We komen volgens Tanner al een heel eind wanneer we beseffen dat er misverstanden en irritaties kunnen ontstaan zonder dat er iemand gek is, gemeen of oneerlijk. Wij kunnen leren stilstaan bij het feit dat anderen misschien niet bedoelen wat wij hen hebben horen zeggen, en dat zij andere dingen horen dan wij hen zeggen. Een beter begrip van de verschillen in conversationele stijl en de gevolgen ervan op de communicatie kan ons helpen veel misverstanden te vermijden of op zijn minst op te helderen. Het kan een opluchting zijn te weten dat een meer harmonieuze communicatie ook kan lukken zonder psychologiseren.

Dit al wat ouder boek is nog steeds niet gedateerd en het onderwerp blijft actueel. Het laat zich over het algemeen vlot lezen, vooral door de herkenbare illustraties. Toch vraagt het nogal wat concentratie om de puzzel te leggen van begrippen en processen in de communicatie.

© Minervaria

zaterdag 30 augustus 2008

Je begrijpt me gewoon niet

TANNEN, D., Je begrijpt me gewoon niet. Hoe mannen en vrouwen met elkaar praten. A’dam, Uitg. Bakker, 2006 (16e dr.), 346 pp. – ISBN 978 90 351 3009 8

Conflicten en misverstanden tussen mensen uit verschillende culturen lijken ons vrij vanzelfsprekend. We weten onderhand dat ze te maken hebben met verschillende communicatiestijlen. Maar wanneer mannen en vrouwen met dezelfde culturele achtergrond met elkaar praten worden communicatieproblemen snel op rekening van persoonlijke tekortkoming of onwil geschoven.

De sociolinguïste Deborah Tannen toont in dit boek aan dat de schijnbaar onverklaarbare misverstanden tussen mannen en vrouwen echter evenzeer te maken hebben met verschillende conversationele stijlen als die tussen mensen uit verschillende culturen. Veel wrijvingen tussen mannen en vrouwen in relaties ontstaan doordat beide partijen behoren tot en opgroeien in wat in wezen verschillende culturen zijn. De wereld van mannen is een andere dan die van vrouwen. De spreekstijl van partners is de reflectie van een ander systeem.

Mannen groeien op en leven in een hiërarchische maatschappelijke orde, waarin je als individu een hogere of lagere positie inneemt. Het leven is een krachtmeting met onafhankelijkheid en status als inzet. Menselijke relaties worden als asymmetrisch beleefd en verschillen worden benadrukt. In deze wereld zijn gesprekken onderhandelingen waarin mensen zo mogelijk de overhand proberen te krijgen en te behouden, en zichzelf beschermen tegen pogingen van anderen om hen te overheersen en met hen te sollen. Mannen zijn dan ook eerder geneigd zich in een gesprek in een statuspositie te manoeuvreren en te domineren.

Vrouwen daarentegen benaderen de wereld als een netwerk van verbindingen, waarin het belangrijk is een levensgemeenschap te scheppen en in stand te houden met intimiteit en verbondenheid als doel. In deze wereld zijn gesprekken onderhandelingen met intimiteit als doel en waarbinnen mensen bevestiging en steun zoeken en geven en tot overeenstemming komen. Vrouwen letten in een gesprek op subtiele verschuivingen in verbondenheid en streven naar vriendschap en gelijkheid in bondgenootschappen.

Dit betekent niet dat onafhankelijkheid en status voor vrouwen onbelangrijk zijn, of dat mannen geen intimiteit of verbondenheid nastreven. Over het algemeen vinden zij deze respectieve doelen echter minder belangrijk. Het gaat dus om een verschil in gradatie.

Met dit uitgangspunt bespreekt Tannen een aantal vaak voorkomende misverstanden in en over communicatie van mannen en vrouwen. Als mannen spreken zijn ze bijvoorbeeld vooral gericht op het geven van informatie, vrouwen op het leggen van contact. Mannen zijn daardoor bij openbare gelegenheden vaak veel langer aan het woord, ook omdat ze status willen verwerven. Omwille van het contact zijn vrouwen geneigd gevoelens en geheimen te delen, wat door mannen vaak neerbuigend kletsen genoemd wordt. Vrouwen zijn over het algemeen, omdat ze verbondenheid nastreven, ook minder geneigd op de voorgrond te treden en worden daardoor vaker als incompetent en hulpeloos gezien. Vrouwen en mannen gaan op een andere manier om met conflicten en meningsverschillen. En vrouwen in Westerse maatschappijen geven eerder de voorkeur aan indirecte, mannen aan directe communicatie.

Die specifieke communicatiestijlen zijn reeds vroeg in de ontwikkeling aanwezig en blijven opmerkelijk constant doorheen de verschillende leeftijdsfasen. Opvallend is dat, over de culturen heen, de communicatiestijl van vrouwen systematisch lager gewaardeerd wordt dan die van mannen. Spreekstijlen die als mannelijk worden beschouwd, associeert men met leiderschap en gezag. Met als vrouwelijk geassocieerde spreekstijlen gebeurt dit niet. Daarom wordt van vrouwen bijna overal als vanzelfsprekend verwacht dat zij zich zullen aanpassen. En dat doen ze ook.

Man-vrouw conversatie is volgens Tannen dus communicatie tussen verschillende culturen. Daardoor praten mannen en vrouwen heel vaak langs elkaar heen. Een sociolinguïstische benadering van man-vrouw conversaties als communicatie tussen twee verschillende culturen verklaart gerechtvaardigde ongenoegens zonder iemand ervan te beschuldigen ongelijk te hebben of gek te zijn. Een verklaring doet de ongenoegens niet verdwijnen maar kan wederzijds onbegrip en kritiek uit de wereld helpen.

Deborah Tannen hoopt door haar werk ook de ongelijke waardering te counteren. Met haar analyse en in verschillende voorbeelden benadrukt zij dat mannen en vrouwen een verschillende maar volkomen gelijkwaardige spreekstijl hebben. Hiermee gaat ze in tegen de algemeen gekoesterde opvatting dat vrouwen een moeten proberen om mannen te begrijpen. Als we weten dat iedere spreekstijl waardevol is binnen een bepaald systeem, dan kunnen we ons beide aanpassen en leren van elkaars stijl.

Dit is een wel zeer optimistische visie. Ik betwijfel of het werkelijk zo eenvoudig ligt. In de eerste plaats is het streven naar hiërarchie en status in elke maatschappij veel agressiever en opvallender en levert het onmiddellijke en openlijke maatschappelijke voordelen op. In de tweede plaats zijn de meeste mannen niet zo geïnteresseerd in relationele en intermenselijke thema’s, en informeren ze zich daar niet over.

Vrouwen zullen zich dus, net omdat zij dit belangrijk vinden, blijvend meer moeten aanpassen als ze verbondenheid en intimiteit willen bereiken en een meer harmonieuze omgang met hun mannelijke partners. Tenzij ze zich daarbij neerleggen zullen ze dus ook vaker gefrustreerd en teleurgesteld blijven. Gelukkig zijn de meeste vrouwen sterk in het opbouwen van een hecht sociaal netwerk van vrouwen bij wie ze wel terecht kunnen.

Voor wie dit allemaal te seksistisch lijkt, is het wel goed te weten dat Tannen beseft dat ze generaliseert. Er zijn immers vrouwen die een communicatiestijl hanteren die aansluit bij die van de meeste mannen, en er zijn ook mannen met een meer vrouwelijke communicatiestijl. Het indelen van vrouwen en mannen in categorieën veegt individuele verschillen niet weg. Op talloze manieren is ieder mens volkomen verschillend van een ander en ook verschillend van de velen die tot dezelfde categorie behoren.

De spreekstijl die in het Westen algemeen door mannen resp. vrouwen gehanteerd wordt, kan bovendien in een andere cultuur best de algemene communicatiestijl zijn. Zo is in de meeste niet-westerse culturen een indirecte stijl gebruikelijk, die in het Westen als vrouwelijk wordt bestempeld.

De inzichten van Tannen zijn gebaseerd op studies in verschillende onderzoeksgebieden. Regelmatig blijft het bewijsmateriaal toch eerder anekdotisch. De vraag is of dit is gebeurd omwille van de leesbaarheid van het boek, dan wel dat er geen ander materiaal voorhanden was. Alhoewel haar theorie ook zonder dit bewijsmateriaal zeer goed herkenbaar is in de realiteit, mag dit niet de toetsteen worden voor de juistheid ervan.

Niettemin toch een aanrader, omdat begrip inderdaad veel ongenoegens minder zwaar doet wegen. En het is bovendien heel vlot leesbaar want geschreven in een eenvoudige taal.

© Minervaria

Kijk me aan terwijl je spreekt

donderdag 15 november 2007

Klantgericht communiceren

GRUBBEN, E. & R. PLATTEL, Klantgericht communiceren. Handleiding bij het schrijven van enthousiasmerende en overtuigende brieven. Den Haag, Sdu Uitgevers, Academic Service, 2006 (2e dr.), 164 pp. – ISBN 90 5261 563 2

Correspondentie is een onmisbare communicatievorm. De brief wordt bovendien weleens het visitekaartje genoemd van een bedrijf of een instelling. Helaas ziet dit er nogal eens beduimeld uit. De relatie met de klant, de uniciteit, het taalgebruik en de presentatie komen er vaak bekaaid af.

Grubben en Plattel reiken in dit boek technieken aan om brieven te schrijven die de klant overtuigen van de meerwaarde van een organisatie. Het is een praktische gids voor iedereen die brieven schrijft of er verantwoordelijk voor is.
Komen aan de orde:
- de succesfactoren voor effectieve correspondentie,
- de drie hoofdeisen voor geslaagde schriftelijke communicatie: strategische, klantgerichte en correcte en verzorgde correspondentie,
- technieken voor de opbouw van een brief en het formuleren van zinnen,
- veel voorkomende briefsoorten met tips en aandachtspunten, en
- adviezen voor standaardcorrespondentie, e-mails en faxen.

Het is een prettig leesbaar boek, praktisch en overzichtelijk opgesteld en vlot te raadplegen. Ook voor andere doeleinden dan het schrijven van brieven kan het een nuttige handleiding zijn.

De tweede druk is geactualiseerd en in overeenstemming gebracht met het Spellingbesluit-2005.

© Minervaria

woensdag 4 april 2007

Waar slaat dat nou weer op?

van EEMEREN, F. & R. GROOTENDORST, Waar slaat dat nou weer op? De taal van het meningsverschil. A'dam, Uitg. Contact, 1996, 142 pp. – ISBN 90 254 0458 8

Hoe maken mensen duidelijk dat ze het niet met elkaar eens zijn? En wat zeggen ze zoal als ze in een discussie met elkaar tot overeenstemming proberen te komen? Hoe laten ze elkaar weten of ze door elkaars argumentatie overtuigd zijn? Welke woorden en uitdrukkingen gebruiken ze daarbij? Waar slaat dit nou weer op is een inventarisatie van de taal van het meningsverschil.

In dit dunne boekje vind je een massa meer en minder gangbare woorden, uitdrukkingen, spreekwoorden en gezegden die gebruikt worden bij een meningsverschil. Ze zijn geordend naar het ideaalmodel van een redelijke discussie. De indeling van het boekje vertrekt dus bij de uiteenzetting van het standpunt, gaat over de argumentatie in verschillende vormen en eindigt met de afsluiting van de discussie.

Voor de typerende woordenschat aan de orde komt, wordt elke fase van een discussie ook kort toegelicht. Hieronder horen onder andere: wat is argumentatie, deugdelijke en ondeugdelijke argumentatie, de spelregels voor een redelijke discussie, het verdraaien van standpunten.

Het is een handig en leuk naslagwerkje, leerzaam en tegelijk een opfrissing voor wie regelmatig aan mondelinge en schriftelijke discussies deelneemt. En wie de eigen woordenschat terzake wil uitbreiden is er zeker aan het goede adres.

© Minervaria

woensdag 20 december 2006

Deze meneer wordt morgen geholpen

SPRINGORUM, D., 'Deze meneer wordt morgen geholpen'. Taalgebruik en communicatie in het ziekenhuis. Haarlem, Aramith, 2002, 144 pp. – ISBN 906834 192 8

Een ziekenhuisopname is een vervreemdende ervaring, vooral wanneer je er voor een ernstige aandoening terecht komt. De ontreddering en ontregeling die dit voor de patiënt en zijn omgeving meebrengt kan enkel goed beschreven worden door iemand die het zelf meemaakte.

Dick Springorum, taalkundige aan de KU Nijmegen, werd voor een ernstige aandoening in het ziekenhuis opgenomen. In dit boekje beschrijft hij op indringende en meeslepende wijze zijn eigen ziekte- en ziekenhuiservaringen.

Een ziekenhuis is een totale institutie. De regie over je eigen leven wordt je vriendelijk maar vastbesloten uit handen genomen. Het ziekenhuis hanteert regels die je leven plotseling tot in detail blijken te bepalen: dagindeling, eten en drinken, lichamelijke verzorging, en talloze grote en kleine en begrijpelijke en onbegrijpelijke onderzoeken.

Het komt allemaal aan de orde: de confrontatie met ziekte en de overrompelende veranderingen die dit teweegbrengt in je leven, de angst voor de toekomst, het wennen aan de nieuwe situatie, de onzekerheid over wat al dan niet nog zal kunnen, de eindigheid van het leven. Een ziekenhuisopname trekt je ook uit de gewone wereld weg, die doordraait en je blijkbaar niet nodig lijkt te hebben.

Als taalkundige kan Springorum het niet laten daarbij te letten op de taal en communicatie.
"Want ze vertellen je een heleboel, maar je moest eigenlijk iemand hebben die dat allemaal voor je vertaalt, iemand met wie je dat allemaal op je gemak, zonder tijdsdruk, eens kon doornemen, bepraten."

Het boekje leest enorm vlot, ook al door de grote letters. Het is zeer herkenbaar voor wie al een of meerdere ziekenhuisopnamen achter de rug heeft en enorm leerrijk voor wie niet in het geval was. En het zou verplichte lectuur moeten zijn voor alle hulpverleners, al dan niet in opleiding.

© Minervaria

zaterdag 4 november 2006

Folklore en volkswijsheden in Nederland en Vlaanderen

ter LAAN, Folklore en volkswijsheden in Nederland en Vlaanderen. Utrecht, Het Spectrum, 2005 (3e dr.), 542 pp. – ISBN 90 274 1804 7

Kornelis ter Laan was onderwijzer, kamerlid en burgemeester in Zaandam. Hij verzamelde ontelbare wetenswaardigheden, feiten en feitjes op veel terreinen en stelde hiermee verschillende encyclopedische werken samen. Het meest bekende is Nederlandse Spreekwoorden, Spreuken en Zegswijzen.
Dit boek is in 1949 verschenen als Folkloristisch Woordenboek van Nederland en Vlaams België.

Het Folkloristisch Woordenboek past helemaal in die traditie. In zo weinig mogelijk woorden probeert ter Laan alfabetisch gestructureerd zoveel mogelijk informatie over zoveel mogelijk onderwerpen te geven. Dit is meteen een tekort van dit boek: niet het culturele gewicht van de onderwerpen, maar wel de hoeveelheid gevonden informatie bepaalt de omvang van de artikelen. Daardoor krijgen belangrijke elementen vaak niet de uitleg die ze verdienen, en relatief onbelangrijke zaken ten onrechte teveel ruimte.

Tweede beperking is dat ter Laan de juistheid van zijn gegevens niet heeft getoetst. De informatie in het boek, o.a. over de oorsprong van gebruiken en uitdrukkingen, is dus niet noodzakelijk correct.

Ook al zijn de opvattingen en inzichten over de volkscultuur sinds het eerste verschijnen van het boek veranderd, toch weet men over veel onderwerpen nog niet veel meer dan toen. Hier staan dus heel veel data uit een grote verscheidenheid aan nauwelijks toegankelijke bronnen handig bij elkaar. Het boek biedt een breed en kleurrijk palet van vooral de Nederlandse en in mindere mate de Vlaamse folklore tot het midden van de vorige eeuw.

© Minervaria

woensdag 23 augustus 2006

Verhalen presenteren

OOSTERHOUT, B., Verhalen presenteren. De kunst van het vertellen. Rijswijk, Uitg. Elmar, 1999, 115 pp. – ISBN 90 389 0856 3

Mensen vertellen elkaar verhalen. Het is een sociale activiteit die al sinds mensenheugenis wordt bedreven. Verhalen vertellen past binnen een orale traditie, en heeft daarin verschillende functies. Als het vertellen van verhalen een culturele activiteit is wordt het kunst. Het boek richt zich vooral op het laatste: de kunst van het vertellen, als een theatervorm dus.

Oosterhout begint zijn verhaal in het eerste hoofdstuk met een theoretisch kader van alle begrippen die voor het vertellen van belang zijn. Hij maakt hiervoor gebruik van de theaterwetenschap, de communicatiewetenschappen en de semiotiek.

In de volgende hoofdstukjes bespreekt hij telkens een aspect van de opbouw van een vertelvoorstelling. Daarin worden vooral de technieken behandeld en de keuzes die daarvoor gemaakt moeten worden.

Wie vooral belangstelling heeft voor het schrijven van verhalen komt aan zijn trekken in het 5e hoofdstuk. Daarin zijn de keuze en de structuur van het verhaal aan de orde.

In het voorlaatste hoofdstuk richt hij zich tot vertellers in een niet-theatrale context, in het onderwijs of een lezing. Hier worden suggesties gegeven om een inhoud al vertellend op een boeiende manier over te brengen.

Als afsluiter krijgt de lezer 25 speloefeningen, opgesteld voor de professionele vertelkunst, maar evenzeer bruikbaar voor opleidingssituaties (bijvoorbeeld supervisie).

Oosterhout studeerde Nederlands, theaterwetenschappen en psychologie, schreef verschillende sprookjesboeken en is zelf werkzaam als verhalenverteller. Hij heeft zich goed gedocumenteerd, en verwijst naar werken die ook voor schrijvers interessant zijn. Er is een uitgebreide begrippenlijst opgenomen en een notenlijst.

Dit is een tegelijk handig en handzaam boekje. In een zeer kort bestek worden op een heldere wijze de belangrijkste aspecten van het vertellen voorgesteld. Het is makkelijk mee te nemen en door de inzichtelijke structuur en de korte hoofdstukjes vlot door te nemen. Wie dieper wil graven kan beroep doen op de literatuurlijst.
Het is een aanrader voor al wie zijn gehoor wil boeien.

© Minervaria

zondag 15 mei 2005

Klare taal

VAN COILLIE, J., Klare taal. Efficiënt leren schrijven. Leuven, Davidsfonds, 2002, 211 pp. – ISBN 90 6306 440 3

Vlotte zakelijke teksten schrijven waar de lezer iets mee kan, het is niet eenvoudig. Dit boek is een handleiding voor het schrijven van een efficiënte, dit wil zeggen doel- en lezergerichte tekst. Het gaat over vormgeving, opbouw, inhoud en stijl. Wie een tekst schrijft moet zich vooral bezig houden met het effect ervan: wat en wie is het doel?

Het is een doe-boek, met veel oefeningen voor wie de eigen schrijfstijl wil verbeteren en/of anderen wil leren hoe ze het moeten doen.

Dit is een basisboek met duidelijke taaladviezen, honderden voorbeelden en praktische oefeningen. Het is aantrekkelijk opgesteld en gepresenteerd, verlucht met cartoons van Stefaan Provijn. Een alfabetische trefwoordenlijst maakt opzoeken gemakkelijk.

Minder uitgebreid dan Schrijfwijzer, maar wat inhoud betreft vergelijkbaar met Schrijfwijzer Compact.

© Minervaria

woensdag 27 april 2005

Het geheim van de schrijver

DORRESTEIN, R. Het geheim van de schrijver. A'dam/A'pen, Uitg. Contact, 2000, 247 pp. – ISBN 90 254 9894 9

Wie de ambitie heeft om een roman te schrijven wil iets vertellen wat voor hem of haar betekenis heeft, verhalen die de lezer moeten verontrusten of amuseren. Niets of niemand zit daar echter op te wachten. Als je dus verhalen wil schrijven die iets betekenen, moeten die ook willen gelezen worden. Maar hoe weet je of jouw verhaal ook de lezer iets zal zeggen? Schrijven is immers communiceren. Niet de schrijver moet vertederd zijn of geamuseerd, maar de lezer. De lezer moet het verhaal willen/kunnen volgen en erin mee gaan. De hamvraag is dus: hoe komt het verhaal tot zijn recht?

Wie kan beter schrijven over schrijven dan een schrijver? Dit boek is bedoeld als handleiding voor de beginnende schrijver. De eigen ervaringen van de schrijfster zijn haar belangrijkste leidraad. De eigen meer en minder succesvolle initiatieven worden aan een kritische analyse onderworpen. Dorrestein vertelt daarmee ook een persoonlijk verhaal over vallen en opstaan, falen en succes. Het resultaat is een boek dat bol staat van de richtlijnen om fictie neer te zetten die uitnodigt tot lezen.

Het boek bevat 3 delen, geloof, hoop en liefde genoemd. Geloof gaat over de betekenis, het nut en de functie van literatuur. Het is de overtuiging van de auteur dat literatuur verontrustend moet zijn. Fictie slaat een brug naar verdrongen emoties en kennis, laat zien dat verdriet en verlies onlosmakelijk het leven horen. Het is de articulatie van het onvermijdelijke lijden. Fictie biedt daardoor een realistische en inclusieve kijk op het leven.

Hoop behandelt de ambachtelijke kanten van het schrijven. Hier geeft Dorrestein talrijke technische adviezen over o.a. compositie en stijl. Ook de valkuilen komen uitgebreid aan de orde.
De lezer, de anonieme instantie die het oog van de buitenwereld vertegenwoordigt, vraagt zich tenslotte allerlei af over de schrijver en het schrijfproces: waar haalt ie de inspiratie, hoe werkt de schrijver?

In Liefde beantwoordt Dorrestein een aantal van deze vragen, en ontkracht daarmee de meest gangbare mythes die het schrijverschap omgeven.

Voor een doorzichtige structuur neem je als lezer best notities, want die is op het eerste zicht niet zo duidelijk. Achteraan vindt men een handig trefwoordenregister. Er is een bronnenlijst met werken van schrijvers over schrijven.

Het boek mag dan wel als handleiding bedoeld zijn, het leest als een roman. Zoals men van een schrijfster mag verwachten is de tekst zeer vlot leesbaar en inzichtelijk. Geheel in haar eigen stijl, behandelt Renate Dorrestein het thema gevat (bv. "Schrijven is verwachtingen wekken en die vervolgens inlossen.") en met humor.

© Minervaria

vrijdag 26 december 2003

Strategisch communiceren

SPRINGORUM, D., Strategisch communiceren. Interactiestrategieën in het taalverkeer. Bussum, Coutinho, 2003 (2e dr.), 172 pp. – ISBN 90 6283 332 2

Dit is de tweede herziene druk van een boek dat reeds 10 jaar oud is. Het is geschreven voor studenten van opleidingen (hbo- of wo) waarbij studie van menselijke communicatie een onderdeel van het programma vormt.

In dit boek worden de factoren behandeld die menselijke communicatie beïnvloeden en vaardigheden om die inzichten ook in de praktijk te brengen.
Het laatste hoofdstuk bevat een aantal opdrachten over interactieproblemen.

Een interessant boek voor alle onderdelen van een opleiding waarin menselijke communicatie en interactie aan de orde komt.
Vlot en zeer leesbaar geschreven.

© Minervaria

donderdag 26 juni 2003

Redactiewijzer

van der HORST, P.J., Redactiewijzer. Den Haag, SDU, 2001 (7e herz. dr.), 205 pp. – ISBN 90 5797 049 X

Als een tekst waardevol of interessant genoeg is voor verspreiding, is die ook waard om goed verzorgd te worden. Er moet heel veel met een tekst gebeuren vooraleer die naar de drukker kan. Daarvoor is de redacteur verantwoordelijk. Een redacteur is diegene die zich bekommert om de kwaliteit van een tekst in de breedste zin van het woord. Vooraleer deze instelling komt, kan een goede voorbereiding de schrijver zelf ook veel tijd en eventueel kosten besparen. Het uiteindelijke resultaat zal waarschijnlijk ook beter zijn.

Redactiewijzer gaat uitvoerig in op de taalkundige, inhoudelijke én typografische verzorging van teksten. Vorm en inhoud zijn immers sterk verbonden: de toegankelijkheid en leesbaarheid van een tekst wordt voor een groot deel bepaald door de vormgeving.

Dit boek is nuttig voor iedereen die teksten opstelt of redigeert die voor verspreiding bedoeld zijn, o.a. rapporten, scripties, artikelen, boeken. Het bevat een keur aan adviezen (geen voorschriften), en meestal worden verschillende mogelijke oplossingen voor een probleem aangegeven, soms met de voorkeur van de auteur.

Er zijn veel sprekende voorbeelden opgenomen, die deze adviezen mooi ondersteunen. In de zevende herziene druk is ook de nieuwe speling verwerkt, en het boek is uitgebreid met de mogelijkheden van de tekstverwerker.

© Minervaria

vrijdag 25 oktober 2002

Bij de tekst

VAN COILLIE, J. e.a., Bij de tekst. Schrijfboek voor sociaal werkers. Wolters Plantyn, 2000, 216 pp. – ISBN 90 309 7488 5

Zoals de titel zegt, richt dit boek zich tot sociaal werkers, die vaak goed leesbare verslagen moeten schrijven. Toch kan iedereen die een tekst of rapport moet schrijven er iets uit leren.

In een eerste deel komen basisvaardigheden voor het schrijven aan de orde: observatie en interpretatie van gegevens, de vorm van een tekst en efficiënt schrijven. Hierin krijgt het ordenen van gedachten een mooie uitwerking.

In een tweede deel komen een aantal schrijfvormen aan de orde: verschillende soorten verslag, de brief, de memo en het rapport.

Het boek bevat veel tips voor efficiënt schrijven, er zijn voldoende voorbeelden en het geheel is overzichtelijk gepresenteerd. Het is vooral een praktisch werkinstrument, ook voor het schrijven van scripties.

© Minervaria

donderdag 13 juni 2002

Schrijfwijzer

RENKEMA, J., Schrijfwijzer. Den Haag, SDU, 2002 (4e dr.), 468 pp. – ISBN 90 120 9023

Een tekst is pas een goede tekst wanneer het taalgebruik de lezer aanspreekt, wanneer de opbouw duidelijk is en wanneer de formulering niet nodeloos ingewikkeld is.

Dit boek wil schrijvers helpen bij problemen die zich bij het schrijven van allerlei teksten kunnen voordoen. Je krijgt er een antwoord op lastige kwesties. Is deze tekst wel geschikt voor de lezer? Wat moet er in een inleiding staan? Moet hier een nieuwe alinea beginnen? Loopt deze zin wel goed? Is dit woord correct? Waar moet de komma staan?
Deze vragen gaan over begrijpelijkheid van een tekst en over taalverzorging. Antwoorden op deze vragen komen in dit boek ruimschoots aan de orde.

Of een tekst begrijpelijk is hangt samen met de stijl en de opbouw van een tekst en met het leesgemak. Verzorgd taalgebruik, spellingkwesties en het gebruik van leestekens zijn vragen over taalverzorging. Elk van deze onderwerpen wordt in een afzonderlijk hoofdstuk grondig besproken. Bij elk thema worden de richtlijnen geïllustreerd met sprekende voorbeelden.

Het boek is vooral een naslagwerk. Daarom is een register opgenomen waar men heel vlug een bepaald thema kan opzoeken.

Een waardevolle wegwijzer voor wie al dan niet regelmatig teksten schrijft. Regelmatig wordt het werk herzien. Bij de laatste herziening is de inhoud behoorlijk uitgebreid. Men heeft ten behoeve van een breder publiek ook gezorgd voor een betere leesbaarheid.

© Minervaria