Posts tonen met het label Geneeskunde. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Geneeskunde. Alle posts tonen

woensdag 31 oktober 2018

Griep


KOLATA, G., Griep. Het verhaal van de grote influenza-epidemie van 1918 en de zoektocht naar het dodelijke virus. (Vert. Flu: The Story of the Great Influenza Pandemic of 1918, 1999) A’dam, De Bezige Bij, 2000, 410 pp. – ISBN 978 90 234 3985 6

Alsof de eerste wereldoorlog nog niet genoeg ellende had gebracht, sloeg in de herfst van het laatste oorlogsjaar een dodelijke griep toe. De Spaanse griep eiste in 1918 binnen vier maanden bijna 5 maal meer mensenlevens dan de oorlog in vier jaar. Recente schattingen spreken van minstens 50 miljoen slachtoffers wereldwijd.

De plaag verspreidde zich razendsnel over de hele aarde, tot in de verste uithoeken van de wereld. Het was een griep zoals niemand die ooit had meegemaakt. Overal waar het toesloeg maakte het virus slachtoffers onder een groep mensen wie de vernietigende werking van een besmettelijke ziekte normaliter bespaard bleef, namelijk de jonge volwassenen.

Daarmee stelt de griepepidemie van 1918 alle andere epidemieën van deze eeuw in de schaduw. Er stierven zoveel mensen dat de gemiddelde levensverwachting in de meeste landen in één klap met 10 jaar daalde. Er hangt er echter een grote stilte over deze tragedie. Aan de verwoestende griepepidemie van 1918 is nauwelijks aandacht besteed en ze is opvallend schaars gedocumenteerd.

Toen de epidemie uitbrak had men nog geen idee van virussen en men beschikte evenmin over de kennis en technologie om de ziekteverwekker op het spoor te komen. Bijna 50 jaar na de uitbraak probeerden avontuurlijke en bevlogen microbiologen deze alsnog te vinden. Dit was uiteraard geen sinecure. Gina Kolata, zelf microbiologe, beschrijft hun verbeten zoektocht in verschillende continenten, tot de meest onherbergzame uithoeken van de wereld.

Ondanks alle vooruitgang die in de moleculaire biologie en de genetica sinds 1918 was geboekt, waren de raadsels aan het einde van het vorige millennium nog niet opgelost. Waarom doodde de griep bij voorkeur jonge, gezonde mensen tussen 20 en 40 jaar? En waardoor was de griep van 1918 zo dodelijk? Over het antwoord kon men in 1999, het jaar van publicatie, nog slechts hypothesen formuleren. Intussen lijkt het Mysterie van de Spaanse griep opgelost.

Voor een microbiologe is de speurtocht naar een onbekend virus natuurlijk ongemeen boeiend. Maar in haar ijver om van Griep een spannende detectiveroman te maken verliest de auteur regelmatig de noden van de doorsnee geïnteresseerde lezer uit het oog. Die heeft niet zozeer behoefte aan een uitgebreide biografie van de onderzoekers, hoe ze eruit zagen, welke kledij ze bij voorkeur droegen of hun liefhebberijen. Deze informatie leidt alleen maar af van de draad van het verhaal.

Vaak miste ik een duidelijke en behapbare uitleg over hoe onderzoekers op hun ideeën kwamen en welke methoden ze hanteerden. Laboratoriumprocessen worden onvoldoende uitgelegd en er ontbreekt een lijst van de gebruikte microbiologische terminologie.

Niettemin slaagt Gina Kolata erin om de bewogen avonturen van de onderzoekers met verve weer te geven. Ze zet een vlot leesbaar werk neer dat het midden houdt tussen non-fictie en fictie.

© Minervaria

dinsdag 22 april 2014

Gezond

WOLFFERS, I., Gezond. De mens, zijn gezondheid en de gezondheidszorg. A’dam, Uitg. Nieuw Amsterdam, 2011, 432 pp – ISBN 978 90 468 0976 1

Op de gezondheid! Als we maar gezond zijn! Bij nagenoeg iedere viering wordt er op gezondheid en welzijn geklonken. Gezondheid wordt in onze samenleving blijkbaar beschouwd als topprioriteit. De voedingsnijverheid noemt haar producten bij voorkeur gezond, de fitnesssector houdt u gezond dank zij uitgekiende bewegingsprogramma’s. En in de alternatieve scene raakt u de weg kwijt tussen de supplementen, kristallen en armbanden die u een gezond leven beloven. Maar wat is gezond?

In Gezond exploreert Ivan Wolffers, de man achter het standaardwerk Medicijnen, hoe wij omgaan met gezondheid en ziekte en hoe onze gezondheidszorg geworden is tot wat zij nu is. Gezondheid blijkt verre van een eenduidig begrip. We spreken over een gezonde sfeer in een gezin of op school. Er is gezonde en ongezonde ontspanning. En het beleid dient te streven naar een gezonde economie en een gezonde politiek. Gezondheid lijkt wel een ideologie geworden. Met zulke hoge idealen moet de gezondheidszorg wel tekortschieten.

Ook als we ons beperken tot de gezondheidszorg wordt duidelijk dat gezondheid een ontzettend complex fenomeen is. Onze visie op gezondheid wordt bepaald door sociale en culturele factoren. Wat iemand gezond noemt is bovendien persoonlijk en hangt nauw samen met hoe men zichzelf ziet. Om mensen te helpen en te ondersteunen dient de gezondheidszorg aan te sluiten op hun persoonlijke verhaal.

Ondanks de spectaculaire vooruitgang van de medische wetenschap en de stijgende levensverwachting worden we steeds ongezonder. Het wordt steeds duidelijker dat we onze gezondheid de vernieling inrijden door de manier waarop we ons huidige leven inrichten. Ingrijpende veranderingen in onze voedings- en samenlevingsgewoonten ondermijnen de balans in ons lichaam en bezorgen ons nieuwe ziekten.

In onze overvloedmaatschappij is de gezondheidszorg bovendien zelf gaan lijden aan een aantal ziektes. Als gevolg van de vermarkting van de gezondheidszorg verdringen efficiëntie en kostenbesparing de prioriteiten van de gebruiker. De toenemende nadruk op de risico’s die gezonde mensen lopen lokt een spiraal uit van angst en voortdurende bezorgdheid dat er iets kan gebeuren. Die spanning legt echter een zware claim op de kwaliteit van het leven en kan mensen juist ziek maken.

Een belangrijke tekortkoming van de moderne westerse geneeskunde is wel dat men te weinig oor heeft voor het verhaal van de gebruiker. Die heeft vaak geen boodschap aan de heersende wetenschappelijke benadering en zoekt erkenning en herkenning in allerhande pseudowetenschappelijke zorg. Als we een duurzame en efficiënte gezondheidszorg willen ontwikkelen die toegankelijk is voor iedereen, zal de zorg veel meer moeten berusten op participatie. Ook andere evoluties, zoals het veranderende leefmilieu en de migratie, vragen een geschikte oplossing.

Dit lijvige boek laat zich het best omschrijven als een boeiende ontdekkingstocht door de wereld van gezondheid en gezondheidszorg. Wolffers maakt een scherpe analyse van wat er in de westerse gezondheidszorg goed en fout loopt. De combinatie van een artsenopleiding met een studie medische antropologie stelt hem in staat om de opvattingen over en de inrichting van de gezondheidszorg door een culturele bril te bekijken. Zo wordt duidelijk dat wij heel wat van andere culturen kunnen leren.

Laat u niet afschrikken door de omvang van dit werk. Het is geschreven als een causerie en u bent bij het laatste hoofdstuk voor u er erg in hebt.

© Minervaria

woensdag 16 oktober 2013

Wetenschap of kwakzalverij?

GOLDACRE, B., Wetenschap of kwakzalverij? Waarom oppeppende pillen rood, oranje of geel zijn en andere onthullingen. (Vert. Bad Science, 2009) Breda, De Geus, 2011, 446 pp. – ISBN 978 90 445 1730 9

Laat de titel van dit boek u niet op het verkeerde spoor zetten. Het is geen encyclopedie van absurde beweringen en overtuigingen. De oorspronkelijke titel, Bad Science, zegt beter waarover het gaat. Door slechte wetenschap kritisch door te lichten maakt Ben Goldacre duidelijk wat betrouwbare wetenschap is. En welk gebied is daarvoor meer geschikt dan de gezondheidszorg?

Daar wordt in de afgelopen jaren immers steeds meer onzin verkocht. Om de haverklap steken nieuwe theorieën de kop op die de meest absurde behandelwijzen aanprijzen. Ze ogen misschien spannender dan wat de gewone geneeskunde vertelt. Maar als je hun ‘wetenschappelijke’ aanspraken nauwkeurig analyseert, blijken ze gewoon flauwekul.

Dat wordt meteen duidelijk als Goldacre enkele van deze ‘nieuwe en baanbrekende’ gezondheidsideeën op de proef stelt. De populaire ontgiftings- en ontzuringskuren blijken de toets van het wetenschappelijk onderzoek niet te doorstaan. Zo leert u hoe een wetenschappelijk experiment in elkaar zit en hoe men controleert of een theorie klopt.

Een goede theorie is één ding, weten of een behandeling echt werkt een ander. Een rammelende theorie kan immers een geneeswijze opleveren die toch werkzaam lijkt. Een kritische analyse van de homeopathie onthult u de finesses van het wetenschappelijk onderzoek in de moderne, reguliere geneeskunde. Het wordt u duidelijk hoe tests verkeerd kunnen uitpakken en ten onrechte positieve resultaten kunnen geven. U maakt kennis met het placebo-effect en verneemt waarom mensen de neiging hebben de effecten van pillen te overschatten.

Maar kwakzalverij zoals homeopathie en ontgiftende voetbaden is eigenlijk vrij onschuldig. De echte volksverlakkers berokkenen veel meer schade aan de volksgezondheid. Ze misleiden de mensen willens en wetens met onbetrouwbare wetenschap en pakken het echt groots aan.

Met hun tegenstrijdige theorieën hebben zelfverklaarde voedingsdeskundigen een ware voedingshysterie ontketend. Deze nutritionisten slagen erin zich als wetenschappers voor te doen. Maar in feite belazeren ze de mensen met hun fabels over antioxidanten en de weldadige invloed van dure voedingssupplementen. Ze gaan bovendien achteloos voorbij aan de werkelijke oorzaken van een zwakke gezondheid, namelijk armoede en sociale achterstand.

Even schandalig is de wijze waarop de kwaadaardige farmaceutische industrie een loopje neemt met correcte wetenschap. Gegevens uit medicijntesten worden schaamteloos gemanipuleerd om positieve resultaten te kunnen presenteren en negatieve resultaten onder de mat te vegen. Zo heeft de farmaceutische industrie de onrustwekkende medicalisering van het dagelijkse leven in de hand gewerkt.

Ook de media hebben boter op het hoofd. Op de televisie komen kwakzalvers en zonderlingen de meest bizarre theorieën en onderzoeken verkondigen. Veel journalisten hebben er geen benul van hoe de resultaten van een wetenschappelijk onderzoek geïnterpreteerd moeten worden. Toch produceren ze met veel aplomb gezaghebbende artikels die voor wetenschap moeten doorgaan.

Een goed begrip van statistiek en de wetenschappelijke methode zijn trouwens van groot belang voor een juist begrip van de werkelijkheid. Zonder de betrouwbare kennis van de wetenschap zijn we overgeleverd aan misleidende cognitieve illusies. Intuïtief redeneren heeft in de geschiedenis al teveel onschuldige slachtoffers gemaakt, onder andere in de rechtspraak.

Ongemeen spitsvondig en met onvervalst Brits gevoel voor humor ontmaskert Ben Goldacre de kwakzalvers, de voedingssupplementenindustrie, de farmaceutische industrie en de moderne wetenschappelijke journalistiek. En hij toont met verve aan hoe de antwoorden van de wetenschap misschien niet eenvoudiger zijn en zeker niet hipper, maar wel veel meer steek houden.

Maar laat u niet misleiden door zijn lichtvoetig betoog. Zijn kruistocht is gegroeid uit oprechte verontwaardiging over de manier waarop de gewone mens belazerd wordt door gewiekste en gewetenloze zakenlui. Als u dit boek uit hebt doorziet u de trucs van de onzin, hebt u een goed inzicht verworven in hoe échte wetenschap werkt en bent u immuun tegen nieuwe varianten van flauwekul. En dat heeft u weinig moeite gekost want het laat zich lezen als een causerie.

© Minervaria

vrijdag 27 april 2012

Hij had beter dood kunnen zijn

van LOENEN, G., Hij had beter dood kunnen zijn. Oordelen over andermans leven. A’dam, Van Gennep, 2009, 222 pp. – ISBN 978 90 5515 393 0

Bij ondraaglijk en uitzichtloos lijden mogen mensen in Nederland en België kiezen voor de dood. Als belangrijkste reden wordt de zelfbeschikking aangevoerd: wie lijdt, mag zelf beslissen te sterven. De praktijk valt echter tegen. Het publiek denkt dat mensen recht hebben op euthanasie of hulp bij zelfdoding. Maar als ze dat recht vervolgens opeisen bij hun arts, blijken ze het niet te kunnen afdwingen. Want de zelfbeschikking van de patiënt is theorie. In de praktijk geeft het oordeel van de arts over het uitzichtloos en ondraaglijk lijden de doorslag.

Maar als bij opzettelijke levensbeëindiging het argument lijden belangrijker is dan zelfbeschikking, kun je dan toelaten dat mensen blijven lijden, enkel en alleen omdat ze niet om euthanasie kunnen vragen? De redenering luidt dan ‘Jan ligt al zoveel jaren in coma, zelf zou je dat toch nooit willen? Ik vind dat we hem waardig moeten laten sterven.’  Geleidelijk is zo de weg vrijgemaakt voor het ongevraagd verlossen van mensen uit hun lijden, voor levensbeëindiging zonder verzoek.

Journalist Gerd van Loenen maakt een kritische analyse van de beweegredenen van artsen om niet te reanimeren, om medische behandelingen te staken bij mensen in vegetatieve toestand en bij zieke of zwaar gehandicapte pasgeborenen, of om dodelijke middelen toe te dienen aan uitbehandelde patiënten die daar niet om hebben verzocht. In de meeste gevallen is er geen sprake van ondraaglijk en uitzichtloos lijden, maar luidt de rechtvaardiging dat het zinloos is om het leven van deze patiënt nog langer te rekken.

Wat bedoelt een arts als hij zegt dat behandeling ‘medisch zinloos’ is? En wie beslist dat en op grond waarvan? Oordeelt men in werkelijkheid niet te snel dat sommige mensen beter dood kunnen zijn, zelfs al lijden ze niet ondraaglijk en uitzichtloos maar zijn ze gehandicapt of zien ze een leven met beperkingen tegemoet? Het is zeker zo dat het leven van en met een gehandicapte mens zwaar is. Maar het is iets heel anders om te zeggen dat die mens daarom beter niet meer zou leven.

Als anderen in de plaats van de betrokken persoon gaan bepalen wat uitzichtloos en ondraaglijk lijden is, zitten we snel op een hellend vlak, zegt van Loenen. Artsen, maar ook mantelzorgers en ethici, oordelen over het leven van een ernstig zieke of gehandicapte persoon vanuit hun eigen levensbeschouwing. Ook de media gaan niet vrijuit. In de meeste documentaires en films over het thema wordt steevast een mensvisie naar voor geschoven die het leven met handicaps of beperkingen als minder gelukkig of waardevol acht.

Gehandicapt leven leidt voor deze beslissers en opiniemakers kennelijk enkel tot leed en niet tot geluk, en bestaat alleen uit kosten en niet ook uit baten. Niemand komt op het idee om gehandicapten, die dankzij reanimatie of medisch ingrijpen nog leven, te vragen hoe ze hun leven met beperkingen waarderen of om te observeren of ze een gelukkige indruk maken. Beperkingen leiden niet vanzelf tot uitzichtloos en ondraaglijk lijden, en als iemand dat goed kan beoordelen dan is het wel degene die zelf gehandicapt is.

We kunnen ons beter gewoon aan de euthanasiewet houden: levensbeëindiging op verzoek mag, levensbeëindiging zonder verzoek mag niet. Mensen kunnen zeker vanwege hun lijden afstand doen van het recht op leven, en liever sterven. Maar dat kunnen ze alleen vrijwillig doen. Als het om andermans leven gaat moeten we ons terughoudend opstellen en erin berusten dat iemand voortleeft in een situatie waarin we zelf misschien om euthanasie zouden vragen. We moeten accepteren dat iemand leeft zolang hij leeft, ook als we niet weten wat voor zin dat heeft.

Dit boek stelt een aspect van opzettelijke levensbeëindiging aan de orde, dat de inzet is van een vurig debat tussen voorstanders en tegenstanders van euthanasie en waarover in de media zelden gesproken wordt. Doorgaans worden de argumenten tegen euthanasie en de uitbreiding van de wet door religieuze groeperingen geclaimd. Daardoor vallen ze bij vrijzinnigen vaak in dovemansoren. Van Loenen toont aan dat deze waarschuwingen gegrond zijn, niet om religieuze redenen, maar omdat artsen zich voorbehouden te bepalen wat ondraaglijk en uitzichtloos lijden is.

Deze vaststelling roept bij mij twee bedenkingen op, die buiten het bestek van dit boek vallen. Ten eerste oordelen artsen, behalve over de ernst van het lijden, ook vaak voor een patiënt dat hij niet in staat is zelf te beslissen. De meeste psychiaters weigeren euthanasie of hulp bij zelfdoding omdat ze vinden dat de wens van hun patiënt om te sterven kan voortkomen uit zijn psychische ziekte. Daarmee is hulp bij zelfdoding voor psychisch zieken in de praktijk vrijwel onmogelijk. Geen zelfbeschikking dus voor wie psychisch ziek is. Het dramatische gevolg is dat psychisch zieke mensen met een stervenswens soms enkel een gruwelijke zelfdoding rest in mensonterende omstandigheden.

Niemand mag noch kan in de plaats van een ander oordelen dat zijn lijden zo ondraaglijk en uitzichtloos is dat het leven onleefbaar wordt, en daarom het leven van deze persoon opzettelijk bekorten of beëindigen. Deze duidelijke stellingname is meteen de aanleiding voor mijn tweede bedenking. Als zelfbeschikking, en niet medelijden, de ultieme grond is voor opzettelijke levensbeëindiging, dan kunnen artsen of mantelzorgers ook niet voor een ander oordelen dat zijn lijden niet uitzichtloos of ondraaglijk genoeg is. Zij kunnen hem of haar op deze grond dan ook euthanasie of hulp bij zelfdoding niet ontzeggen.

Dit waardevolle boek zet je aan het denken over het grijze gebied in de gezondheidszorg waar moeilijke beslissingen moeten genomen worden over leven en dood. Het is geheel toegesneden op de Nederlandse situatie, maar het thema – de verdediging van de onmondige mens tegen de medische almacht – is grensoverschrijdend. De tekst is toegankelijk geschreven en laat zich vlot lezen.

@  Minervaria

donderdag 8 maart 2012

Over geneeskundigen en geneeskunst

BROOS, P., Over geneeskundigen en geneeskunst. De evolutie van het medische denken door de eeuwen heen. Leuven, Uitg. Davidsfonds, 2011, 335 pp. – ISBN 978 90 5826 837 2

Ziek zijn was nooit een pretje. Toch kun je maar beter ziek zijn in deze tijd dan vijftig jaar of langer geleden. De technologische vooruitgang stelt artsen in staat nauwkeurige diagnoses te stellen. Met snelle en veilige pijnstilling, adequate wondverzorging en een batterij effectieve medicatie kan men de ellende van ziekte zoveel mogelijk beperken. En heel wat aandoeningen, die mensen vroeger met een ernstige vorm van invaliditeit belastten, kunnen dank zij spitstechnologie binnen redelijke grenzen worden gehouden.

Paul Broos leidde jarenlang de afdelingen heelkunde en traumatologie van het UZ Leuven en is emeritus hoogleraar aan de Katholieke Universiteit Leuven. Hij vat voor ons de geschiedenis samen van het medisch denken en handelen vanaf de prehistorie tot de huidige tijd.

Soms wordt er beweerd dat mensen vroeger gezonder waren omdat ze natuurlijker leefden. Niets is minder waar. Zelfs de oudste mummies leden reeds aan aandoeningen die we vandaag nog kennen: tuberculose, botziekten, parasitaire infecties, nier- en blaasstenen, longontstekingen en zelfs aderverkalking. De voeding was meestal eenzijdig, men had vitaminegebrek en de levensverwachting was laag. Maar de geneeskunde, voor zover er al sprake van was, stond machteloos.

Tot ver in de 18e eeuw had men slechts een rudimentair inzicht in de oorzaken en het verloop van ziekteprocessen. Geneeskunde en geneeskundig handelen waren vooral een zaak van gissen en missen. De medicijnman, en later de arts, kon de ziekte hoogstens vaststellen en het verloop voorspellen. Voor de behandeling was het aanmodderen. Het therapeutische arsenaal bleef beperkt tot enkele eenvoudige ingrepen, zoals aderlaten en het zetten van botbreuken, die zeker niet zonder gevaar waren. Er was geen adequate pijnbestrijding en geen inzicht in oorzaken en aard van wondinfecties. De kennis van geneesmiddelen bleef beperkt tot de werking van enkele plantenextracten. Genezing was vooral een kwestie van geluk hebben.

De Verlichting bracht wel een aanzienlijke vooruitgang in de kennis van fysica en chemie, maar die bleek slechts beperkt toepasbaar in de geneeskunde. Pas in de negentiende eeuw begon de vooruitgang van de wetenschap voluit door te dringen in de geneeskunde. Men kreeg een juist inzicht in de oorzaken van infecties en dit leidde tot preventieve acties zoals vaccinatie. Geavanceerde technieken lieten toe steeds betere medicijnen te ontwikkelen. De ontdekking van efficiënte pijnbestrijding en sterilisatie stelde chirurgen in staat ingrepen met meer kans op succes uit te voeren.

We zijn de wonderen van de moderne geneeskunde vanzelfsprekend gaan vinden en vergeten gemakkelijk dat die niet mogelijk waren geweest zonder de noeste inspanningen van een keur van onderzoekers en artsen in de voorbije eeuwen. Met vaak zeer beperkte middelen brachten ze de geneeskunde stap voor stap op een hoger peil. Sommigen onder hen deden grote ontdekkingen en kregen daarvoor erkenning gedurende hun leven. Anderen leverden minder spectaculaire prestaties die soms slechts lang na hun dood op waarde werden geschat.

In dit boek wordt evenveel aandacht besteed aan de kanonnen als aan de stille werkers. Hun prestaties zouden nog beter tot hun recht zijn gekomen indien de auteur die niet alleen vermeld had, maar meer aandacht had besteed aan hun betekenis in de overheersende opvattingen van hun tijd.

Wie een vlot leesbaar boek zoekt over de geschiedenis van de geneeskunde zal in dit boek echter zeker zijn gading vinden.

© Minervaria

zaterdag 4 februari 2012

Bekocht of behandeld

SINGH, S & E. ERNST, Bekocht of behandeld. De feiten over alternatieve geneeswijzen. (Vert. Trick or treatment? Alternative medicine on trial, 2008) A’dam, Uitg. De Arbeiderspers, 2010, 393 pp. – ISBN 978 90 295 7313 9

Met het aanbreken van het verkoudheidsseizoen gaat Oscillococcinum weer vlot over de toonbank. verlost je in een handomdraai van je rugpijn. Een chiropractor verlost je in een handomdraai van je rugpijn. Met behulp van acupunctuur verdwijnt je tenniselleboog als sneeuw voor de zon. En je zult geen last meer hebben van zure oprispingen als je altijd barnsteen bij je draagt.

De populariteit van alternatieve geneeswijzen neemt wereldwijd hand over hand toe. De remedies staan torenhoog opgestapeld in elke apotheek, worden in elk tijdschrift beschreven, op miljoenen webpagina’s besproken en door miljarden mensen gebruikt. Met alternatieve behandelingen wordt geleurd alsof ze enorm veel baat bieden. Maar doen ze dat werkelijk?

Simon Singh en Edzard Ernst gaan op zoek naar de waarheid over de drankjes, de watertjes, de pillen, de naalden, het kloppen en het energetiseren. Is alternatieve geneeskunde boerenbedrog of juist buitengewoon effectief? Wie is betrouwbaar en wie draait je een poot uit? Wat werkt en wat niet? Wat zijn de geheimen en wat zijn de leugens? Welke therapieën zijn veilig en welke zijn gevaarlijk?

Alternatieve geneeswijzen zijn therapieën die door een meerderheid van toonaangevende artsen niet worden aanvaard. Zij maken gebruik van onderliggende processen die doorgaans biologisch onaannemelijk zijn en niet aantoonbaar. Het zou echter van vooringenomenheid getuigen als ze alleen op grond daarvan verworpen zouden worden. Het grootste deel van de geschiedenis baseerde de geneeskunde zich immers ook op theorieën die nu als hopeloos achterhaald beschouwd worden. Pas na de introductie van de wetenschappelijke methode is de geneeskunde met rasse schreden vooruit gegaan.

Aangezien de alternatieve geneeskunde beweert dat ze dezelfde ziekten en aandoeningen kan behandelen als de reguliere geneeskunde, moet ze langs dezelfde meetlat worden gehouden. Haar werkzaamheid dient bewezen te worden aan de hand van de methodes die voor de reguliere geneeskunde worden vereist. Een alternatieve geneeswijze blijft een dubieuze behandeling tot ze zich in hooggekwalificeerde proeven heeft bewezen.

De empirisch onderbouwde geneeskunde is gebaseerd op grondig wetenschappelijk onderzoek. Door middel van experimenteren en observeren kunnen wetenschappers vaststellen of een bepaalde therapie doeltreffend is. Nieuwe feiten worden onderzocht en conclusies worden regelmatig herzien. Voor een goed begrip daarvan geven de auteurs in het eerste hoofdstuk een snelcursus in de wetenschappelijke methode. Meer in het bijzonder leggen ze uit hoe die in de geneeskunde wordt gebruikt.

In de volgende hoofdstukken kijken de auteurs wat er gebeurt wanneer de wetenschappelijke aanpak wordt toegepast op de alternatieve geneeskunde. Achtereenvolgens worden acupunctuur, homeopathie, chiropraxie en kruidengeneeskunde op hun wetenschappelijke bewijskracht getoetst. Op basis van het beschikbare bewijsmateriaal van verschillende onderzoekers trekken zij conclusies over de werkzaamheid en de mogelijke gevaren van iedere geneeswijze.

Er bestaan echter nog tientallen andere therapieën, soms met potsierlijke pretenties, die veel minder uitgebreid getoetst werden, en met de regelmaat van de klok komen er nieuwe bij. In een aanhangsel evalueren de auteurs zesendertig andere alternatieve behandelingen, zoals antroposofische geneeskunde, Bach Bloesem Remedies, Feng Shui en oorkaarsen.

Is alternatieve geneeskunde doeltreffend voor het behandelen van ziekten? Het antwoord is teleurstellend. De meeste vormen van alternatieve geneeskunde zijn ofwel onbewezen, ofwel onwerkzaam en sommige zelfs gevaarlijk. Een bewijsbaar veilig en effectief alternatief medicament is overigens helemaal niet alternatief maar in feite een regulier medicament. Patiënten die zich aan alternatieve geneeskunde wagen riskeren uitgebuit te worden, hun geld te verliezen en hun gezondheid te schaden.

Het feit dat deze geneeswijzen de wetenschappelijke vergelijking met de empirisch onderbouwde geneeskunde niet doorstaan, betekent echter niet dat ze geen goed kunnen doen. Hun werkzaamheid berust op het placebo-effect, een medisch fenomeen met een lange en omstreden geschiedenis. De auteurs geven een zeer interessante en uitvoerige uiteenzetting over de aard, de ontdekking en de studie van het placebo-effect. Het is een van de meest omstreden kwesties met betrekking tot de alternatieve geneeskunde.

Kunnen we vrede nemen met het succes van alternatieve remedies enkel omdat ze verlichting en hoop bieden door overtuiging en vertrouwen? De auteurs ontkennen formeel. We hebben in de geneeskunde geen placebo nodig om een placebo-effect op te roepen. Het placebo-effect berust niet zozeer op de behandeling, maar op het vertrouwen van de patiënt in de arts. Als de patiënt merkt dat de arts onwerkzame middelen voorschrijft kan dit vertrouwen geschaad worden. Een patiënt zou geen genoegen moeten nemen met een remedie die alleen werkt op basis van het placebo-effect.

De auteurs geven nog andere steekhoudende argumenten tegen de alternatieve geneeswijzen, zoals de kosten en de veiligheid. De gezondheid van een patiënt wordt in de waagschaal gelegd door elke onwerkzame behandeling als deze in de plaats komt van een reguliere behandeling. In het licht van de resultaten van hun onderzoek houden de auteurs een pleidooi voor meer toezicht en reglementering van de geneeskunde. Wetenschappelijke normen, beoordeling en reglementering zouden standaard moeten opgelegd worden aan alle typen geneeskunde.

Dit boek pretendeert ‘s werelds eerlijkste en accuraatste onderzoek naar de alternatieve geneeskunde te zijn. Of deze boude stelling klopt kan ik uiteraard niet verifiëren. Je kunt ze in ieder geval niet negeren. De conclusies zijn gebaseerd op zo’n 4000 onderzoeksstudies naar alternatieve geneeskunde, die duizenden medische onderzoekers over de hele wereld gedurende tientallen jaren hebben verricht. Het moet een titanenwerk geweest zijn om die allemaal bij elkaar te krijgen.

De auteurs kunnen in ieder geval stevige geloofsbrieven voorleggen. Ze zijn beiden geschoolde wetenschappers, en geen van hen is ooit in dienst geweest van een farmaceutisch bedrijf. Edzard Ernst is een insider die jarenlang de geneeskunde heeft beoefend, waaronder ook enkele alternatieve therapieën. Hij is ’s werelds eerste hoogleraar alternatieve geneeskunde en zijn onderzoeksgroep heeft vijftien jaar lang geprobeerd uit te vissen welke behandelingen werken en welke niet. De andere auteur, Simon Singh, is een outsider die bijna twintig jaar als wetenschapsjournalist bij de geschreven pers, de televisie en de radio heeft gewerkt.

Om overtuigd te worden van ‘de waarheid over alternatieve geneeswijzen’ had ik dit boek niet nodig, maar een betere kennis van de feiten heeft die overtuiging veel beter onderbouwd. Daarnaast heb ik heel wat opgestoken. Ik leerde over de ontstaansgeschiedenis, de achterliggende visie en de recente ontwikkelingen van de best onderzochte alternatieve geneeswijzen. Ik verwierf een beter inzicht in de redenen waarom mensen alternatieve geneeskunde verkiezen boven de reguliere geneeskunde en in de drogredenen die door alternatieve genezers aangevoerd worden om wetenschappelijke toetsing af te wijzen. Ik kreeg een opfrissing over het placebo-effect met een aantal gefundeerde argumenten waarom het niet toereikend is. En dank zij een handige tabel met de bewezen werkzaamheid en de gevaren van de meest gebruikte medicinale kruiden kan ik die met meer kennis van zaken aanwenden.

De auteurs hebben hun uiterste best gedaan om hun gegevens inzichtelijk voor te stellen. De geïnteresseerde lezer mag zich niet laten afschrikken door de omvang van het boek. Vaktermen worden goed uitgelegd en de vlot leesbare tekst maakt het toegankelijk voor een breed publiek.

© Minervaria

zaterdag 14 januari 2012

De onzichtbare vijand


MOOIJ, A., De onzichtbare vijand. Over de strijd tegen infectieziekten. A’dam, Uitg. Balans, 2007, 255 pp. – ISBN 978 90 5018 889 0

Vogelpest, Mexicaanse griep, SARS, varkensgriep, de ziekenhuisbacterie, het West-Nijlvirus, de ziekte van Lyme. Wie dacht dat de mens de strijd tegen de besmettelijke ziekten definitief gewonnen had komt bedrogen uit. Toch eisen deze ziekten bijlange niet zoveel slachtoffers als de oude infectieziekten die in vroeger tijden massa’s mensen wegmaaiden.

Van oudsher worden mensen belegerd door ziekten als gevolg van een invasie van vreemde micro-organismen in het lichaam. Pest, pokken, lepra, cholera, malaria, difterie, tuberculose, gele koorts, syfilis, mazelen en roodvonk zijn in het collectieve geheugen gegrift. Epidemieën van besmettelijke ziekten behoorden zonder twijfel tot de ergste verschrikkingen. Er hoeft maar weinig te gebeuren of die angsten komen weer tot leven.

Voor de zeventiende eeuw werd in deze rampzalige epidemieën de hand van God ontwaard. In De onzichtbare vijand vertelt Annet de Mooij hoe de strijd tegen infectieziekten steeds meer een zaak werd van de wetenschap. Vanaf de zestiende eeuw groeide de belangstelling voor de werking van de natuur. In de volgende eeuw werd in het denken over ziekten en epidemieën gaandeweg meer gewicht toegekend aan aardse invloeden. De autoriteiten begonnen maatregelen te nemen die het besmettingsgevaar moesten indammen. De vroeger vrijwel onbegrensde greep van religie en magie op de geneeskunde verslapte.

De ontdekking van eencellige wezens door Antoni van Leeuwenhoek was de allereerste stap. Hij legde echter nog geen verband met mogelijke ziekten. De eerste besmettelijke ziekte die op een moderne manier werd benaderd waren de pokken. Op het einde van de achttiende eeuw verblijdde de plattelandsarts Edward Jenner de wereld met de koepokinenting of vaccinatie. Het succes van deze ingreep – de pokken zijn de eerste ziekte die wereldwijd werd uitgeroeid - vormde de start van de preventieve geneeskunde.

De ontdekkingen van Pasteur en Koch in de negentiende eeuw legden de basis voor de bacteriologie. Toch betekende dat niet meteen een doorbraak in de bestrijding van infectieziekten. Bij epidemieën moest de geneeskunde vaak machteloos toekijken. In de tweede helft van de negentiende eeuw nam de betekenis van infectieziekten als doodsoorzaak vooral af door de verbetering van de voeding en van de sociale en sanitaire leefomstandigheden en door de effecten van voorlichting en onderwijs.

De echte triomfen van de geneeskunde over infectieziekten manifesteerden zich pas in de twintigste eeuw. De keuze aan beschikbare vaccins werd ruimer en men ontwikkelde nieuwe geneesmiddelen. De komst van antibiotica was een medische doorbraak zonder weerga. Rond 1950 waren de infectieziekten van doodsoorzaak nummer één veranderd in een onbeduidende restcategorie. Hier en daar viel er nog wat op te ruimen, maar het grote werk was gedaan.

De euforie was echter van korte duur. In de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw werd de wereld opgeschrikt door een nieuwe groep van ziekten, de hemorragische koortsen zoals Ebola. Toen die onder controle waren, zette aids de infectieziektebestrijding weer op de kaart. Oude ziekten als tuberculose kwamen weer op. En ieder jaar duikt er wel een of andere nieuwe besmettelijke variant op waartegen bacteriologen en virologen koortsachtig een remedie zoeken.

In de strijd tegen infectieziekten is iedere vooruitgang voorwaardelijk. Tussen mens en bacteriën en virussen zal er altijd evolutionaire competitie zijn om te overleven. Bacteriën en virussen worden resistent tegen de gangbare medicijnen, waardoor er steeds nieuwe moeten gevonden worden. De vraag is niet óf zich weer nieuwe grote pandemieën zullen voordoen, maar wanneer dit zal gebeuren.

Met dit boek heeft Annet de Mooij een spannend, en nog altijd actueel, hoofdstuk in de geschiedenis van de geneeskunde en gezondheidszorg toegankelijk gemaakt voor een ruim publiek. Ze heeft zich degelijk gedocumenteerd en besteedt, behalve aan de evolutie in de geneeskunde, ruim aandacht aan politieke keuzes en maatschappelijke ontwikkelingen. We leren ook hoe de wetenschap niet lineair vooruitgaat, maar met vallen en opstaan en in sprongen.

Een uitermate vlot lezende tekst zorgt bovendien voor waar leesplezier.

© Minervaria

woensdag 23 maart 2011

Auto-euthanasie

CHABOT, B., Auto-euthanasie. Verborgen stervenswegen in gesprek met naasten. A’dam, Uitg. Bert Bakker, 2007, 304 pp. – ISBN 978 90 351 3161 3

Altijd al hebben mensen hun dood willen beheersen. Door de verbeterde medische diagnostiek en behandeling is dit pas in de laatste halve eeuw bij sommige ziekten ook mogelijk geworden. In westerse landen beschikken artsen over verschillende methodes om het overlijden te bespoedigen. Dank zij de euthanasiewetgeving kunnen zij mensen op verzoek uit hun ondraaglijke en uitzichtloze lijden verlossen zonder dat zij hiervoor gestraft worden. Maar in onze samenleving zijn er mensen die hun overlijden niet aan artsen willen overlaten. Ze willen zelf bepalen hoe en wanneer zij sterven.

Over deze manier van sterven verkeert de samenleving in zalige onwetendheid. Weinig mensen weten welke middelen je nodig hebt om op een serene manier een einde te maken aan je leven noch hoe je er aan komt. Ook zijn niet alle artsen bekend met de manier waarop iemand zichzelf zonder fysieke ellende van kant kan maken. In hun opleiding en bijscholingen komt dat thema in ieder geval niet aan de orde.

Als psychotherapeut en psychiater werd Boudewijn Chabot intensief met doodsverlangens van mensen geconfronteerd. Meer dan 10 jaar lang heeft hij verhalen verzameld over de wijzen waarop mensen proberen hun dood zelf te regisseren. Dit is mogelijk door het innemen van een dodelijke combinatie (slaap)middelen of door bewust te stoppen met eten en drinken. In beide gevallen gebeurt de levensbeëindiging in gesprek met een of meer naasten en zonder dat een arts een dodelijke handeling verricht. Chabot noemt deze methodes auto-euthanasie of zelfdoding in gesprek met naasten.

Ieder jaar benemen een aantal mensen zich het leven door middel van auto-euthanasie. Het zal geen verbazing wekken dat deze praktijk met geheimzinnigheid omgeven is. Zelfdoding roept onmiddellijk beelden op van wanhoopsdaden en gruwelijke verminking. Er is bitter weinig vakliteratuur over voorhanden en nauwelijks onderzoek naar gedaan. Men weet niet over hoeveel sterfgevallen per jaar het gaat en waarom mensen daartoe overgaan, noch hoe het verloopt. Voor het euthanasiedebat is het nochtans belangrijk dat hierover meer informatie beschikbaar is.

In dit boek presenteert Chabot de resultaten van een systematisch sociologisch onderzoek naar die twee vrij onbekende wegen om het eigen leven met opzet te beëindigen. Met behulp van een combinatie van vragenlijsten en diepte-interviews met naasten van de overledenen wilde hij te weten komen hoe vaak mensen met behulp van deze methoden hun eigen dood veroorzaken, wie dit doet, waarom en hoe het verloopt.

Net omdat het over een zeer gevoelig onderwerp gaat, heeft hij dit onderzoek zeer zorgvuldig aangepakt. De methodologie is grondig doordacht en aan strenge criteria onderworpen. Hiermee heeft hij een solide basis gelegd voor later geactualiseerd onderzoek naar auto-euthanasie. Liefst twee hoofdstukken van het boek worden besteed aan de verantwoording van de gevolgde werkwijze. Wie daar geen boodschap aan heeft kan zich gerust beperken tot de interpretaties en conclusies.

Het verhaal van tien naasten over het zelfdodingsproces van een familielid of bekende, die Chabot ‘dossiers’ noemt, zullen echter zeker iedere lezer boeien. Anders dan tegenstanders vaak beweren, blijkt uit deze gevalsbeschrijvingen dat bewuste levensbeëindiging in gesprek met naasten geen impulsieve daad is uit wanhoop, maar weloverwogen en zeer doordacht. Je kan alleen maar ontzag hebben voor de vastberadenheid waarmee deze mensen kozen voor een waardige dood, soms in strijd met hun arts.

Uit het onderzoek blijkt dat beduidend meer mensen sterven als gevolg van auto-euthanasie dan in de overlijdensstatistieken vermeld wordt. Veel vaker dan men denkt worden artsen met dilemma’s geconfronteerd door patiënten die overwegen bewust ten dode te vasten en dorsten of een zelfdoding voor te bereiden met een dodelijke combinatie van middelen. Toch zouden zij patiënten met minder schroom van de nodige informatie moeten voorzien. Een goede relatie met de behandelende arts kan immers in belangrijke mate bijdragen tot een waardige dood.

Chabot doorprikt meteen een aantal hardnekkige vooroordelen over de verschillende methodes van levensbeëindiging.
Zijn centrale stelling is dat terminale sedatie, euthanasie en auto-euthanasie verschillende wegen zijn naar hetzelfde doel: een goede dood met zolang mogelijk contact met naasten. Dit wordt hier naar mijn mening met glans beargumenteerd.

Voorlopig, zegt hij, is auto-euthanasie in alle opzichten onbekend terrein. Terugkijkend op het langgerekte publieke debat dat de euthanasiewet voorafging, zou het weleens een hele tijd kunnen duren voor de samenleving met auto-euthanasie leert omgaan. Maar de onbekendheid belet niet dat het vaker gebeurt dan men denkt.

Dit leerrijke boek laat zich vlot lezen. Het is een ‘must’ voor iedereen die zich wil informeren over de mogelijkheden om bewust het eigen levenseinde in handen te nemen.

© Minervaria

maandag 3 mei 2010

Zieke wereldleiders

OWEN, D., Zieke wereldleiders. Hoe overmoed, depressie en andere aandoeningen politieke beslissingen sturen. (Vert. In Sickness and in Power. Illness in heads of government during the last 100 years) A’dam, Nw. A’dam, 2008, 352 pp. – ISBN 978 90 468 0414 8

Politici en regeringsleiders hebben veel invloed op de levens van mensen die ze regeren. In uiterste gevallen gaat het om leven of dood. Om doordachte en evenwichtige beslissingen te kunnen nemen moeten ze goed geïnformeerd worden door degelijke adviseurs en beschikken over een redelijke lichamelijke en psychische gezondheid.

David Owen is arts en was gedurende 40 jaar als Brits parlementslid en minister zeer nauw betrokken bij de Britse en internationale politiek. In dit boek onderzoekt hij hoe medische aandoeningen bij regeringsleiders van de twintigste en eenentwintigste eeuw hun handelen beïnvloedden en het verloop van de geschiedenis bepaalden. Hij geeft eerst een overzicht van regeringsleiders met gezondheidsklachten in de loop van de hele twintigste eeuw. Dat blijken er heel wat te zijn.

Van de ziektegeschiedenis van drie bekende leiders maakt hij een meer gedetailleerde studie. Hij maakt duidelijk hoe de ernstige kwaal van de Britse premier Anthony Eden in de Suezcrisis de binnenlandse politiek in Egypte en zijn relaties met het Westen beïnvloedde, hoe de ziektegeschiedenis van John Kennedy, en dan vooral de behandeling ervan, de aanpak van twee Cubacrisissen bepaalde en tenslotte hoe de ‘laatste koning van Frankrijk’, president François Mitterrand, met een zware ziekte het Franse presidentschap heeft ingevuld. Om verschillende redenen hebben deze staatsleiders hun kwalen zo lang mogelijk geheim gehouden. Volgens Owen werd hun politieke besluitvorming niet zozeer negatief beïvloed door de ziekte zelf, maar wel door hun gebrek aan openheid over die ziekte.

Voor deze mensen geldt dat ze hun functie ondanks de moeilijke omstandigheden toch zeer gewetensvol hebben vervuld. Er zijn echter ook staatshoofden die lichamelijk redelijk gezond zijn of waren, maar toch onverantwoorde beslissingen namen omdat de macht hen naar het hoofd steeg. Owen noemt dit het hoogmoedssyndroom. Hoogmoed is bijna een beroepskwaal van regeringsleiders en leidinggevenden in het leger en het zakenleven. Macht doet iets met het geestelijke evenwicht van mensen. Het is een bedwelmend middel en niet iedere politieke leider heeft het standvastige karakter dat vereist is om daar weerstand tegen te bieden.

In een case-study belicht hij uitgebreid hoe de Britse premier Tony Blair en de Amerikaanse president George Bush jr. zowel voor als na de inval in Irak verblind waren door het hoogmoedssyndroom. Daardoor hebben ze een uitzichtloze situatie gecreëerd in het Midden-Oosten waarvan miljoenen mensen het slachtoffer zijn geworden. Een belangrijke oorzaak ziet hij in de evolutie van de vertegenwoordigende democratie naar een consultatiedemocratie. Politici zijn afhankelijk geworden van de heersende sentimenten van de dag. Voor hun eigen voortbestaan moeten ze steeds meer rekening houden met hun populariteit en de populariteit van hun beslissingen. Daardoor zijn ze geneigd te weinig rekening te houden met het advies van democratisch ingestelde commissies en colleges.

Welke lessen kunnen nu uit deze dossiers getrokken worden? David Owen pleit in de eerste plaats voor meer openheid bij de politici zelf over hun kwalen. Uit de geschiedenis blijkt immers dat ziekte op zich, mits verantwoord behandeld, de competentie van een politieke leider niet negatief beïnvloedt. Indien de ziektes van staatsleiders uit het verleden bekend waren had men het beleid daarop kunnen afstellen. De loop der geschiedenis had zeker een andere en waarschijnlijk een betere wending kunnen nemen. Voor een aantal landen, o.a. Iran en India, legt Owen uit hoe zware problemen te vermijden waren indien de ziekte van de leider eerder bekend was geweest.

Voorts hebben alle landen regels nodig die onafhankelijk medisch onderzoek verplicht stellen en die formele procedures vastleggen voor een machtsoverdracht wanneer het staatshoofd door medische problemen niet in staat is zijn taken uit te voeren. Owen doet ook een oproep tot de medische wereld om het hoogmoedssyndroom als psychische ziekte te definiëren. Dit zou het mogelijk maken in voorkomend geval de aberraties van politici als medisch probleem te behandelen.

Verder houdt hij een pleidooi voor internationale procedures waarmee het mogelijk wordt een regeringsleider af te zetten wanneer hij niet meer in staat is te regeren door ziekte of het hoogmoedssyndroom. Tirannie en schendingen van de mensenrechten kunnen niet langer beschouwd worden als een zaak van nationale soevereiniteit, maar zijn bedreigingen voor de wereldvrede. Ze rechtvaardigen zonder meer een interventie van de Verenigde Naties.

Zijn politieke ervaring heeft David Owen natuurlijk een indrukwekkende feitenkennis opgeleverd. Als arts is hij bovendien goed geplaatst om de invloed van ziekte en medicatie op de politieke besluitvorming te beoordelen. Dit brengt mee dat hij met veel kennis van zaken spreekt. Zijn betoog is gedetailleerd uitgewerkt met vermelding van namen en data en soms zelfs de precieze tijdstippen van gebeurtenissen. Het is tevens uiterst degelijk gedocumenteerd.

De doorsnee lezer wordt daardoor echter overspoeld door details die hem regelmatig het spoor bijster maken. Alhoewel de tekst zich doorgaans vlot laat lezen, vraagt het begrijpen ervan veel kennis van de politieke situatie. Gelukkig heeft de Nederlandse uitgever het oorspronkelijke boek in overleg met de schrijver ingekort. Toch krijgt de lezer nog een treffend beeld van het ingewikkelde politieke bedrijf.

Het meest interessant waren voor mij de laatste hoofdstukken waarin Owen zijn voorstellen en conclusies formuleert. Ze liggen in de lijn van de opvattingen van andere voorvechters van een doorzichtige en radicale democratie, zoals Farid Zakaria en Benjamin Barber.

© Minervaria

dinsdag 26 januari 2010

Een waardig levenseinde

DISTELMANS, W., Een waardig levenseinde. A’dam/A’pen, Uitg. Houtekiet, 2009 (5e herz. dr.), 304 pp. – ISBN 978 90 8924 026 2

In België overlijden iedere dag 300 mensen. Ze sterven niet allen zoals ieder van ons graag wenst. Een snelle en vooral pijnloze dood na een lang en gezond leven is jammer genoeg voor weinigen weggelegd. De meeste mensen sterven na een min of meer lange chronische levensbedreigende ziekte. Als het levenseinde dichterbij komt willen zij dit zo waardig mogelijk beleven.

Toch sterven nog te veel mensen op een mensonterende wijze. Hoewel het stervensproces de meest voorkomende aandoening is en iedereen overkomt, krijgt het in de gezondheidszorg de minste aandacht. De genezing van acute ziekten krijgt onevenredig veel aandacht en middelen terwijl de meeste gebruikers van de gezondheidszorg lijden aan chronische, ongeneeslijke aandoeningen. Met de vergrijzing van de bevolking zullen die nog talrijker worden.

Wim Distelmans, oncoloog en professor in de palliatieve geneeskunde aan de Vrije Universiteit Brussel, stelt kritische vragen bij de wijze waarop geneeskunde wordt ingezet. Leiden de toegenomen medische mogelijkheden wel steeds tot een toename van het menselijk welzijn of vormen ze een belasting voor de patiënt? De meeste energie en middelen gaan immers nog altijd naar de curatieve geneeskunde en de medische spitstechnologie. Dank zij deze mogelijkheden kan men het leven van ongeneeslijk zieke mensen soms beduidend verlichten en verlengen. Maar op een bepaald ogenblik is dit niet meer zinvol en kan men enkel nog proberen om de kwaliteit van het leven zo goed mogelijk te verbeteren en te houden. Onaangepast gebruik van de medische technologie werkt echter vaak stervensverlengend in plaats van levensverlengend.

In dit boek trekt Distelmans ten strijde tegen mensonterende doorgedreven therapeutische hardnekkigheid. In de meeste artsenopleidingen wordt de aandacht eenzijdig gericht op genezen. Daardoor zetten nog altijd teveel artsen alle zeilen bij om een ongeneeslijke en terminale aandoening te behandelen. Dit leidt vaak tot schrijnende toestanden van ondraaglijk lijden. Op een bepaald ogenblik moeten zorgverleners én patiënten onder ogen zien dat een aandoening ongeneeslijk is en de eindigheid van het leven accepteren.

Wim Distelmans behoort tot de pioniers in België in de erkenning van de palliatieve zorg en de strijd voor het recht op euthanasie. Dit boek steunt op jarenlange trainingen en voordrachten over palliatieve zorg en de beslissingen bij het levenseinde. Het wil bijdragen tot een veranderde houding tegenover alle ongeneeslijke zieke patiënten. Sterven zonder vermijdbare ellende moet het hoofddoel zijn binnen de zorg voor ongeneeslijke en terminale zieken. In behandelingen aan het levenseinde dient therapeutische hardnekkigheid kost wat kost vermeden worden. Comfort en levenskwaliteit moeten centraal staan.

In dit werk komen alle aspecten van een waardig levenseinde aan de orde. Distelmans geeft een overzicht van de mogelijke beslissingen bij het levenseinde. Hij legt uit wat palliatieve zorg inhoudt en hoe ze werkt. Hij verheldert het verschil met euthanasie en doorprikt de eenzijdige tegenstelling tussen palliatieve zorg en euthanasie die levensbeschouwelijke groepen proberen ons in de maag te splitsen. Hij gaat ook uitgebreid in op de verschillende actieve behandelingen van ongeneeslijke zieken en op de mogelijkheden van en misverstanden over pijn- en symptoomcontrole.

Kwaliteitsvolle geneeskunde steunt op een open en deskundige communicatie tussen zorgverlener en patiënt, stelt Distelmans. Hij pleit ervoor om de gehele mens in rekening te nemen en de patiënt centraal te stellen in de patiënt-artsrelatie. Dit wordt ook mogelijk gemaakt door de recente Belgische wet op de patiëntenrechten, waarvan nog te weinig mensen gebruik maken.

Begeleiding mag zich bovendien niet beperken tot strikt medische hulp. Er dient evenveel aandacht te zijn voor de psychosociale en spirituele noden van de patiënt. Alleen een multidisciplinair team waarin zorgverleners uit verschillende disciplines gelijkwaardig zijn en elkaar aanvullen kan hieraan tegemoet komen.

Met lijden en dood houden we ons liever niet bezig. Toch is het goed daar af en toe bij stil te staan. Want vroeg of laat overkomt het ons ook, en dan zijn we maar best goed voorbereid. We kunnen niet weten hoe het ons zal vergaan, maar we kunnen wel nadenken over hoe we willen behandeld worden als we ongeneeslijk ziek worden of voor het einde van ons leven staan. België en Nederland behoren gelukkig tot de weinige landen waar mensen daarin zoveel inspraak hebben. Een en ander is nog voor verbetering vatbaar maar de publieke opinie evolueert in de goede richting. Toch weten nog veel te weinig mensen wat er mogelijk is.

Deze uitgebreide en geactualiseerde druk verschaft alle belangrijke informatie over de mogelijkheid om het levenseinde zo menswaardig mogelijk te laten verlopen. In de bijlagen worden een aantal tips en technieken gegeven om de nevenwerkingen van de meest voorkomende medische behandelingen te verzachten. Een uitgebreide lijst van nuttige adressen en websites sluit het werk af.
Het is echter jammer dat Distelmans het ondraaglijk lijden van mensen die onder een ongeneeslijke psychische aandoening gebukt gaan buiten beschouwing laat.

De tekst is zeer vlot te lezen, en alle gebruikte medische termen worden zorgvuldig uitgelegd. Distelmans behandelt dit delicate onderwerp zonder schroom en op een serene en zeer respectvolle wijze.
Dit boek is een ‘must’ voor iedereen.

© Minervaria

maandag 9 november 2009

Het hongergen

RUPPEL SHELL, E., Het hongergen. De oorzaken van overgewicht. (Vert. The hungry gene) A’dam, De Arbeiderspers, 2004, 298 pp. – ISBN 90 295 3677 2

Volgens de Wereldgezondheidsorganisatie zijn er in de wereld 1,6 miljard mensen met overgewicht, van wie 400 miljoen met obesitas. Overgewicht is de meest voorkomende en duurste voedingsstoornis van de 21e eeuw. Verontrustend is bovendien dat het aantal obese kinderen in het afgelopen decennium met meer dan de helft is toegenomen.

Zwaarlijvigheid vormt immers niet alleen een belemmering voor veel activiteiten. Het is de oorzaak van psychisch en fysisch lijden en kan een normaal leven onmogelijk maken. Ernstig overgewicht kan ook leiden tot gezondheidsproblemen zoals diabetes, hart- en vaatziekten en een verstoorde nierfunctie. Zwaarlijvige mensen geven jaarlijks fortuinen uit aan veelbelovende maar soms levensbedreigende afslankproducten en -programma’s. Zodra ze met de kuur stoppen komen de verloren kilo’s er echter doorgaans pijlsnel weer bij.

Aan overgewicht kleeft bovendien nog altijd een maatschappelijk stigma. Zwaarlijvigheid wordt nog algemeen beschouwd als het gevolg van ongeremde gulzigheid en gebrek aan zelfbeheersing. Veel artsen gaan er ook nu nog van uit dat obesitas geen medisch probleem is maar hooguit een probleem van leefstijl met medische gevolgen.
Toch klopt het niet. Want hoe komt het dat bepaalde mensen mogen eten wat ze willen en toch niet aankomen en andere dik worden?

Intussen heeft de wetenschap het deksel op de doos van zwaarlijvigheid gelicht. Dank zij doorgedreven onderzoek weet men nu dat overgewicht niet één maar verschillende oorzaken heeft. Mensen met ernstig overgewicht eten inderdaad meer dan ze verbruiken. Maar ze hebben dat niet helemaal in de hand. Eetlust is voor een belangrijk deel genetisch bepaald. Anders dan de titel van het boek doet vermoeden zijn er naar schatting wel 30 verschillende genen bij betrokken. Honger en verzadiging zijn heel sterke krachten die grotendeels genetisch bepaald zijn. Ons eetgedrag is het resultaat van een ingewikkeld samenspel tussen een zuinig metabolisme, een bewegingsarme cultuur en onaangepaste eetgewoontes.

We gaan er intuïtief van uit dat basisbehoeften biologisch eenvoudig geregeld zijn. Niets is echter minder waar. Eetgedrag is veel ingewikkelder dan de vroegere psychologische verklaringen ons voorhielden. Omdat de voedselvoorziening van ons lichaam zo fundamenteel is voor de voortplanting, heeft het lichaam gedurende de evolutie extra mechanismen ontwikkeld om te zorgen dat we genoeg voedingsstoffen binnen krijgen.

Ook al hebben we de indruk dat we zelf kiezen wat, wanneer en hoeveel we eten, we laten ons fundamenteel leiden door onze biologie en onze omgeving. Stofwisseling, hongergevoel en verzadigingsgevoel worden geregeld door verschillende biochemische systemen in de hersenen en de rest van ons lichaam. Ze zorgen ervoor dat we perioden van voedselschaarste doorkomen. Voor dergelijke omstandigheden wil ons lichaam graag een reserve hebben. Sommige mensen leggen van nature een grote reserve aan en hebben meer neiging tot overeten dan andere. Ironisch genoeg zijn juist de mensen met een aanleg die in het verleden gunstig was om zware lichamelijke arbeid te verrichten in de moderne samenleving in het nadeel.

Wetenschapsjournaliste Ellen Ruppel Shell presenteert een overzicht van de wetenschappelijke kennis die men in het begin van de 21e eeuw over overgewicht en obesitas heeft verworven. Eerst reconstrueert zij de moeizame zoektocht naar de biologische basis van ons eetgedrag en hongergevoel. Het is een ingewikkeld verhaal met veel zijsporen en –wegen, en bezaaid met de wolfijzers en schietgeweren van vetes tussen wetenschappers onderling en van verwoede kapingspogingen van de voedings- en supplementenindustrie. Heel zeker was het niet eenvoudig om uit dit verwarde kluwen een coherent verhaal te distilleren. In haar pogingen om de waarheid recht te doen verliest Ruppel Shell zich echter vaak in de intriges en anekdotes.

Wie erin slaagt zich door deze hoofdstukken te worstelen, wordt echter ruimschoots beloond. Wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat overgewicht en de toenemende obesitaspandemie het resultaat is van de wisselwerking tussen genetische, prenatale en omgevingsfactoren. In de laatste hoofdstukken legt Ruppel Shell op een boeiende en inzichtelijke wijze uit hoe we dit kunnen begrijpen.

Ze legt uit waarom in een samenleving waarin voedsel onbeperkt verkrijgbaar is niet alle mensen dik worden en waarom voor sommige mensen eten verslavend is en hen nog meer doet eten. Ze maakt duidelijk hoe ons later eetgedrag reeds in de prenatale ontwikkeling wordt bepaald. En ze verheldert waarom wereldwijd steeds meer mensen aan overgewicht lijden, maar in het ene land meer dan het andere.

Bewegingsarmoede in een samenleving met een autocultuur en chronisch tijdgebrek maakt het mensen steeds moeilijker om vet te verbranden. Ruppel Shell vertelt een hallucinant verhaal over de onstuitbare groei van de fastfoodindustrie en de misleidende tactieken van de voedingsindustrie die aan obesitas fortuinen verdient. En ze houdt een krachtig pleidooi voor overheidstussenkomst en wetten tegen de reclame die mensen, en vooral kinderen, aanzet ongebreideld te consumeren.

Ongetwijfeld werden sedert de publicatie van dit boek de inzichten in de achtergronden van overgewicht verder bijgesteld en verfijnd. Toch heb ik met dit boek mijn sterk verouderde kennis van de basisprincipes van onze energie- en gewichtshuishouding kunnen bijwerken. Ik ben bovendien anders naar dikke mensen gaan kijken en heb meer begrip gekregen voor mensen met overgewicht.

© Minervaria

dinsdag 24 februari 2009

Onze hersenen

KAHN, R, Onze hersenen. Over de smalle grens tussen normaal en abnormaal. A'dam, Uitg. Balans, 2008 (7e dr.), 291 pp.

Mensen die zich vreemd en onvoorspelbaar gedragen, overspannen en depressieve mensen, verslaafden, zwervers worden vaak gemeden of met de vinger nagewezen. Ze hebben echter met elkaar gemeen dat de werking van hun hersenen op een vaak subtiele wijze verschilt van die van de doorsnee mens.

Van al onze organen zijn onze hersenen het belangrijkste. Door onze hersenen kunnen we de omgeving in ons opnemen, prikkels verwerken en erop reageren. De hersenen sturen ons gedrag. Omdat de hersenen zich niet gemakkelijk laten onderzoeken was het lange tijd een raadsel hoe dit gebeurde. Pas in de 19e eeuw begon men systematisch mensen te bestuderen van wie de hersenen aantoonbaar beschadigd waren.

René Kahn, hoogleraar psychiatrie aan de Universiteit Utrecht en afdelingshoofd psychiatrie aan het UMC te Utrecht, toont in dit boek aan hoe veranderingen in de hersenen kunnen leiden tot gedragsveranderingen die we allemaal kennen maar niet begrijpen. Hij heeft daarvoor een selectie gemaakt van de meest voorkomende psychische problemen en bespreekt achtereenvolgens de depressie, dementie, verslaving, schizofrenie, dwangstoornis en autisme. Bij ieder van deze stoornissen gaat er iets mis in het denken, de emoties en het gedrag.

Op basis van de bevindingen van het meest recente hersenonderzoek verheldert Kahn hoe deze belangrijke functies door de hersenen gestuurd worden en wat er mis gaat bij een stoornis. De meeste psychische ziekten worden niet veroorzaakt door afwijkingen in een specifiek deel van de hersenen. Ze bestaan uit verschillende deelstoornissen in uiteenlopende domeinen van gedrag en emotie. Eenzelfde gedrag en emotie kunnen gebaseerd zijn op verschillende stoornissen in de hersenen.

Een psychische stoornis is dan ook geen vreemde afwijking, maar een variatie op de normaliteit met ingrijpende gevolgen. Zo legt Kahn verband tussen de bovengenoemde stoornissen en, in dezelfde volgorde, onze reactie op stress, het geheugen, motivatie, taal en vrije wil, kiezen en empathie.

Meteen maakt hij duidelijk dat stoornissen in gedrag, denken en emoties niet anders, vreemder en al helemaal niet 'gekker' zijn dan lichamelijke afwijkingen. Wanneer men begrijpt wat aan vreemd gedrag ten grondslag ligt is het plotseling niet meer zo vreemd. Epileptische aanvallen bijvoorbeeld waren vroeger een teken van goddelijkheid of een uiting van satanische krachten, maar sedert men weet dat de verklaring ligt in spontane elektrische ontladingen in de hersenen is er niets geks meer aan epilepsie.

Hoe meer we onze hersenen beschouwen als ieder ander orgaan in ons lichaam des te beter zullen we kunnen begrijpen hoe normaal en abnormaal gedrag tot stand komt en hoe onze emoties en gevoelens ontstaan en soms ontsporen. Het erkennen en begrijpen van de rol van de hersenen in ons gedrag maakt de ander, zowel in ziekte als gezondheid, gewoner.

Sommigen beweren dat het verklaren van alle gedrag uit de structuur en functie van de hersenen simplistisch en reductionistisch zou zijn. Maar het hersenonderzoek van de laatste jaren heeft net overvloedig aangetoond dat de omgeving onze hersenen beïnvloedt. Onze hersenen zijn immers het orgaan dat verantwoordelijk is voor de interactie met de omgeving. Ze groeien, passen zich aan en veranderen naargelang de omstandigheden dat vereisen. Dit is tegelijk een hoopgevende boodschap omdat vanwege deze flexibiliteit en beïnvloedbaarheid zieke hersenen weer gezond kunnen worden.

Voor hij de verschillende stoornissen bespreekt schetst Kahn bondig de geschiedenis van het wetenschappelijk onderzoek naar het verband tussen hersenen en (afwijkend) gedrag. In een aanhangsel legt hij de nieuwste hersenscantechnieken uit en in een notendop de anatomie van de hersenen en de zenuwen. Hierbij waren een paar tekeningen verhelderend geweest.
Het boek is voorzien van een ruime noten- en dito bronnenlijst. Een register van gebruikte termen ontbreekt jammer genoeg.

Kahn schrijft vlot en boeiend. Toch blijft het moeilijke materie. De processen die zich in onze hersenen voordoen en hun onderlinge wisselwerking zijn immers ingewikkeld en niet eenvoudig te begrijpen. Zelfs met mijn voorkennis diende ik mij tijdens het lezen nog stevig te concentreren.

© Minervaria

vrijdag 25 april 2008

De cholesterolhype

KENDRICK, M., De cholesterolhype. (Vert. The Great Cholesterol Con) Diemen, Veen Magazines, 2008, 282 pp. – ISBN 978 90 857 1171 1

Als je teveel voedingsmiddelen met cholesterol en/of verzadigd vet eet, zal het cholesterolgehalte in je bloed stijgen. Het teveel aan cholesterol slaat neer op de vaatwanden, waardoor de slagaders dikker en voller worden. Op termijn blokkeert dit de bloedvoorziening van het hart, met als resultaat een hartinfarct of beroerte.

Wat algemeen doorgaat voor de stellige waarheid is echter niet meer dan een hypothese. Ze is intussen uitgegroeid tot een echte hype. Er is echter geen enkel bewijs dat haar ondersteunt. Ze is het gevolg van een reeks tragische misverstanden en ordinaire egotripperij. Men heeft zelfs geen idee hoe cholesterol atherosclerose zou veroorzaken. Nieuwe ontdekkingen en bevindingen halen de hypothese telkens onderuit, maar ze wordt steeds opnieuw gestut door nieuwe adhoc hypothesen die haar moeten in stand houden.

Op basis van die foutieve hypothese zijn nu ontelbare mensen aan de statines, cholesterolverlagende middelen. Daaraan verdient de farmaceutische industrie hopen geld, in 2007 alleen al meer dan 30 miljard dollar. Statines worden als wondermiddelen voorgesteld, maar dat zijn ze niet. Het gebruik van statines heeft ernstige bijwerkingen die een gevaar vormen voor de volksgezondheid.

Malcolm Kendrick, arts en onderzoeker bij de European Society of Cardiology, is niet de enige die ervan overtuigd is dat de cholesterolhypothese fout is. Er bestaan reeds verschillende publicaties over het negatieve effect van statines op de gezondheid. De oorlog tegen cholesterol is misplaatst. Cholesterol is absoluut geen boosdoener, maar zelfs onmisbaar voor een goede gezondheid.

In een zeldzaam systematisch, wetenschappelijk en inzichtelijk betoog doorprikt Kendrick de fabeltjes die de cholesterolhypothese in stand moeten houden. Hier tegenover stelt hij een andere theorie over het ontstaan van hart- en vaatziekten. Die zit heel logisch in elkaar en wordt ondersteund door belangrijke inzichten over ons neurovegetatief systeem en statistische gegevens over het voorkomen van hart- en vaatziekten. In de visie van Kendrick is aanhoudende stress de grote boosdoener. Even systematisch en minutieus legt hij uit hoe dit in zijn werk gaat.

Kendrick heeft mij met zijn degelijk en doordacht betoog geïmponeerd. In een ironische stijl en met gevatte opmerkingen legt hij de vinger op de wonde. Het vraagt wel enige concentratie om de veelheid van vaktermen en fysiologische processen te vatten, maar de tekst is in het algemeen vlot te lezen.
Een aanrader!

© Minervaria

donderdag 3 januari 2008

Grenzen aan genezen

BLUME, S., Grenzen aan genezen. Over wetenschap, technologie en de doofheid van een kind. A’dam, Uitg. Bert Bakker, 2006, 384 pp. – ISBN 90 351 3024 3

Toen Stuart Blume en zijn vrouw ontdekten dat hun zoontje doof was, werden hun dromen en verwachtingen plots overhoop gegooid en stonden ze voor de vraag hoe het nu verder moest. Doofheid wordt immers algemeen beschouwd als een ernstige handicap, een zware hypotheek op de toekomst van een kind. Bovendien wordt daarmee de vanzelfsprekende orale communicatie binnen een horend gezin ondersteboven gehaald.

In die tijd was er een technologie in opmars, die beloofde een eind te maken aan doofheid: het cochleaire implantaat. Blume werd daardoor geconfronteerd met vragen waarmee hij zich als wetenschapssocioloog toch al bezig hield. Wat zijn de mogelijkheden van de medische wetenschap en hoe ver kan men gaan om de onvolkomenheden van de natuur te voorkomen of te genezen?

Want het cochleaire implantaat is eigenlijk een primitieve en ouderwetse benadering van doofheid. De beschadigde zintuigcellen in het slakkenhuis worden er niet door hersteld, integendeel. De mogelijks nog intacte cellen worden door de ingreep vernietigd. Mochten de zintuigcellen tot regeneratie kunnen aangezet worden, wat steeds meer een reëel toekomstbeeld lijkt, dan zou doofheid wéll fundamenteel kunnen aangepakt worden en genezen.

Toch beleefde de aanvankelijk sterk in vraag gestelde techniek van het cochleaire implantaat (CI) een triomftocht binnen medische, technologische en industriële kringen. Door velen, en vooral de media, werd het voorgesteld als een soort wondermiddel, waarmee doofheid uit de wereld zou kunnen geholpen worden. Blume beschrijft deze geschiedenis in het tweede hoofdstuk.

Het is ongebruikelijk dat een medische technologie gecontesteerd wordt door de doelgroep ervan. Toch was en is dit het geval met het CI. De meeste Dovengemeenschappen staan er op zijn minst zeer kritisch tegenover. Er zijn immers dove en Dove mensen. De laatsten beleven hun doofheid niet als een handicap of tekort, maar als deel van hun identiteit. Zij communiceren aan de hand van een volwaardige taal, de gebarentaal. Een veralgemeende toepassing van het CI zou hun cultuur en identiteit bedreigen, en hen net gehandicapt maken.

Het CI doet immers niet wat het belooft: horen is niet hetzelfde als verstaan. Dove mensen met CI, en zeker kinderen, zijn voor een vlotte communicatie toch nog aangewezen op liplezen en gebarentaal. Taal en taalbegrip zijn totaal andere zaken dan spraak en gehoordrempels, iets wat de audiologische discipline slechts laat heeft begrepen. Zelfs met CI is de gesproken taal nog altijd slechts beperkt op te vangen en te begrijpen. Met CI mogen dove mensen het beter doen dan zonder, de vraag is hoe goed ze het doen. Dove kinderen met CI worden ernstig slechthorend en zullen zonder gebarentaal en/of liplezen altijd problemen hebben met taalbegrip, en derhalve ook altijd tussen wal en schip vallen.

Blume beschrijft de achtergrond van het dilemma van ouders van dove kinderen. Hij maakt duidelijk hoe twee verschillende culturen, de medische en die van de gewone (Dove) mens, geheel anders aankijken tegen doofheid en de middelen om hieraan te verhelpen, en hoe zij slechts heel geleidelijk en ten koste van veel strijd en onbegrip nader tot elkaar zijn gekomen.

In hoofdstuk 6 beschrijft hij hoe dit compromis eruit kan zien. Vanuit het respect voor minderheden moet tweetaligheid (gesproken en gebarentaal) mogelijk zijn én gewaardeerd worden. Hij illustreert en beargumenteert deze stelling aan de hand van een aantal verhalen van dove mensen met CI. Met de journaliste die haar CI vooral ziet als een middel om in welbepaalde omstandigheden beter te kunnen functioneren voelde ik me verwant. En de uitspraak van een 12-jarige jongen zegt heel veel: "Ik ben doof, maar met CI kan ik horen."

Als wetenschapssocioloog verkeerde Blume in de uitzonderlijke positie om zich in medische kringen te begeven en informatie te bekomen waarvan je jammer genoeg als patiënt of ouder verstoken blijft. Anderzijds had hij als ouder van een doof kind het voorrecht ook de kant van de Dovengemeenschap van binnenuit te leren kennen. Dit levert een zeer rijk verhaal op, waaruit ik veel heb geleerd, niet in de laatste plaats meer begrip voor de positie en argumenten van de Doven in de CI-kwestie, die vaak dreigen ondergesneeuwd te worden door de onterechte triomfboodschappen over het CI.

In het laatste hoofdstuk trekt Blume algemene conclusies. Medische technologieën zijn van onschatbare waarde. Ze kunnen levens redden en de kwaliteit van het leven verbeteren. Maar ze doen niet alles wat we te horen krijgen, en ze hebben soms consequenties die nauwelijks de aandacht krijgen. De medische wetenschap is gericht op het vinden van universele oplossingen voor gezondheidsproblemen. Maar de veronderstelling dat dezelfde techniek altijd en overal dezelfde waarde heeft gaat zeker niet op wanneer ze gericht is op het verbeteren van het sociaal functioneren van een individu. Mensen hebben daarvoor meestal zelf al waardevolle oplossingen gevonden, die ingebed zijn in hun cultuur.

Het boek van Blume leest zeer vlot. Door de vele insidergegevens en bijzonderheden (namen van verenigingen en personen) is het betoog echter niet altijd doorzichtig. Storend waren voor mij ook de vele herhalingen en het slordig taalgebruik.

Maar het is wel een waardevolle bezinning op hoe mensen, ook de wetenschap, zich laten meeslepen door hoop op verbetering, hoe wij daardoor geneigd zijn om overtrokken verwachtingen te koesteren en eenzijdig te oordelen, hoe wij daardoor het zicht kunnen verliezen op belangrijke facetten van een probleem en wat het luisteren naar een dissidente stem kan opleveren. Blume wijst ons erop dat de waarde van een geneeswijze, zeker als ze gericht is op de verbetering van de levenskwaliteit, niet in de eerste plaats wordt bepaald door objectieve metingen maar door de betekenis die ze heeft voor individuele mensen en de gemeenschap waartoe ze behoren.

© Minervaria

donderdag 6 september 2007

Meneer doktoor

VANDEKERCKHOVE, P., Meneer Doktoor. Verhalen over leven en dood, lijf en lust 1937-1964. Roeselare, Roularta Books, 2006, 405 pp. – ISBN 90 5466 927 6

Weet u dat de huisdokter in 1945 over hooguit 15 geneesmiddelen beschikte om de meest verscheidene ziekten aan te pakken? Hoe was het om per fiets bij nacht en ontij op huisbezoek te gaan naar afgelegen boerderijen langs slecht onderhouden niet-verharde wegen?

Vroeger spraken de mensen niet over de dokter, maar over 'meneer den docteur'. De huisdokter van voor en na de Tweede Wereldoorlog deed zowel bevallingen als kleine operaties. Hij was ook biechtvader, apotheker, verpleger, ambulancier, psycholoog, maatschappelijk werker en financiële raadgever. De mensen hadden een blind vertrouwen in hun huisdokter. Dit alles is veranderd met de opkomst van de moderne geneeskunde.

Peter Vandekerckhove heeft 62 dokters, ouder dan 75 jaar, geïnterviewd.
In zijn boek biedt hij een verzameling prachtige en soms humoristische verhalen over de geheimen van het dokterskabinet. De meest verscheidene thema's komen aan de orde, van kwakzalvers over de medicamenten, de rol van de kerk, tot de studies en de cadeaus van de farmaceutische industrie.

Voor wie zich deze tijd nog herinnert zal er veel herkenning zijn, voor de jongere lezers is het een leuke en leerrijke kennismaking met het dagelijkse leven van ouders en grootouders.
Het boek is bovendien zeer vlot geschreven en leest als een trein.

© Minervaria

zondag 5 augustus 2007

De ziektemakers

BLECH, J., De ziektemakers. Hoe wij tot patiënt gemaakt worden. (Vert. Die Krankheitserfinder. Wie wir zu Patienten gemacht werden) A'dam, Wereldbibliotheek, 2005, 191 pp. – ISBN 90 284 2021 5

In een bergdorpje in de Cévennes gaat de oude dorpsdokter met pensioen. Een jonge arts, Knock geheten, neemt zijn plaats in. Binnen de kortste keren heeft hij een bloeiende praktijk. Zijn recept? Hij praat de mensen hun gezondheid uit het hoofd. Elke dorpsbewoner die het kabinet van Knock binnen gaat, komt er buiten met een of andere kwalijke ziekte onder de leden. Want Knock handelt in ziekte. Zijn devies luidt: "Elke gezonde mens is een zieke die nog niet weet dat hij ziek is".

Het toneelstuk Knock of de triomf van de geneeskunst uit 1923 van de Franse schrijver Jules Romain wordt tot op de dag van vandaag in de scholen gelezen en vertoond. Toen was het fictie, vandaag is het echter bloedige ernst. De moderne geneeskunde praat mensen hun gezondheid uit het hoofd. Ze maakt de mens wijs dat de natuur hem met steeds met nieuwe ziektes geselt die alleen door artsen te genezen zijn. Gezondheid wordt tot een toestand gemaakt die niemand meer kan bereiken. Tegenwoordig vinden farmaceutische ondernemingen en medische belangengroepen kwalen uit.

Jörg Blech, bioloog en wetenschapsjournalist, laat in zijn boek zien hoe de uitverkoop van de gezondheid in zijn werk gaat en hoe we ons daartegen kunnen beschermen. Hij verzet zich niet tegen de farmaceutische industrie en de moderne geneeskunde als zodanig . Zolang zij zich bezig houdt met het voorkomen en behandelen van werkelijke ziekten, heeft ze haar nut ruimschoots bewezen. Echte ziektes moeten niet gebagatelliseerd worden.

Ziekte is echter een industrieel product geworden. Voor elke ziekte is er een pil, en steeds vaker voor elke pil een nieuwe ziekte. Het leven zelf wordt gemedicaliseerd. Normale levensprocessen als zwangerschap en ouderdom, en persoonlijke en sociale problemen als bang of verdrietig zijn worden als medische problemen bestempeld. Risico's worden tot ziektes verklaard, zeldzame symptomen opgeblazen tot een om zich heen grijpende epidemie, en onschuldige symptomen uitgeroepen tot voorboden van zware ziektes. Het gevolg is een steeds groeiende reeks van overbodige therapieën. Dit kost enorm veel aan de ziekteverzekering, waardoor de middelen om echte ziekten te bestrijden worden beperkt.

Gelukkig verzetten steeds meer artsen zich tegen de medicalisering van het leven, in gang gezet door de industrie en haar medische handlangers. Ook de gewone mens kan een en ander doen om het eigen leven uit de medische sfeer te houden. Volgens Blech is een goed geïnformeerde en kritische mens het best opgewassen tegen de opdringerige marketingstrategieën van de moderne geneeskunde. Wie aan een ziekte lijdt moet naar de dokter gaan. Maar alle anderen zouden moeten weerstand bieden tegen de verleiding zich door ziektemakers in de luren te laten leggen.

Blech pleit daarom voor meer scepsis tegenover de medische wereld: aan een kritische en geïnformeerde persoon is het moeilijker een overbodig product te slijten. In het laatste hoofdstuk geeft hij daarvoor een aantal suggesties. Ik vraag me af in hoeverre dit realistisch en haalbaar is. Als het om hun gezondheid gaat spelen mensen immers graag op veilig. De meesten nemen liever een pil teveel dan een te weinig, ook al haalt het niets uit. Toch is het belangrijk om de kat de bel te blijven aanbinden.

Je vraagt je bij het lezen van De ziektemakers geregeld af of de situatie werkelijk zo ernstig is als Blech die voorstelt. In het nawoord relativeert Ivan Wolffers toch een en ander. Hij wijst erop dat de situatie in Duitsland niet zonder meer geldt voor andere landen. Niet in alle landen is het geneesmiddelengebruik zo hoog. De farmaceutische industrie is in Duitsland immers zeer machtig. Verder is ziekte ook cultuurgebonden: bepaalde syndromen komen alleen voor in bepaalde landen of taalgebieden. En tenslotte lukt het de industrie ook niet altijd om nieuwe ziektes ingevoerd te krijgen. De gewone mens slikt immers niet alles op commando.

Toch is het boek van Blech een aansporing om ook inzake gezondheid en ziekte als kritische consument te handelen. Het kan geen kwaad je af te vragen en je te informeren welke preventieve onderzoeken echt zinvol zijn, of bepaalde medicatie echt wel nodig is, of inname van supplementen iets bijbrengt. Blech neemt daartoe op het einde van zijn boek een interessante checklist op.

© Minervaria

woensdag 18 juli 2007

Het nut van ziekte

MOALEM, S., Het nut van ziekte. Een eigenzinnige medicus over de samenhang tussen ziekte en evolutie. (Vert. Survival of the Sickest) A'dam, De Bezige Bij, 2007, 256 pp. – ISBN 90 234 2244 0

Waarom komt het overgrote deel van de mensen met type1-diabetes uit Noord-Europa? Waarom erven zoveel Europeanen een genetische aandoening waardoor er teveel ijzer in hun organen wordt opgehoopt? Waarom kunnen we met een griep het bed niet uit, maar met een gewone verkoudheid gewoon naar ons werk? Waarom hebben we zoveel DNA dat overbodig lijkt? Waarom hebben Afrikanen vaker ene hoge bloeddruk? Omdat die nu soms levensbedreigende aandoeningen hen in het verleden in staat stelden een ijstijd, de slavenschepen of de pest te overleven.
Zo is de evolutionaire oplossing voor een probleem van de ene generatie vaak het evolutionaire probleem van volgende generaties. Het lichaam van onze voorouders paste zich aan hun omgeving aan, en dit heeft een grote invloed op de gezondheid en aanleg voor ziekten van de moderne mens.

Ziekten hebben immers evolutionair nut. Een teveel of tekort dat je hier en nu beschermt tegen de dood is te verkiezen boven de nadelen ervan binnen veertig jaar. Veel genen beschermen ons tegen een ziekte waaraan mensen vroeger op prille leeftijd stierven. De meeste mensen werden toen ook niet oud genoeg om de nadelen ervan te ondervinden. Nu bestaan er voor veel van die jeugdziekten probate remedies, maar we worden zo oud dat de negatieve effecten ervan wel tot uiting komen.

Sharon Moalem, bioloog en medicus, licht een tipje van de sluier over de herkomst en zin van veel voorkomende ziekten als diabetes, malaria, een te hoog cholesterolgehalte, allergische reacties, kanker. Ook obesitas, ouderdom en sterven kunnen door de evolutie verklaard worden.

Hij legt uit hoe de omgeving van onze voorouders heeft bijgedragen aan de vorming van onze genen. Hij onderzoekt ook de invloed van de evolutie van planten en dieren, en van bacteriën en virussen op de evolutie van mensen, en dus ook op hun gezondheid en ziektes. Het mooie hiervan is, dat dit alles uitzicht geeft op andere, en vaak minder ingrijpende, behandelingen tegen veel voorkomende ziektes.

In een boeiend en afwisselend betoog leidt Moalem ons doorheen de rimboe van medische en biologische termen wetenswaardigheden en termen. Het is een leerrijk boek, een opfrissing van kennis en tegelijk kennismaking met nieuwe inzichten. De tekst is vlot geschreven. Aan het eind van het boek volgt een uitgebreide reeks noten en een handig register.
Moalem biedt een nieuwe en verfrissende kijk op ziekte en gezondheid.

© Minervaria

vrijdag 11 mei 2007

De Wellnessklniek

HOEYBERGHS, J., De Wellnesskliniek. Uithoorn, Karakter Uitgevers B.V., 2006, 174 pp. – ISBN 90 6112 924 9

Jeff Hoeyberghs, cosmetisch chirurg en auteur van het boek Een wereld van wellness, huldigt wat hij noemt een bioprogrammatische kijk op schoonheid. In deze optiek is schoonheid essentieel geweest voor het overleven van de menselijke soort. De manier waarop we naar onszelf kijken is terug te voeren op het feit dat we de best mogelijke afstammelingen op de wereld willen zetten. Volgens Hoeyberghs is het schoonheidsideaal dat mensen koesteren niet ingegeven door cultuur of de media. Die zijn alleen maar een uiting van onze instinctieve behoeften, een oerinstinct dat hij het bioprogram noemt.

Hiermee hanteert hij een wel zeer eenzijdige en hoogst onvolledige kijk op het onderwerp. De psyche van de mens wordt gereduceerd tot zijn biologisch programma. Schoonheid en seksuele aantrekkingskracht worden op één hoop gegooid en alle sociaal-culturele invloeden worden zonder meer van tafel geveegd. Het is correct dat fysieke schoonheid een rol speelt bij de eerste indruk en de sociale positie van mensen. Bij cosmetische chirurgie gaat het echter vaak niet om het uiterlijk op zich, maar wel om hoe iemand zichzelf ziet en beleeft. En dit wordt door veel meer bepaald dan door het 'biologisch programma'. Het is dan wel eigenaardig dat in de literatuurlijst ook de werken van Gloria Steinem en Naomi Wolf zijn opgenomen, die zich toch net kritisch uitlaten over het schoonheidsideaal zoals de media ons dat voorschotelen. Daar heeft Hoeyberhgs blijkbaar niet veel uit geleerd. Hij zal er zich niet druk om maken, want het ondersteunt wel zijn eigen missie om mensen, die niet tevreden zijn met hun uiterlijk, door middel van plastische of cosmetische chirurgie een ander aanzien te verschaffen. Een u-vraagt-wij draaien scenario, dus.

Na deze inleiding over het schoonheidsideaal, legt hij in het eerste deel verder uit hoe de plastische chirurgie is ontstaan en hoe daaruit de cosmetische chirurgie is gegroeid. Op zich is dit interessant, ware het niet dat hij elke gelegenheid te baat neemt om de eigen kundigheden en prestaties dik in de verf te zetten en nagenoeg alle anderen als knoeiers af te schilderen. Hetzelfde gebeurt bij de presentatie van zijn eigen privé-kliniek.
Het gehele eerste deel komt daardoor over als een gigantische reclame voor de eigen winkel.

In het tweede deel, De strijd tegen de tand des tijds, krijgen verouderingsverschijnselen en de meest voorkomende cosmetische ingrepen een grondige bespreking. Voor zover ik kan oordelen, is die informatie correct en genuanceerd. Toch zijn tekst en illustraties vaak tendentieus, want suggestief in de richting van een noodzaak aan 'sleutelen'. In het eerste hoofdstuk over het gelaat bijvoorbeeld wordt het begin van de afnane van de elasticiteit van de huid gesitueerd rond het veertigste levensjaar. De foto's tonen echter vrouwen van meer dan 80 jaar, met alle symptomen van extreme huidverslapping. En toch mooie mensen!

In het laatste hoofdstuk werpt Hoeyberghs een korte blik op de toekomst. Omdat de chirurg hier werkt op vraag van de patiënt en niet omgekeerd zoals in de reguliere gezondheidzorg, pleit Hoeyberghs ervoor dat de overheid het privé-initiatief (de privé-klinieken) ondersteunt en niet sanctioneert. Over de consequenties met betrekking tot terugbetaling van geneeskundige zorgen rept hij echter met geen woord.

Het boek leest heel vlot en is verzorgd gepresenteerd.

© Minervaria