woensdag 31 maart 2010

Ode aan de arbeid

de BOTTON, A., Ode aan de arbeid. (Vert. The Pleasures en Sorrows of Work) A’dam/A’pen, Uitg. Atlas, 2009, 351 pp. – ISBN 978 90 450 1587 3

We staan er doorgaans niet bij stil wat er nodig is opdat we ‘s ochtends van ons geurige bakje troost kunnen genieten of dat bord ontbijtgranen kunnen binnenspelen. Hoe werden de grondstoffen bewerkt, verpakt en vervoerd? En wat kwam erbij kijken voor het koffiezetapparaat in de winkel stond en we de havervlokken op temperatuur kregen?

In musea vergapen we ons aan adembenemende kunstwerken, maar we vragen ons zelden af hoe ze tot stand zijn gekomen. We bewonderen wel het originele idee en de creatieve uitwerking, maar van de immense hoeveelheid noeste arbeid die dit alles mogelijk maakte hebben we geen flauw benul. De letterlijk adembenemende verfproductie, het nauwgezette weven van het doek, het smeden van hamer en beitel van de beeldhouwer en het geduldige precisiewerk van de instrumentenbouwer houden zich op achter de schermen, verborgen voor het onwetende kunstminnende publiek. Ook bij het lezen van een boek of krant denken wij er niet over na hoe papier of drukinkt werden vervaardigd, hoe de tekst werd gedrukt of de krant werd geredigeerd.

Arbeid lijkt in ons moderne leven wel vanzelfsprekend geworden en heet zinvol te zijn, ze verkeert toch nog altijd in een prozaïsche mist van saaiheid en jammerlijke noodzaak. Alleen op een open bedrijvendag is het ons vergund een blik te werpen op het intrigerende proces dat de producten levert waarmee we ons leven aangenaam en comfortabel maken.

De filosoof Alain de Botton vergast ons op een reeks bespiegelingen over werk. In zijn kenmerkende en meeslepende poëtische stijl neemt hij ons mee naar de visserij, een koekjesfabriek, een overslagplaats, de lancering van de Ariane, loopbaanbegeleiding, de hoogspanningslijn naar de Londense haven, het ogenschijnlijk saaie bestaan van de boekhouder, een uitvindersbeurs van aanstormende en tot mislukking gedoemde ondernemers-in-spe en eentje van vliegtuigbouwers. Hij wijst ons op de stille charme van doorzichtige kantoorgebouwen en de architecturale schoonheid van moderne constructies als windmolens en hoogspanningslijnen. Die reis achter de schermen is de aanleiding voor een overvloed van diepzinnige beschouwingen over de plaats en zin van arbeid in ons leven en de noodzaak om bezig te blijven.

Weer was de duik in een boek van de Botton een zeer verfrissende ervaring. Het is niet alleen een essay over de veelzijdige kanten van arbeid, maar tegelijk een fotoreportage met werk van Richard Baker. Het boek staat bol van de spitse aforismen en beschouwingen waarvan je je afvraagt waarom je er zelf niet eerder op kwam.

Als je het nog niet was, dan kom je bij het lezen van dit boek zeker onder de indruk van de grootsheid van de technologische arbeid achter de schermen van ons moderne bestaan.

© Minervaria

vrijdag 26 maart 2010

Het utopisme van de drugsbestrijding

TELLEGEN, E., Het utopisme van de drugsbestrijding. A’dam, Mets&Schilt, 2008, 348 pp. – ISBN 978 90 5330 583 6

Het gebruik van drugs is een emotioneel beladen onderwerp. Gegeven hun invloed op de bewustzijnstoestand hoeft dit niet te verbazen. Een sociaal geïntegreerd gebruik van roesmiddelen wordt dan ook meestal niet als probleem gezien. Wanneer het echter als ordeverstorend wordt ervaren komen de bestrijders in actie. Eeuwenlang bleven deze acties, onderhevig aan tegengestelde belangen, geografisch beperkt. Door de globalisering zitten we nu echter opgescheept met een wereldwijde drugsbestrijding die al veel meer ellende bracht dan beheerst en gereguleerd gebruik van de betrokken drugs vroeger veroorzaakte.

Het probleem zal bovendien op de agenda blijven staan omdat het onoplosbaar is, zegt Egbert Tellegen, socioloog en emeritus-hoogleraar. De wereldwijde drugsbestrijding blijft immers gebaseerd op het ideaal van een drugsvrije samenleving. Dit maakbaarheidsideaal, dat Tellegen vergelijkt met het communisme, is een utopie. Er zijn legio aanwijzingen dat mensen altijd stoffen gebruikt hebben om hun kijk op de wereld en hun gevoelens te veranderen en er is alle reden toe om aan te nemen dat ze dat zullen blijven doen. Veel regelmatige gebruikers kunnen ‘s morgens niet helder denken tot ze hun eerste kop koffie op hebben.

De voornaamste oorzaak van de gigantische drugsproblematiek waarmee de hedendaagse wereldgemeenschap te kampen heeft is de morele veroordeling van druggebruik, zegt Tellegen. Hij toont aan hoe ‘morele ondernemers’ van allerlei slag hun maatschappelijke positie gebruiken om bepaalde morele principes aan anderen op te leggen. In die morele strijd moet wetenschappelijke kennis het afleggen tegen vooringenomenheid en moralisme. Een overweldigende hoeveelheid kennis en feiten die schreeuwt om een drastische herziening van het wereldwijde drugbeleid worden onder de mat geveegd om een allesomvattend maar contraproductief repressief beleid in stand te houden.

In zijn boek wil Tellegen vooral de feiten laten spreken. Op basis hiervan toont hij aan hoe de repressieve drugsbestrijding net de illegale winstgevende handel in de hand werkt en daarmee de strijd tegen de drugs rechtvaardigt. Hij maakt duidelijk hoe de bestrijding en het verbod van de ene drug het gebruik van de andere aantrekkelijker maakte en in de hand werkte. Bovendien worden als gevolg van drugsverboden milde drugs vervangen door sterkere en gevaarlijkere. De recente opgang van de legaal verkrijgbare stof mephedrone bevestigt dit weer. Een repressief beleid werkt overigens selectief en treft vooral minder machtige en minder weerbare bevolkingsgroepen in de samenleving.

Wat we over verslaving denken hangt immers in hoge mate af van wie er verslaafd is, zegt Tellegen. Over druggebruik bestaan immers een aantal hardnekkige mythes, die hij weer aan de hand van feitenmateriaal ontkracht. Uit een historisch en geografisch overzicht van het gebruik van verschillende drugs blijkt dat druggebruik vooral een probleem is wanneer het geen deel uitmaakt van de sociale structuur van een samenleving. In dat geval leren jongeren niet van ouderen hoe je op een beheerste manier met een bewustzijnsveranderend middel kan omgaan.

De wereldwijde strijd tegen drugs wordt voor het ogenblik geleid door de Verenigde Staten, die er, zoals gewoonlijk, meteen maar een morele kruistocht hebben van gemaakt. Tellegen vergelijkt deze oorlog en haar povere resultaten met de wijze waarop diezelfde strijd in het sociaaldemocratische Zweden wordt gevoerd. Vervolgens zet hij dit repressieve beleid af tegen het relatief tolerante en op gezondheidsbeschermende gerichte drugbeleid in Nederland. Onder internationale druk wordt dit beleid nu echter bijna stelselmatig verhard zonder dat zich dit vertaalt in een navenant dalend druggebruik.

Wie niet de tijd heeft om de vier vorige hoofdstukken te lezen, krijgt in het vijfde een instructief overzicht van alle bezwaren tegen drugsbestrijding nog eens op een rij. Daar horen, behalve de al genoemde, ook eerder onverwachte argumenten bij als belemmering van de godsdienstvrijheid en onnodige belasting van het milieu.

Het mag duidelijk zijn dat de criminalisering en de daarmee samenhangende bestrijding van druggebruik geen zoden aan de dijk zet en op verschillende gronden af te keuren is. Als verbieden niet werkt en volledig vrij laten om verschillende redenen ook niet wenselijk is blijft het alternatief van de regulering. Tellegen noemt het een sociaal standpunt: mensen zijn vrij in het gebruik, maar de staat kan niet werkeloos toezien als mensen zich door druggebruik massaal ten gronde richten. Zo is in onze maatschappij trouwens nog ander gedrag, zoals het gebruik van een autogordel, gereguleerd. Een regulerend beleid kan op termijn leiden tot het cultiveren van beheerst druggebruik, geïntegreerd binnen een sociale context
Over hoe dit beleid er concreet moet uitzien spreekt Tellegen zich niet uit. Wel verwijst hij naar het plan Drugsbeheersing door Legalisatie dat in 1994 werd voorgesteld.

Dit boek heeft me aangenaam verrast. Tellegen is een fervente tegenstander van de vaak gewelddadige drugsbestrijding en spaart de voorstanders niet. Maar hij sukkelt nergens in de valkuil waarin mensen als Theodore Dalrymple, die vinden dat drugs te vuur en te zwaard moeten bestreden worden, zo vaak trappen. Zijn benadering is genuanceerd en relativerend. Hij ontkent niet de negatieve aspecten van druggebruik, zoals overlast en gevaren voor de gezondheid, maar plaatst die in een context die toelaat de voor- en nadelen beheerst af te wegen.

Zijn stellingen zijn stevig onderbouwd en ruim gedocumenteerd. De tekst laat zich bovendien heel vlot lezen, mede door de eenvoudige taal en zeer beperkt gebruik van vakterminologie.
Warm aanbevolen aan wie een ander beeld wil over het drugprobleem dan door de media wordt voorgeschoteld.

© Minervaria

Aanvullende lectuur:

zaterdag 20 maart 2010

Vrijen, slapen, eten, drinken, dromen

ACKERMAN, J., Vrijen, slapen, eten, drinken, dromen. Een dag uit het leven van je lichaam. (Vert. Sex, Sleep, Eat, Drink, Dream) A’dam, Nw. Amsterdam, 2007, 336 pp. – ISBN 978 90 486 0367 7

Op de een of andere manier zijn we ons allemaal scherp bewust van onze fysieke buitenkant: onze rimpels, de vorm van onze neus, onze zwembandjes en de vetrolletjes op onze buik, de eerste grijze haren. Maar tot een of andere storing ons wakker schudt verkeren we meestal in zalige onwetendheid over wat zich in ons binnenste voltrekt.

Na een nare droom gaf Jennifer Ackerman haar plannen op om dokter te worden en werd ze wetenschapsjournaliste. Ze las tientallen boeken en pluisde honderden tijdschriftartikels uit, neusde rond in laboratoria en woonde ettelijke vermoeiende lezingen en conferenties bij. In haar boek presenteert ze de resultaten van de afgelopen vijf jaren intensief onderzoek naar intrigerende aspecten van de werking van ons lichaam.

Ze maakt ons wegwijs in de vele ingewikkelde processen en gebeurtenissen die in de loop van een etmaal de revue passeren. Met zwier loodst ze ons door de cruciale momenten van de dag, vanaf het ontwaken en de energieke ochtenduren, doorheen de landerige middagdip en de stresserende deadlines van de dag naar de ontspannende avond tot in het holst van de nacht.

Haar boek verschaft een schat aan weetjes over wat er gebeurt in ons lichaam als we vrijen, eten, slapen, drinken en dromen, en nog veel meer. We leren over circadiane ritmes en het verschil tussen uilen en leeuweriken. Met het biologische ritme als rode draad maakt ze onder meer duidelijk waarom de meesten onder ons geen goede multitaskers zijn, onze aandacht in de voormiddag het scherpste is, een middagdutje toch voordelig kan zijn, we alcohol het beste in de vooravond verwerken en de jeuk van een insectenbeet en een verstopte neus ons vooral ’s nachts uit de slaap houden. Ze probeert de wonderbaarlijke complexiteit van de slaap te ontwarren, wat die voor ons lichaam betekent en hoe kunstmatig licht en het moderne leven de grenzen van het dagelijkse ritme oprekken en ons natuurlijke slaappatroon in de war sturen.

Uit de vijftig pagina’s noten blijkt dat Jennifer Ackerman zich stevig gedocumenteerd heeft met behulp van gedegen wetenschappelijk onderzoek. Uiteraard zullen na verloop van tijd bepaalde gegevens door recenter onderzoek bijgewerkt of achterhaald worden. Voorlopig biedt dit leerzame boek een mooi overzicht van de stand van de wetenschappelijke kennis van verschillende lichaamsprocessen tijdens het verloop van een dag.

Jennifer Ackerman schrijft met een vlotte pen, maar ze gebruikt toch nog vrij veel vaktermen. Enige voorkennis over de werking van het lichaam maakt de lectuur wat gemakkelijker. Jammer van de storende slordige vertaling.

© Minervaria

dinsdag 9 maart 2010

Een schreeuw om recht

van AGT, D., Een schreeuw om recht. De tragedie van het Palestijnse volk. A’dam, De Bezige Bij, 2009, 168 pp. – ISBN 978 90 234 5483 0

“Het heeft lang geduurd voor ik in de greep kwam van het besef hoezeer het Palestijnse volk wordt vermorzeld onder de wielen van de geschiedenis”, aldus de Nederlandse oud-minister Dries van Agt.
Sinds een aantal jaren kan hij echter niet meer aan de kant blijven staan. In dit zeer goed gedocumenteerde boek beschrijft van Agt de verbijsterende toestand in de door Israël bezette gebieden.

Er bestaat nog ontstellend veel onwetendheid over wat er na de Tweede Wereldoorlog werkelijk met de Palestijnen is gebeurd en over het mateloze onrecht dat zij hebben ondergaan en waaronder ze nog steeds gebukt gaan. De schaarse infomatie die ons over Israël en de Palestijnen bereikt is zwaar vertekend. Daardoor worden veel vooroordelen in de hand gewerkt en gevoed. Die leiden tot onverschilligheid jegens het lot van het Palestijnse volk of zelfs afkeer.

In een schokkend relaas doorprikt van Agt een hele reeks mythes over Israël en de Palestijnen, die ons in door Israël gemanipuleerde berichtgeving wordt voorgeschoteld.
De aanhangers van de zionistische ideologie houden al decennialang heel historisch Palestina bezet en maken in de bezette gebieden het leven voor de Palestijnse bevolking ondraaglijk.
De kolonisatiepolitiek verdreef hen van vruchtbare grond en dit proces gaat onverminderd door. Door middel van collectieve straffen voor het gewapende verzet tegen de bezetting wordt het Palestijnse volk opzettelijk in een wurggreep gehouden, in rampzalige armoede gedompeld en opgekooid in een soort openluchtgevangenis. Iedere mogelijkheid op een betere toekomst wordt aldus aan de Palestijnen ontnomen.

In scherpe bewoordingen veroordeelt hij de lakse en onverschillige houding van de internationale gemeenschap en haar onwil om paal en perk te stellen aan de disproportionele Israëlische agressie en de herhaaldelijke en stuitende schendingen van de mensenrechten. De termen etnische zuivering en genocide zijn volgens hem zeker niet overdreven.
Van Agt toont ook aan hoe opeenvolgende vredesinitiatieven van de meest uiteenlopende partijen steeds weer op onverantwoorde Israëlische eisen stuitten, zodat men zich met recht kan afvragen of Israël wel vrede wil.

Het is algemeen bekend dat de Verenigde Staten een zware verantwoordelijkheid dragen voor de onrechtvaardige en schier uitzichtloze situatie in Palestina. De Israëlische en Amerikaanse belangen zijn op een eigenaardige manier met elkaar verweven.
Maar ook de Europese Gemeenschap heeft in verschillende opzichten boter op haar hoofd, zo toont van Agt aan. Hij laakt meer bepaald de opeenvolgende Nederlandse regeringen die zich steeds ondubbelzinnig aan de kant van Israël hebben geschaard en de Palestijnen zonder meer blijven bestempelen als terroristen en agressors.
Wie in het Westen of in Israël zelf het lot van de Palestijnen onder de aandacht brengt of het beleid van Israël op de korrel neemt riskeert trouwens zware persoonlijke aanvallen door prominente figuren.

Het schrijnende verhaal van Dries van Agt is gebaseerd op overtuigend bewijsmateriaal uit onverdachte hoek. De rapporten van verschillende Joodse en andere mensenrechtenorganisaties, het anders zeer terughoudende Rode Kruis, wetenschappers en professoren uit verschillende disciplines en neutrale onderzoekscommissies wijzen alle in dezelfde richting. Over het mateloze onrecht dat de Palestijnen wordt aangedaan kan men alleen diep verontwaardigd zijn.

Het lot van de Palestijnen moet meer bekendheid krijgen in Nederland, zegt van Agt, zodat het ook op de politieke agenda komt. Met dit zeer leesbare en toegankelijke boek levert hij hieraan zeker een bijzonder waardevolle bijdrage. Een absolute must voor iedereen die kritisch staat tegenover wat in de krant en op televisie verteld wordt.

© Minervaria

zondag 28 februari 2010

De uitdaging van het populisme

van der ZWAN, A., De uitdaging van het populisme. A’dam, Meulenhoff, 2003, 223 pp. – ISBN 90 290 7331 4

Sedert het begin van de jaren ’80 van de vorige eeuw is het populisme in Europa steeds nadrukkelijker aanwezig in de politiek. Het populistische discours is intussen ook door de media en de traditionele politieke partijen overgenomen.

Populisme is een moeilijk grijpbaar politiek fenomeen dat zich niet in een of andere ideologie laat onderbrengen. Daarom is het des te belangrijker om erover te lezen en de achtergronden ervan proberen te “grijpen”, aldus van der Zwan. Die wortelen volgens hem in de problematiek van een gaandeweg machtelozer wordend politiek bestel. De mondialisering van de economie heeft aan de megabedrijven een schier onbeperkte macht gegeven over het economisch beleid van nationale regeringen. Niet alleen in de arbeidersklasse, maar ook in de middenklasse leven steeds meer mensen in werk- en bestaansonzekerheid. Momenteel houdt veertien procent van alle werknemers er bijvoorbeeld serieus rekening mee dat ze op ieder moment ontslagen kunnen worden.

Tegenover dit mondiaal economisch geweld staan de nationale regeringen machteloos. Overheden kunnen hun beloften van zekerheid en stabiliteit niet meer nakomen. Erger is echter dat de overheid zelf - met inbegrip van de linkse partijen - te ver is meegegaan in dat economische verhaal. Minder staat was de leuze van de derde weg. De overheid heeft belangrijke onderdelen van het publieke bedrijf te veel en te lang op marktleest geschoeid. Het heeft de burger geen voordeel gebracht. Hij is een willoze speelbal geworden van onbegrepen en onbeheersbare krachten en is de overheid gaan wantrouwen.

Deze situatie wordt gecompliceerd door de moeilijke integratie van de etnische minderheden. Die zijn in alle opzichten een sprekend voorbeeld van de aloude tegenstelling tussen onder- en bovenbouw van de maatschappij. De etnische minderheden zijn de nieuwe maatschappelijke onderlaag geworden, die door het populisme graag als zondebok voor alle maatschappelijke problemen wordt gebruikt. Bij de maatschappelijke bovenlaag bemerkt van der Zwan daarentegen een opmerkelijke onverschilligheid – hij noemt het gebrek aan ‘publiek ethos’ - voor de problemen van de midden- en onderklasse.

De uitdaging van het populisme ligt volgens van der Zwan in de versterking en herwaardering van de staat. Niet minder maar méér staat dus. De overheid dient de voorwaarden te creëren waaronder burgers veilig kunnen leven, hoogwaardig onderwijs kunnen volgen, actief kunnen participeren in een modern productiesysteem, gebruik kunnen maken van essentiële voorzieningen en gevrijwaard worden van bestaansonzekerheid die het individuele vermogen overstijgt.

Van der Zwan houdt daarmee een pleidooi voor verlicht modern nationalisme. De burgers moeten zich weer actief betrokken voelen bij een gemeenschappelijk project, een verbond waarvoor ze zelf gekozen hebben. Daarin is geen plaats voor ongeremd kapitalisme. Maar daarin is evenmin plaats voor etnisch nationalisme, dat zijn voedingsbodem vindt in de onzekerheid van het huidig maatschappelijk klimaat.

De overheid staat voor een zware taak. Hoe het vertrouwen van de burgers weer winnen? Er is maar één weg volgens van der Zwan: de overheid moet zichtbare en efficiënte prestaties leveren. Hier ziet hij nieuwe kansen voor het socialisme. Als de staat een gemeenschappelijk project moet zijn, kan de overheid het zich niet veroorloven dat grote groepen mensen marginaal zijn en uitgesloten worden. Het gaat niet op de midden- en onderklasse verder over te leveren aan het geweld van de internationale concurrentiedruk en de bovenlaag hiervan te vrijwaren.

Een radicaal sociaal-democratisch antwoord moet dus de ideologisch geladen tegenstelling tussen rijk en arm weer centraal stellen. Bescherming van de zwakkeren en herverdeling zullen weer effectief op de agenda moeten komen, ook al betekent dit dat men tijdelijk van regeringsdeelname moet afzien. Anderzijds zal men de solidariteitsgedachte van het oorspronkelijke socialisme weer nieuw leven moeten inblazen: wie wil aanspraak maken op rechten moet ook verantwoordelijkheid opnemen.

Dit boek bestaat uit een aantal onafhankelijke essays. Sommige ervan zijn intussen al meer dan tien jaar geleden geschreven. Ze zijn niettemin nog verbazend actueel. Van der Zwan behandelt het onderwerp genuanceerd en diepgaand, zijn betoog is zeer degelijk uitgewerkt en gebaseerd op stevig onderzoek. Sommige van zijn stellingen roepen natuurlijk vragen op, maar dat is ook de bedoeling van een dergelijke publicatie.

Ook al zijn niet alle hoofdstukken even gemakkelijk te volgen, het geheel is vrij inzichtelijk en redelijk goed leesbaar voor wie zich een beetje inspanning getroost.

© Minervaria

donderdag 18 februari 2010

Waarom vrouwen zich meer schamen dan mannen

BANEKE, J., Waarom vrouwen zich meer schamen dan mannen. Over psychologie, criminaliteit en cultuur. A’dam, Uitg. Bert Bakker, 2009, 295 pp. – ISBN 978 90 351 3364 8

Als gevolg van een bijzonder hatelijke pestcampagne tegen haar op het internet heeft de directrice van een Britse school onlangs ontslag genomen uit haar functie. Wat beweegt mensen ertoe om hen soms totaal onbekende personen op internet van de meest walgelijke zaken te betichten? Psychologen denken dat dit onder meer te verklaren valt door de anonimiteit van het medium. Als niemand mij ziet of weet wie ik ben, vallen remmingen weg die mij anders weerhouden van onfatsoenlijk of schaamteloos gedrag.

Hiermee is een belangrijke functie van schaamte gegeven. Volgens sommige auteurs zou schaamte fundamenteler zijn dan schuld. Schaamte of de vrees voor schaamte zet ons aan tot sociaal aanvaardbaar gedrag. Schaamte, zo denkt men, is ontstaan in de evolutie als sociaal signaal om het eigen gedrag af te stemmen op anderen. Baneke legt uit hoe schaamte berust op een specifiek netwerk van verbindingen in de hersenen die zeer dicht aanleunen bij het stresssysteem.

De titel van dit boek zet de lezer op het verkeerde been. Dit boek gaat niet over verschillen tussen mannen en vrouwen en het valt helemaal niet in de categorie Mars-en-Venus. Het gaat over de emotie schaamte.

In de psychologie en de sociale wetenschappen is het onderzoek naar schaamte pas relatief laat op gang gekomen. Joost Baneke, klinisch en forensisch psycholoog en hoogleraar aan de Universiteit Twente, heeft de afgelopen jaren onderzoek verricht naar schaamte, geestelijke gezondheid en criminaliteit. In dit boek presenteert hij het resultaat daarvan.

Schaamte is een diepmenselijke en complexe emotie met veel functies. Er is een hele familie van aan schaamte verwante woorden. Schroom, schuchterheid, schande, verlegenheid, twijfel, minderwaardigheid, bescheidenheid zijn allemaal gevoelens en emoties die op een of andere manier met schaamte te maken hebben. Sommige ervan krijgen altijd een negatieve betekenis, andere worden, afhankelijk van de context, positiever gewaardeerd.
In dit boek verkent Joost Baneke verschillende betekenissen en interpretaties van schaamte.

Hij toont aan hoe schaamte zowel een verbindende als vervreemdende kracht kan zijn. Schaamte voelen we als gevolg van vernedering, gekrenktheid, maar ze kan ook een uiting zijn van respect voor anderen. Ze kan ons ervan weerhouden, maar ook aanzetten tot agressie en geweld. Baneke maakt duidelijk hoe een schaamtecultuur of cultuur van de eer, die wij vooral op een negatieve manier kennen, ook positieve aspecten inhoudt. Schaamte of eer zijn een uiting van respect voor de ander, van onderlinge verbinding en gevoel van fatsoen.

In zijn praktijk als forensisch psycholoog krijgt Joost Baneke ook te maken met mensen die schijnbaar geen schaamte kennen. Schaamteloosheid lijkt verband te houden met de vroegkinderlijke emotionele relaties. Hij onderzoekt dus hoe schaamte wortelt in het hechtingsproces en de ontwikkeling van het empathisch vermogen. En omdat vrouwen in het algemeen meer dan mannen gericht zijn op het leggen en onderhouden van relaties, empathischer zijn en zichzelf daardoor sneller zien door het oog van de ander, schamen zij zich meer dan mannen.

En zo krijgt de lezer in het achtste hoofdstuk eindelijk een antwoord op de titelvraag. Of liever: dat antwoord moet je zelf vinden. Want het boek van Baneke leest als een ongeleide wandeling door een bos. Het is, zoals hij zelf zegt, het verslag van onderzoek, theorieën en beschouwingen over schaamte. Hiervoor heeft hij zich grondig verdiept in de mythologie, de filosofie, het neurologisch en wetenschappelijk onderzoek, de literatuur en de psychoanalyse.

Wie een samenhangende en inzichtelijke visie verwacht over de emotie schaamte in haar vele gedaanten en aspecten blijft echter op zijn honger zitten. Baneke beperkt zich tot de bespreking en samenvatting van divers onderzoek en de inzichten van verschillende autoriteiten over schaamte. Om zijn betoog goed te kunnen volgen heb je echter heel wat voorkennis nodig uit uiteenlopende domeinen: de Griekse mythologie, de psychoanalyse, het hersenonderzoek, de filosofie, de cultuurstudie.

Dit werk heeft meer weg van een studieboek en het vraagt nogal wat zelfwerkzaamheid om de rijke en gevarieerde inhoud te verwerken. Ook al heeft de auteur zich heel zeker beijverd om de tekst voor de modale lezer toegankelijk te maken, zijn betoog blijft verre van gemakkelijk verteerbaar.

Misschien ligt dit wel aan de complexiteit van het onderwerp. Van een deskundige die daar gedurende jaren een studie van gemaakt heeft mag je echter meer verwachten. Toch heb ik kennis gemaakt met een paar interessante en verrijkende invalshoeken uit verschillende disciplines. Heel zeker zijn een aantal daarvan onvolledig of eenzijdig. Dat mannen zich in het algemeen minder schamen dan vrouwen is bijvoorbeeld betwistbaar. Het is waarschijnlijker dat ze er op een andere manier mee omgaan en er uiting aan geven (zie Als mannen konden praten).

Ik mis een bronnen- of literatuurlijst maar er zijn wel een uitgebreide notenlijst, personen- en zakenregister opgenomen.

© Minervaria

vrijdag 12 februari 2010

De smaak van de verovering

KRONDL, M., De smaak van de verovering. Venetië, Lissabon en Amsterdam en de strijd om de specerijen. (Vert. A Taste of Contest. The Rise and Fall of the Great Cities of Spice - 2007) A’dam, Ambo, 2008, 366 pp. – ISBN 978 90 263 2113 9

Vóór de Europeanen zich er op stortten bestond er reeds lang een bloeiende specerijenhandel in het Oosten. Smaakmakers en kruiden waren integraal onderdeel van de Romeinse keuken. In de donkere begintijd van de Middeleeuwen waren specerijen echter vrijwel verdwenen uit de dagelijkse kost. Maar de kruisvaarders maakten kennis met de Oosterse eetgewoonten en brachten een nieuwe trend naar het Europese continent.

Kruiden werden de kroon op elke verfijnde keuken. Gekruid eten was exotisch, het was hip en de mensen vonden het lekker. Specerijen werden de volgende zeshonderd jaar een wezenlijk onderdeel van een luxueuze levensstijl waarmee de bovenlaag van de bevolking zich onderscheidde van de onderste lagen. Binnen de rijke klasse werden ze bovendien als medicinale voedingssupplementen gebruikt. Overvloedig gebruik van specerijen was een teken van welstand.

Specerijen waren immers peperduur. En ondanks de hoge kosten van verhandeling en transport waren in de specerijenhandel buitengewone winsten te maken. Mensen over de hele wereld hebben fortuinen verdiend aan de Europese hunkering naar peper, kaneel, kruidnagel en nootmuskaat. Kooplieden vergaarden fabelachtige rijkdommen in de specerijenhandel, monarchen financierden hun legers met hun aandeel in de peperbranche. Maar nergens vormden de Aziatische specerijen het levensbloed van de welvaart zozeer als in de pakhuizen van Venetië, Lissabon en Amsterdam.

Michael Krondl, docent-kok aan de New School in New York, neemt ons mee op een boeiende en intrigerende reis naar het geurige verleden van deze specerijensteden. Hij verdiept zich in het verhaal van de opkomst en ondergang van deze specerijencentra en de economische, politieke en militaire wisselvalligheden die daarin een beslissende rol speelden.

Hij verheldert hoe de Venetianen hun succes dankten aan de overname van de maritieme activiteiten van het verzwakte Byzantijnse Rijk tijdens en na de kruistochten en hoe de godsdienstwaanzin in Europa en de dertigjarige oorlog de doodsteek gaven aan de Venetiaanse specerijenhandel.

Het wordt ons duidelijk waarom de Portugezen voor de handel in specerijen de zware ontberingen trotseerden van de moeilijkste en zwaarste reis die de wereld toen kende. Op deze wijze verdrong een nietig en straatarm land als Portugal de Venetianen en werkte zich op tot de leider in de specerijenhandel. Uiteindelijk moest Portugal zijn heerschappij afstaan aan een opkomende macht in het noorden.

In Amsterdam pakten de Hollanders de zaak weer anders aan. Zij bundelden de krachten in de Vereenigde Oost-Indische Compagnie en legden daarmee de fundamenten voor een specerijenimperium in Zuidoost Azië. Dit monopolie op de handel in nootmuskaat, foelie en kruidnagel was echter niet enkel te danken aan hun zakelijke aanpak maar evenzeer aan de uitbuiting en genocide van de lokale bevolking.

Maar na verloop van tijd betraden ook de Fransen en Britten de specerijenarena. En net toen de Europese wereldheerschappij de handelswegen helemaal open legde waren de trendsetters de specerijen beu geworden. Dit maakte mede een einde aan de Hollandse Gouden Eeuw.

De specerijenhandel bracht een stroom van mensen en goederen over de hele aarde op gang. Misschien is het wel niet overdreven als Krondl stelt dat de oorsprong van de globalisering direct tot de specerijenhandel kan worden herleid. De verschrompelde besjes in onze pepermolen gaven immers de opmaat voor Europa’s entree op het wereldtoneel en zijn uiteindelijke verovering van de wereld.

Dit boek vertelt het fascinerende verhaal hoe de specerijenhandel een nieuwe wereld vormde. Wij denken gemakkelijk dat de wereldgeschiedenis zich voortbeweegt op grote wielen, op napoleontische ego’s, op revoluties van de massa’s, op enorme economische verschuivingen en technologische verandering. Michael Krondl toont overtuigend aan hoe schijnbaar onbeduidende details in het dagelijkse leven, zoals de voorkeur voor bepaald voedsel, kunnen leiden tot opschudding van de wereldorde.

Hiermee stelt hij de geschiedenis van de Europese veroveringen en ontdekkingstochten in een ander daglicht. Krondl heldert ook een aantal misverstanden op over het gebruik van specerijen. Hij toont aan dat men ze niet nodig had waren om het voedsel te bewaren, maar dat ze pure luxeproducten waren die slechts langzaam in het bereik kwamen van de gewone man.

En dat doet hij allemaal op een zeer vlotte en onderhoudende wijze. Als een volleerde stadsgids laat hij ons de sfeer opsnuiven van het meer en minder roemrijke verleden van iedere stad, geeft hij ons een rondleiding langs de historische plaatsen en vertrouwt hij ons heel wat pittoreske details en anekdotes toe. Hij brengt ons ook in contact met een paar markante figuren die zich inzetten om het specerijenverleden van de stad in ere te houden. Michael Krondl is bovendien zelf kok en laat ons meeproeven van typische gerechten.
Als toetje vergast hij ons op een heerlijk gekruid renaissancerecept uit iedere stad.

Al is Michael Krondl geen historicus, zijn verhaal is uitstekend gedocumenteerd met een uitgebreide bronnenlijst. Een handig register maakt je snel wegwijs.

Voor liefhebbers van geschiedenis is het smullen geblazen!

© Minervaria