MAHBUBANI, K, De eeuw van Azië. Een onafwendbare machtsverschuiving. (Vert. The new Asian hemisphere. The irresistible shift of global power to the East) A’dam, Uit. Nw. A’dam, 2008, 336 pp. – ISBN 978 90 468 0475 9
In de wereld van vandaag speelt zich waarschijnlijk geen grotere verandering af dan de economische en politieke opkomst van de Aziatische landen. Honderden miljoenen mensen zullen worden gered uit de klauwen van de armoede en de wereld zal vreedzamer en stabieler worden. Dit proces zal helaas niet zonder slag of stoot gaan. De renaissance van Azië zal immers het einde betekenen van de werelddominantie van het Westen.
Kishore Mahbubani was gedurende 10 jaar vertegenwoordiger voor Singapore in de Verenigde Naties. Hij verheldert waarom Azië sinds kort een steeds grotere rol speelt op het wereldtoneel en welke de consequenties zullen zijn voor het Westen en voor de wereld in zijn geheel. Niemand kan de toekomst exact voorspellen maar bepaalde trends tekenen zich toch duidelijk af.
De meest opvallende is de mars naar de moderniteit. Die wordt de belangrijkste trektocht in de geschiedenis van de mensheid. Op enthousiaste, soms ontroerende wijze beschrijft Kishore Mahbubani wat moderniteit voor de Aziaten betekent: bijvoorbeeld een toilet. Een comfortabeler bestaan helpt mensen de armoede te ontstijgen, draagt bij tot hun persoonlijke ontwikkeling en verheffing, en stimuleert de maatschappelijke vooruitgang in het bijzonder van onderwijs en gezondheidszorg. De moderniteit maakt van mensen geschoolde en mondige burgers. Daarom zal deze evolutie goed zijn voor de wereld als geheel en staat een lange periode van vrede in het vooruitzicht.
De moderniteit wortelt in de 7 pijlers van het moderne westerse denken. Hier geeft een buitenstaander een heel interessante kijk op een manier van denken die voor een westerling vanzelfsprekend is. De Aziatische landen hebben deze westerse wijsheid pas zo laat ontdekt omdat zij van oudsher een hiërarchisch en feodaal wereldbeeld hebben. Ze koesteren over het algemeen de diepgewortelde overtuiging dat alle vooruitgang in de maatschappij te danken is aan welwillende en wijze bestuurders. Hier herkende ik parallellen met de verklaring van Landes voor de kloof tussen rijke en arme landen.
Maar dit wereldbeeld is in ras tempo aan het veranderen. De moderniteit heeft de Aziatische geest bevrijd. Het Westen is erin geslaagd om de wereld in de meest ruime zin te democratiseren. Het aantal mensen dat de democratische waarden en ideeën heeft aangenomen was nog nooit zo groot, en dit niet alleen in Azië. De Aziaten zijn meer zelfbewust geworden en realiseren zich dat ze macht hebben als burgers en hun lot in eigen handen kunnen nemen. Naarmate de democratisering steeds krachtiger wordt zullen ze echter meer gaan nadenken over de ondemocratische wereld waarin ze leven.
De Westerse wereld, vooral de Verenigde Staten maar ook de Europese gemeenschap, is niet onverdeeld gelukkig met deze evolutie. Het Westen heeft daarbij op het eerste zicht immers niet veel te winnen, maar krijgt een aantal wezenlijke verliezen te verwerken. Het gaat hier niet om een absoluut maar een relatief verlies. Het Westen zal er niet minder welvarend op worden, maar zal wel aan macht en superioriteit inboeten. Het zal afstand moeten doen van het idee dat de westerse belangen, normen en waarden universeel zijn. En daartoe zijn de Westerse machten niet zonder meer bereid.
Want de waarden en normen die het westen richtinggevend vindt past het zelf niet toe op wereldvlak. Trefzeker legt Mahbubani de vinger op de spanning tussen de hoogstaande westerse waarden en normen en de manier waarop die door de Westerse landen zelf met voeten worden getreden om de eigen politieke en economische belangen te vrijwaren. De westerse landen, hoewel slechts een fractie van de wereldbevolking, houden toch in alle wereldorganisaties de touwtjes in handen en dringen de andere landen een beleid op dat in tegenspraak is met wat ze voor zichzelf voorstaan.
Voor de meeste mensen op de wereld fungeert het westen echter niet meer als maatstaf en referentiepunt voor hun eigen mening en oordelen. De ontwestersing zal op termijn leiden tot het verdwijnen van steeds meer Westerse invloed in Azië. Dit is reeds het geval in de Chinese, islamitische en Indische samenlevingen. Vooral in de islamitische samenlevingen groeit het anti-amerikanisme zienderogen.
De Westerse landen mogen dan wel een competent binnenlands beleid voeren, op wereldvlak bakken ze er maar weinig van. Ongenadig legt Mahbubani de onvergeeflijke dwaasheden van de westerse machten bloot met betrekking tot internationale handel, het klimaatbeleid en de economie, de kernbewapening en de houding van de VS tegenover Iran. Hij hekelt ook de Westerse politiek die een scherp onderscheid maakt tussen vrije en onvrije samenlevingen. Vrijheid is betrekkelijk want er bestaan verschillende lagen van vrijheid.
In hun internationale betrekkingen gaan de Aziatische landen veel minder ideologisch dan wel pragmatisch te werk. Daardoor slagen ze erin om onderlinge spanningen af te wenden en redelijk ontspannen onderlinge betrekkingen met andere landen te onderhouden. Mochten de Westerse landen dit ook doen, dan zou het Midden-Oosten niet zo’n kruitvat zijn.
Opdat de wereldvrede bewaard blijft moeten de principes van goed binnenlands bestuur ook op wereldvlak worden toegepast. Mondiaal leiderschap vereist een mondiale democratie, een mondiaal rechtstelsel dat voor alle landen geldt, mondiale sociale rechtvaardigheid en gelijkwaardige samenwerkingsverbanden op basis van pragmatisme. Dit alles is essentieel voor het bewaren van de wereldvrede. Dit klinkt als het intrappen van een open deur, maar wie gelezen heeft hoeveel daarvoor nog moet veranderen weet dat we nog ver van dat streefdoel staan.
Het westen is zowel een deel van de oplossing als een deel van het probleem. De wereld gaat een zeer onzekere politieke en economische toekomst tegemoet door de aarzeling van de westerse leiders om te erkennen dat de westerse overheersing van de wereld niet kan blijven duren. Met zijn pragmatische aanpak zal Azië een steeds grotere rol vervullen in de wereldeconomie en –politiek en dat kan ook voor het Westen een zeer goede zaak zijn.
Kishore Mahbubani is wellicht wat té optimistisch wat de situatie in Azië betreft. Zijn aandacht gaat vooral naar de economische en politieke voortrekkers en reuzen, zoals Japan, China en India, en in mindere mate Zuid-Korea. Het is maar de vraag of die pioniers wel zo vrij zijn van ideologische aspiraties of ernstige interne problemen. In tegenstelling tot het Westen zijn er bovendien in Azië toch nog vrij veel economisch en politiek instabiele landen, waar een democratie nog een verre wensdroom is. Daarom lijkt zijn betoog vaak op een vorm van wishful thinking. Maar zijn kritiek op de dominerende rol van het Westen in de wereldorde is wel heel gefundeerd en zonder meer terecht.
Het betoog van Mahbubani is zeer degelijk gedocumenteerd en laat zich vlot lezen. Voor wie geïnteresseerd is in wereldpolitiek is dit boek een eye-opener!
© Minervaria
Aansluitend:
DENYS, J., Free to work. Voor een open en moderne arbeidsmarkt. A’pen/A’dam, Houtekiet, 2010, 357 pp. – ISBN 9789089240729
Free to work
Hoezo, vrij om te werken?
Alhoewel werken een essentieel element is van volwassenheid, beschouwen veel mensen het werk als een noodzakelijk kwaad. “Je werkt om te leven. Je leeft niet om te werken”, zo wordt gezegd. Veel mensen beginnen pas te leven als ze de deur van hun kantoor of werkplaats achter zich dicht gedaan hebben en kijken vanaf een bepaalde leeftijd reikhalzend uit naar de dag van hun pensioen.
Volgens Jan Denys, arbeidssocioloog en arbeidsmarktdeskundige bij Randstad, ligt deze negatieve ingesteldheid aan de basis van de stroeve arbeidsmarkt in België. De wijze waarop hier over arbeid en de arbeidsmarkt wordt gedacht is hopeloos verouderd. Denys vergelijkt onze visie op arbeid met de middeleeuwse visie op mobiliteit. Zich verplaatsen was toen een hele onderneming waaraan de mensen liever niet begonnen. De meeste Belgen willen liefst niet te maken hebben met de arbeidsmarkt. Hun belangrijkste zorg is zo snel mogelijk een vaste job te bemachtigen die hen zo lang mogelijk, als het even kan tot het pensioen, zekerheid biedt.
Dit denkbeeld is echter hopeloos achterhaald. De moderne economische situatie verandert veel sneller dan een aantal decennia geleden en steeds meer mensen zien zich tijdens hun loopbaan genoodzaakt om een andere baan te zoeken. De grootste zekerheid is vandaag niet meer in de bedrijven te vinden maar op de arbeidsmarkt. Van werknemers wordt verwacht dat ze breed inzetbaar zijn en zich vlot kunnen bewegen tussen bedrijven en jobs. Langdurige dienstverbanden zullen niet verdwijnen, maar ze zullen meer gebaseerd zijn op vrije keuze dan op gebrek aan keuze, zo voorspelt Jan Denys.
Deze veranderingen roepen bij werknemers én werkgevers weinig enthousiaste reacties op. Een meerderheid onder hen ziet ze nog teveel als bedreiging dan als kans. Toch maakt een moderne arbeidsmarkt zowel nieuwe flexibele vormen van ondernemen mogelijk als inhoudelijk rijkere loopbanen voor werknemers. Op een goed werkende arbeidsmarkt hebben werkzoekenden niet alleen meer kans om een baan te vinden, ze hebben bovendien meer kans op een job die min of meer aansluit bij hun wensen en verwachtingen. Een goed functionerende arbeidsmarkt is niet alleen essentieel voor een dynamische economie, ze heeft ook een ruimer maatschappelijk belang. De sociale welvaartsstaat kan enkel overleven als er meer mensen aan het werk zijn. En omdat werken meer betekent dan het verwerven van een inkomen draagt een vlot werkende arbeidsmarkt bij tot het bruto nationaal geluk.
Om dat doel te bereiken zijn nog een heel pak innovaties nodig, aldus Jan Denys.
De Belgische arbeidsmarkt is immers dringend aan modernisering toe. De werkzaamheidsgraad in België is te laag, vergeleken met die in de buurlanden en met de Europese doelstellingen. De Belgische arbeidsmarkt speelt te weinig in op de recente ontwikkelingen in de economie en de arbeidswereld. Men focust vooral op de bedreiging en ziet te weinig uitdagingen.
In zijn gedetailleerde analyse van de Belgische arbeidsmarkt detecteert Jan Denys liefst twaalf pijnpunten die elkaar in combinatie versterken. De sterke punten wegen daar niet tegenop. Daarvoor zijn verschillende oorzaken aan te wijzen, waaronder grote machtsverschillen tussen werkgevers en werknemers en angst voor verandering bij beide partijen. Een economische crisis versterkt alleen maar de invloed van deze factoren. Met meer flexibiliteit bij alle betrokken partijen kunnen we echter ook de kansen en uitdagingen van de crisis benutten.
Hoe ziet Jan Denys een moderne arbeidsmarkt dan? Hij stelt ons gerust. Het is geen arena waar de wet van de sterkste regeert. Op een open en transparante arbeidsmarkt is er nog altijd solidariteit, creëert de overheid nog steeds randvoorwaarden en wordt de sociale bescherming van de werknemer niet afgebouwd. Flexicurity is er het sleutelwoord, een combinatie van flexibiliteit én zekerheid. Denys lanceert liefst zestig voorstellen voor de verschillende aspecten van het werkgelegenheidsbeleid.
De individuele burger is natuurlijk in de eerste plaats geïnteresseerd wat dit voor hem/haar zal betekenen. In het laatste hoofdstuk maakt Denys de lezer wegwijs in een loopbaan in de moderne arbeidsmarkt. Loopbanen zullen er in de toekomst anders uitzien dan nu. Tussen de beginfase van groei en de eindfase van afbouw zullen werknemers door opleiding hun competenties blijvend bijwerken om gewijzigde taakinhouden aan te kunnen. De meeste mensen zullen nog altijd een groot deel van hun loopbaan bij dezelfde werkgever doorlopen, maar ze zullen met hun verworven competenties meer keuze hebben er te blijven dan wel te veranderen.
Het betoog van Jan Denys is zeer vlot te volgen, want inzichtelijk en duidelijk gestructureerd. Voor mij was het een leerrijke en aangename verdieping in een actueel en nijpend probleem van onze samenleving. Een aantal vragen blijven echter open. In zijn model wordt er van werknemers veel eigen initiatief verwacht. Dit kan niet iedereen zomaar opbrengen. Zoeken naar werk vraagt bovendien veel tijd en energie die mensen soms, zeker in bepaalde fasen van hun leven, alleen kunnen opbrengen wanneer ze even belangrijke levenssferen verwaarlozen. Voor wie de eigen beroepsloopbaan bewust wil sturen vormt dit boek echter een duidelijke meerwaarde.
© Minervaria
POLMAN, L., De crisiskaravaan. Achter de schermen van de noodhulpindustrie. A’dam, Uitg. Balans, 2008, 230 pp. – ISBN 978 90 5018 973 6
In de lagere school spaarden we zilverpapier voor de arme negertjes in Congo. En als we een munt in zijn bakje stopten ging het hoofd van de zwarte man verwoed aan het knikken. Nu gaat er geen week voorbij zonder dat er een zending van een hulporganisatie in de bus zit. Internationale Niet-Gouvernementele Organisaties als het Internationale Rode kruis, Oxfam, Handicap International en Artsen Zonder Grenzen hebben de hulpmarkt overgenomen. Op het ogenblik zijn er wereldwijd meer dan 37.000 geregistreerd.
Humanitaire organisaties helpen de slachtoffers van natuurrampen en oorlogsgeweld overal ter wereld. In de praktijk gebeurt dit overwegend in de arme delen van de wereld. Rond humanitaire hulp is een ware industrie ontstaan waarin miljarden dollars omgaan. Dat geld is afkomstig van donoren, voor een klein deel van particulieren, voor het grootste deel van de regeringen van overwegend rijke landen. Aldus vertegenwoordigen zij het geweten van de rijke wereld.
Toch is dat geweten niet zo zuiver als we het wensen. Want veel van de humanitaire hulp gaat naar oorlogsgebieden waar bijstand aan de getroffen burgerbevolking afhangt van de medewerking van oorlogvoerende partijen. In deze omstandigheden is het voor de INGO’s nagenoeg onmogelijk om de basisprincipes van de humanitaire hulpverlening na te leven. Het nobele uitgangspunt dat slachtoffers altijd en overal moeten geholpen worden en slachtofferhulp alle politieke en militaire belangen overstijgt staat onder toenemende druk.
Bijna alle moderne oorlogen zijn immers burgeroorlogen. Die worden niet uitgevochten op slagvelden door legers van verschillende landen maar door volksmilities, afscheidingsbewegingen, opstandelingen en rebellen in eigen land. Daarbij worden burgers door de strijdende partijen gegijzeld en zijn de humanitaire hulpverleners steeds vaker overgeleverd aan de grillen van de oorlogvoerende partijen.
Linda Polman brengt verslag uit van de gang van zaken in de humanitaire ruimtes die ze als journaliste bezocht. Het resultaat is een schokkend en onthutsend relaas over de patstelling waarin INGO’s gevangen zitten. Met het helpen van de burgerbevolking verlenen de hulpverleningsorganisaties willens nillens ook hand- en spandiensten aan de krijgsheren en milities. Slachtofferhulp heeft immers niets van doen met oorlogslogica. Daar telt alleen winnen of verliezen.
Op indringende wijze onthult ze hoe het verlichten van menselijk leed op de meest schaamteloze en brutale wijze uitgebuit en misbruikt wordt door alle oorlogvoerende partijen en politici. Op talloze manieren worden hulpverleners door de verschillende partijen uitgemolken en voor het blok gezet. Strijders en militairen hergroeperen zich in de vluchtelingenkampen, gijzelen burgers als levende schilden en kunnen er zelf herstellen van het strijdgewoel. Legers, rebellen en milities stelen voedselvoorraden uit opslagplaatsen en hulpkonvooien en gebruiken of verkopen ze om hun oorlogskassen te spekken. In veel gevallen kunnen INGO’s hun werk alleen maar doen mits ze toestemming hebben gekocht van de leiders van rebellenorganisaties die de kampen in handen hebben.
In die schrijnende toestanden gaat de internationale hulpverlening echter ook niet vrijuit. Want als onvoorwaardelijke hulp betekent dat de oorlog verlengd wordt, moeten hulpverleners zich afvragen of men er ongestoord mee kan doorgaan. En dat gebeurt niet of veel te weinig. De hulporganisaties hebben het immers veel te druk met de zorg voor het eigen bestaan. Geen enkele hulporganisatie kan het zich veroorloven te vertrekken uit een humanitaire ruimte. Omdat ze voor hun werking afhankelijk zijn van donoren levert media-aandacht voor rampen meerinkomsten op voor de hulporganisaties. Het is belangrijk om in de kijker te lopen bij iedere grote humanitaire ramp. En dus moeten ze aanwezig blijven op het veld, hoe dit er ook uitziet.
Internationale hulpverlening is een industrie. De organisaties zijn bedrijven vermomd als moeder Theresa, aldus Linda Polman. Ze noemt het een morele economie, waarin de spelers voortdurend op zoek zijn naar het gat in de markt van de goede werken. Polman beschrijft hoe de strijd om contracten met donoren de INGO’s verdeelt en hen in een concurrentiële strijd drijft. Ze varen mee op de scoringsdrift van de media. Om fondsen te werven moeten ze zichzelf verkopen. Er wordt een tomeloze strijd gevoerd om aandacht en geld. Zonder geweld en verwoesting geen hulp en hoe totaler de verwoesting des te meer hulp. Dus focust men op het leed en worden de aantallen en de ellende van slachtoffers uitvergroot. Ondertussen blijven grote groepen mensen van hulp uitgesloten. Ze leven in landen of streken waarmee donoren geen reclame kunnen maken voor zichzelf of waar ze geen belangen hebben.
Bovendien zijn niet alle organisaties betrouwbaar. Tussen het koren zit veel kaf. Kleinere, vaak religieus geïnspireerde, organisaties gaan soms volstrekt onbekwaam te werk en maken nog meer brokken dan er al zijn. Linda Polman klaagt ook de schandalige manier aan waarop het hulpgeld soms wordt verkwist aan exorbitante salarissen en het decadente luxeleven van een aantal humanitaire hulpverleners.
De crisiskaravaan is een hallucinant en stuitend verhaal over nietsontziend geweld, corruptie, uitbuiting en moordende concurrentie. Tijdens het lezen bekroop mij steeds meer een moedeloos gevoel. Gaat het er echt zo aan toe in de hulpverleningsgebieden? Hoe komen we daar ooit nog uit? Hebben mijn bijdragen dan alleen gediend om deze schrijnende wantoestanden in stand te houden?
En dan komt natuurlijk de vraag: hoe moet het dan wel? Linda Polman bekent dat zij ook geen oplossing kan geven. Het probleem kan alleen door de politiek fundamenteel aangepakt worden. Zolang dat niet gebeurt moeten de verschillende hulporganisaties ophouden met elkaar vliegen af te vangen en meer en beter samenwerken.
Intussen hoeven wij, de donoren, niet meteen te beslissen onze steun te schrappen. We moeten echter veel kritischer zijn. We kunnen vragen stellen aan de INGO’s die we steunen over hun werking en wat ze met de giften denken te doen. Daarvoor geeft Polman zelf een aantal suggesties.
Daar kan aan toegevoegd worden dat we ook druk kunnen uitoefenen op politici om geen steun te verlenen aan regimes de hulp misbruiken of de mensenrechten met de voeten treden.
Omdat de INGO’s het zelf niet doen, wilde Linda Polman de pijnpunten ervan bloot leggen. Daardoor krijgen we misschien een eenzijdig en vertekend beeld van de internationale hulpverlening. Maar zelfs als slechts de helft van het verhaal van Linda Polman klopt, is het alarmerend genoeg om niet zonder meer in volle vertrouwen de zoveelste wervende brief van een hulporganisatie te beantwoorden.
Dit boek is zonder meer een eye-opener!
© Minervaria
Aansluitend:
Verloren in wanorde.
STAARINK, H.A.M., Zo zit het! Over zitten, stoelen en rolstoelen. Assen, Van Gorcum, 2007, 212 pp. – ISBN 978 90 232 4341 0
De afgelopen jaren werd comfortabel zitten steeds minder vanzelfsprekend. Een nieuwe kantoorstoel bleek geen slechte aankoop maar bracht niet het verhoopte soelaas. Dus zocht ik een goed boek over zitten en zithouding. Het werk van Harrie Staarink sprak me meteen aan. Het ontwerpen van een rolstoel was de aanleiding voor een diepgaand onderzoek naar meetbare criteria voor een goede zithouding.
Doordacht is het boek van Staarink zeker. Zitten en zitgedrag worden op een wetenschappelijke wijze behandeld. Dat levert een technisch en zakelijk werk op, waarop de doorsnee lezer zijn tanden breekt. Een belangrijk deel gaat over het zitten in rolstoelen. Maar om goede rolstoelen te ontwerpen moet je het zitgedrag van mensen in het algemeen begrijpen. Dit pakt Staarink dan ook eerst aan.
Zitten is blijkbaar geen eenvoudige bezigheid. Wie gaat zitten zoekt een comfortabele houding voor dat moment. Maar na verloop van tijd voldoet die niet meer. Dan wordt een andere houding gezocht. Daarom zitten mensen eigenlijk nooit stil. Dat was een opluchting voor me. Ik bleek niet de enige die dezelfde houding niet lang kan volhouden.
Staarink vraagt zich vervolgens af welke factoren het comfort van een zithouding bepalen. Het hoeft ons eigenlijk niet te verwonderen dat we uitkomen bij een laag energieverbruik. Aan zitten willen mensen liefst zo weinig mogelijk energie spenderen. Ze zitten liever in een passieve ongemakkelijke houding dan in een actieve houding die het lichaam minder belast. Zo zie je inderdaad mensen hoogst oncomfortabel ‘hangen’ op stoelen en banken die daar helemaal niet op gebouwd zijn. Daarbij zoeken ze vooral stabiliteit. Bepaalde spieren en ligamenten worden daardoor echter overbelast.
In een zeer technisch hoofdstuk over de verschillende componenten van zitgedrag onderzoekt Staarink wat de meest verantwoorde comfortabele zithouding is. Die blijkt verrassend gelijk te zijn, hoewel er toch heel verschillen zijn tussen mensen. Een zithoek van om en bij 123° blijkt ideaal. Dat klopt met mijn eigen ervaring. De voorgaande inzichten toetst Staarink aan verschillende soorten stoelen en zetels. De kniestoel die ik me dacht aan te schaffen heb ik op basis van zijn bevindingen maar geschrapt.
Vervolgens verdiept hij zich in de eigenschappen van een goede rolstoel. Het construeren en aanpassen daarvan is verre van eenvoudig. Er moet met heel veel aspecten rekening gehouden worden. Rolstoelgebruikers zijn immers tot zitten veroordeeld, en kunnen niet naar believen van houding veranderen.
Staarink diept tenslotte vier specifieke zitvraagstukken uit, onder andere de biomechanica van het zitgedrag en de preventie van decubitus. Dit deel is voor een niet-deskundige niet meer interessant en tevens moeilijk te volgen.
Dit boek is voor het grootste deel een vaktechnisch werk. Het is immers bestemd voor professionele hulpverleners. Ik heb het dan ook selectief gelezen. Gedeelten met veel vaktaal, formules en berekeningen heb ik overgeslagen. De voor leken begrijpelijke onderdelen zijn echter toegankelijk geschreven. De tekst wordt ruim ondersteund door illustraties, waarvan de meeste alleen door professionelen te begrijpen zijn.
Met het lezen van dit boek zijn mijn zitproblemen natuurlijk niet opgelost. Maar ik kan wel verder met de voorwaarden waaraan een goed zitmeubel dient te voldoen. Ik heb er ook een paar tips opgestoken over de beste zithouding bij het werken aan een computerscherm.
Het belangrijkste is wel dat ik mij veel bewuster geworden ben van mijn zitgedrag. Van zitten mag je gerust moe worden, aldus Harrie Staarink. Een actieve zithouding kan je het beste afwisselen met een passievere houding en met beweging. De zithouding is minstens even belangrijk als de eigenschappen van de stoel. “Men bedenke dat je op een goede stoel slecht kunt zitten en op een slechte stoel goed.”, aldus Harrie Staarink (p. 60).
Een beperkte weergave van Zo zit het is gepubliceerd als Google-book.
© Minervaria
Aansluitend: Opstelling beeldschermwerkplek
JACOBS, B., De prijs van gelijkheid. A’dam, Uitg. Bert Bakker, 2008, 251 pp. – ISBN 978 90 351 3321 1
Dit boek gaat over verschil en gelijkheid in inkomen. De lezer wordt reeds in het voorwoord gewaarschuwd: voor niet-ingewijden in de economie wordt het een stevige kluif. Maar mensen met een redelijke achtergrond in algemene economie zouden het wel moeten kunnen volgen, aldus Bas Jacobs, hoogleraar economie en overheidsfinanciën aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Een uitdaging dus. En het is inderdaad worstelen geworden.
Niemand betaalt graag belastingen. Daarmee dragen we immers een deel van de beloning voor hard werk, scholing en spaarzaamheid af aan de overheid. We weten dat dit geld gebruikt wordt om de welvaart in een land te spreiden. Daarvan plukken wij zelf de vruchten via collectieve voorzieningen. Maar wie er misschien niet zo hard voor heeft gewerkt heeft er ook profijt van. Nogal wat mensen vinden dan ook dat ze teveel belasting moeten betalen.
Door belastingen herverdeelt de overheid de totale rijkdom in een land. Zo ontstaat er meer inkomensgelijkheid en groeit er meer maatschappelijke welvaart. Hoe dit herverdelingsbeleid eruit ziet wordt bepaald door de politieke voorkeuren en opvattingen in een land. In het eerste hoofdstuk geeft Bas Jacobs een bondig overzicht van de politieke redenen om naar meer inkomensgelijkheid in een samenleving te streven. Rechtvaardigheidsoverwegingen spelen daarbij de hoofdrol.
Maar ongeacht de politieke voorkeur krijgt herverdeling als middel om de maatschappelijke welvaart te doen stijgen ook economische ondersteuning. Meer welvaart voor iedereen is om verschillende redenen gunstig voor de markt. In dit boek wordt het herverdelingsvraagstuk vanuit een economisch standpunt behandeld. De econoom bekommert zich niet zozeer om rechtvaardigheid, maar om doelmatigheid en efficiëntie. En dit was wel even wennen.
Vanuit economisch oogpunt is het streven naar meer gelijkheid immers een kostenpost. Belastingen verstoren de werking van de markt en leiden tot een minder efficiënte marktwerking. Ook al wordt er uiteindelijk maatschappelijke winst geboekt, het realiseren van welvaart, gelijke kansen en positieve vrijheid resulteert ook altijd in een zeker welvaartsverlies. De prijs van gelijkheid is het offer dat de samenleving brengt om een gelijkere verdeling van welvaart te realiseren. Economen zullen dus uitrekenen wat de samenleving daarvoor moet betalen. Ze willen bovendien uitzoeken welke inkomensverdeling de hoogste maatschappelijke welvaart oplevert.
Dit is ook het opzet van Bas Jacobs. Zijn centrale stelling is dat de prijs van gelijkheid te hoog is. De overheid grijpt op veel manieren in om meer inkomensgelijkheid te bereiken. Door de bril van economen gezien leveren veel van die maatregelen echter geen bijdrage aan meer gelijkheid. Ze zadelen de samenleving daarentegen op met hoge economische kosten. In zijn boek werkt hij deze stellingen grondig uit.
In een moeilijk en saai hoofdstuk probeert hij ons wegwijs te maken in welvaartseconomie. Hij verheldert haar uitgangspunten en berekent wat het kost om gelijkheid na te streven. Hieruit volgt dat een progressieve inkomstenbelasting het meest doelmatige middel is om welvaart economisch efficiënt te delen.
Jacobs neemt vervolgens het herverdelingsbeleid van de Nederlandse overheid onder de loep. Hij legt uit waarom subsidiëring van het hoger onderwijs, van huisbezit en van sparen voor het pensioen niet meer gelijkheid bewerken. Dit geldt evenmin voor het minimumloon en de vlaktaks. Op economische gronden vallen het innen van kapitaal- en vermogensbelastingen en van vennootschapsbelasting dan weer wel te verdedigen. Dit vond ik veruit het meest interessante deel van het boek. Het was een uitstekende gelegenheid om mijn opvattingen over een en ander te toetsen en te nuanceren.
De economie heeft het echter in de politiek, misschien gelukkig maar, niet zonder meer voor het zeggen. De prijs van gelijkheid is het best gediend met een geolied en goed werkend politiek proces. Dit blijft een ideaal, want de politiek heeft rekening te houden met het kiezersgedrag en de veranderlijkheid van politieke voorkeuren. Mensen kiezen bovendien op andere dan enkel economische gronden en verhinderen daardoor soms zelf dat ze optimaal delen in de welvaartskoek.
Bas Jacobs pleit in dit boek voor ‘aanbodvriendelijk sociaal beleid’. Het is wel erg jammer dat hij niet toelicht wat hij hieronder verstaat. Ik heb het in ieder geval niet kunnen vinden. Misschien komt dat door mijn eigen gebrek aan kennis. Maar het is wel een gemiste kans. Er zijn heel zeker velen zoals ik, die weinig begrijpen van het economische proces. Een duidelijke en verteerbare uitleg zou heel zeker in dank afgenomen worden.
Dit boek was een aanleiding om mijn eigen opvattingen over het herverdelingsbeleid van de overheid kritisch te beschouwen. Het was bovendien een leerrijke kennismaking met economisch vakjargon en economenwijsheid. Daarvoor moest ik de politieke en ethische denkkaders loslaten en dat werkte verfrissend.
De economische realiteit is uitermate ingewikkeld. Economische modellen gaan daarom altijd uit van vereenvoudigingen. Ze zijn een zeer gesimplificeerde weergave van de werkelijkheid, waarin essentiële elementen zijn weggelaten. Er zijn talrijke bezwaren en randvoorwaarden. Ik vroeg me dus geregeld af wat de wetenschappelijke waarde van zo’n model nog kan zijn. Met de woorden van Bas Jacobs zelf: “(worden) alle resultaten in de economische theorie gedreven door veronderstellingen en die zijn niet altijd even onschuldig” (p. 158)
Het stelde mij ook teleur dat Bas Jacobs vertrekt van het traditionele mensbeeld in de economie: mensen kiezen individualistisch en rationeel. Ik dacht dat het ook in de economie stilaan daagt dat dit een zeer onvolledig uitgangspunt is.
Ik had het kunnen weten. Het was een zware dobber, en ik beken dat ik de talrijke zeer technische onderdelen, inclusief de tabellen en grafieken, heb overgeslagen. Voor een absolute leek in de economische wetenschap blijven grote delen van dit boek ontoegankelijk. Bas Jacobs heeft echter zichtbaar zijn best gedaan om de inhoud verteerbaar te maken. Ieder hoofdstuk besluit met een begrijpelijke samenvatting en conclusies. Het is jammer dat hij geen verklarende woordenlijst van vakterminologie heeft opgenomen.
© Minervaria
Aansluitend:
de WAAL, F., Een tijd voor empathie. Wat de natuur ons leert over een betere samenleving. (Vert. The Age of Empathy; Nature’s Lessons for a Kinder Society) A’dam/A’pen, Uitg. Contact, 2009, 311 pp. – ISBN 978 90 254 3211 9
In tegenstelling tot wat de aanhangers van de concurrentiële vrije markt beloofden heeft de globalisering niet voor iedereen gunstig uitgepakt. Rijke landen zijn rijker geworden en arme landen armer. Binnen deze landen is bovendien het verschil tussen rijk en arm groter geworden. In Londen bijvoorbeeld heeft de rijkste 10 procent van de bevolking een gemiddeld vermogen van 1 100 000 euro, de armste 10 procent bezit gemiddeld nog geen 4 000 euro. De gevolgen van grote ongelijkheid zijn sociale onrust en de omzetting van frustratie in haat.
In de afgelopen decennia steunde wereldwijd het politieke beleid op een foutieve interpretatie van de darwinistische begrippen struggle for life en survival of the fittest. In de natuur zouden individuen onafgebroken een harde strijd met elkaar leveren om het bestaan. De mens is derhalve fundamenteel competitief ingesteld en gericht op eigenbelang. Zo luidt het adagio van de economie. Op deze wijze wordt de biologie gebruikt als rechtvaardiging voor een op egoïstische beginselen geschoeide samenleving.
De biologie vertelt echter een ander verhaal. Het is zeker juist dat mensen worden gedreven door eigenbelang. We zijn gericht op status, we concurreren om een territorium en een goede voedselvoorziening en gebruiken daarvoor zo nodig flink wat agressie. Een samenleving die daar geen rekening mee houdt kan niet optimaal zijn. Maar we hebben ook een andere kant. We zijn evenzeer coöperatief, we zijn gevoelig voor onrecht en soms oorlogszuchtig maar meestal vredelievend. Een samenleving die deze neigingen negeert kan evenmin optimaal zijn.
Het is tijd dat we onze aannames over de menselijke natuur herzien, zegt de bekende bioloog en primatoloog Frans de Waal. Solidariteit en empathie zijn wezenlijke kenmerken van de mens. Het vormen van emotionele banden is voor onze soort van levensbelang en maakt ons gelukkig. We vertrouwen voor onze overleving enorm op elkaar. De meerderheid van de mensen is altruïstisch, coöperatief, gevoelig voor eerlijk delen en gericht op gemeenschappelijke doelen. Alleen een minderheid is enkel gericht op zelfzuchtig handelen.
Deze fundamentele neigingen zijn reeds aanwezig bij onze naaste evolutionaire verwanten, de apen en mensapen. Studie van het gedrag van primaten kan ons heel veel leren over de menselijke natuur. Mensen stammen immers af van een lange lijn in groepsverband levende primaten die voor hun overleven in hoge mate afhankelijk waren van elkaar. Ook bij andere zoogdiersoorten zijn empathie en helpend gedrag geobserveerd.
Met zwier leidt Frans de Waal ons door het fascinerend onderzoek naar de oorsprong van altruïsme en gerechtigheid bij mensen en andere dieren. Zijn jarenlange studie en ervaring met apen en mensapen leveren de Waal ontelbare voorbeelden op van inlevingsvermogen en solidariteit bij deze dieren. Hij toont aan hoe ze elkaar troosten bij verdriet of tegenslag en zorgen voor zieke en zwakke soortgenoten. Ook samenwerken, wederkerige dienstverlening, eerlijk delen en een gevoel voor rechtvaardigheid zijn bij onze verre neven te observeren. De kern van onze ethiek en religies, de gulden regel, is bij hen reeds in de kiem aanwezig.
Er is een groeiende consensus dat emotionele banden bij de mens en andere dieren berusten op dezelfde biologische grondslag. Op anderen afgestemd zijn, activiteiten coördineren en zorgen voor behoeftigen beperkt zich niet tot onze soort. Er bestaat geen echte kloof tussen mensen en andere dieren. We zijn voorgeprogrammeerd om elkaar te helpen en bij te staan. Ontwikkelingspsychologisch onderzoek onthult de verbluffende parallellen tussen mensenkinderen en mensapen. Mensen vertonen dezelfde neigingen als mensapen, alleen in sterkere mate. Wat ons van andere dieren onderscheidt is dat wij in staat zijn een hoogontwikkelde uitwisseling van gunsten en diensten op veel grotere schaal te realiseren.
Een samenleving die louter op egoïstische motieven en de krachten van de markt stoelt kan misschien rijkdom voortbrengen maar niet de eenheid en het wederzijdse vertrouwen die het leven de moeite waard maken, zegt de Waal. De machine draait niet soepel als er geen sterke gemeenschapszin onder de burgers bestaat. Elke samenleving dient dus een evenwicht te vinden tussen zelfzuchtige en sociale motieven. Het is een kwestie van verlicht eigenbelang.
Ondanks de verruwing in de moderne samenleving blijft Frans de Waal optimistisch. Omdat empathie zo fundamenteel is voor de menselijke natuur is het een robuuste eigenschap die zich bij vrijwel ieder mens zal ontwikkelen. Als we er ons op toeleggen deze menselijke neigingen tot verbondenheid en samenwerking te laten groeien zal de samenleving er blijvend kunnen op rekenen. De politiek lijkt klaar voor een nieuw tijdperk waarin de nadruk ligt op samenwerking, integratie en sociale verantwoordelijkheid, zegt hij hoopvol.
Een boek van Frans de Waal belooft altijd puur leesgenot en dit vormt hier geen uitzondering op. In de eerste plaats heeft hij ondubbelzinnig een hart voor dieren. Zijn uitgebreide studie van apen en mensapen en de dagelijkse omgang met hen staat garant voor een indrukwekkende wetenschappelijke kennis van de biologie, primatologie, (ontwikkelings)psychologie, en antropologie. En dat alles krijgt de lezer gepresenteerd in een uitermate boeiend en samenhangend verhaal over een dierenwereld die niet eens zover van de onze staat.
Warm aanbevolen!
© Minervaria
Addendum 1: ontroerend filmpje over een kater die zijn maatje verloor.
Addendum 2: Minder ongelijkheid ook goed voor de rijken
OWEN, D., Zieke wereldleiders. Hoe overmoed, depressie en andere aandoeningen politieke beslissingen sturen. (Vert. In Sickness and in Power. Illness in heads of government during the last 100 years) A’dam, Nw. A’dam, 2008, 352 pp. – ISBN 978 90 468 0414 8
Politici en regeringsleiders hebben veel invloed op de levens van mensen die ze regeren. In uiterste gevallen gaat het om leven of dood. Om doordachte en evenwichtige beslissingen te kunnen nemen moeten ze goed geïnformeerd worden door degelijke adviseurs en beschikken over een redelijke lichamelijke en psychische gezondheid.
David Owen is arts en was gedurende 40 jaar als Brits parlementslid en minister zeer nauw betrokken bij de Britse en internationale politiek. In dit boek onderzoekt hij hoe medische aandoeningen bij regeringsleiders van de twintigste en eenentwintigste eeuw hun handelen beïnvloedden en het verloop van de geschiedenis bepaalden. Hij geeft eerst een overzicht van regeringsleiders met gezondheidsklachten in de loop van de hele twintigste eeuw. Dat blijken er heel wat te zijn.
Van de ziektegeschiedenis van drie bekende leiders maakt hij een meer gedetailleerde studie. Hij maakt duidelijk hoe de ernstige kwaal van de Britse premier Anthony Eden in de Suezcrisis de binnenlandse politiek in Egypte en zijn relaties met het Westen beïnvloedde, hoe de ziektegeschiedenis van John Kennedy, en dan vooral de behandeling ervan, de aanpak van twee Cubacrisissen bepaalde en tenslotte hoe de ‘laatste koning van Frankrijk’, president François Mitterrand, met een zware ziekte het Franse presidentschap heeft ingevuld. Om verschillende redenen hebben deze staatsleiders hun kwalen zo lang mogelijk geheim gehouden. Volgens Owen werd hun politieke besluitvorming niet zozeer negatief beïvloed door de ziekte zelf, maar wel door hun gebrek aan openheid over die ziekte.
Voor deze mensen geldt dat ze hun functie ondanks de moeilijke omstandigheden toch zeer gewetensvol hebben vervuld. Er zijn echter ook staatshoofden die lichamelijk redelijk gezond zijn of waren, maar toch onverantwoorde beslissingen namen omdat de macht hen naar het hoofd steeg. Owen noemt dit het hoogmoedssyndroom. Hoogmoed is bijna een beroepskwaal van regeringsleiders en leidinggevenden in het leger en het zakenleven. Macht doet iets met het geestelijke evenwicht van mensen. Het is een bedwelmend middel en niet iedere politieke leider heeft het standvastige karakter dat vereist is om daar weerstand tegen te bieden.
In een case-study belicht hij uitgebreid hoe de Britse premier Tony Blair en de Amerikaanse president George Bush jr. zowel voor als na de inval in Irak verblind waren door het hoogmoedssyndroom. Daardoor hebben ze een uitzichtloze situatie gecreëerd in het Midden-Oosten waarvan miljoenen mensen het slachtoffer zijn geworden. Een belangrijke oorzaak ziet hij in de evolutie van de vertegenwoordigende democratie naar een consultatiedemocratie. Politici zijn afhankelijk geworden van de heersende sentimenten van de dag. Voor hun eigen voortbestaan moeten ze steeds meer rekening houden met hun populariteit en de populariteit van hun beslissingen. Daardoor zijn ze geneigd te weinig rekening te houden met het advies van democratisch ingestelde commissies en colleges.
Welke lessen kunnen nu uit deze dossiers getrokken worden? David Owen pleit in de eerste plaats voor meer openheid bij de politici zelf over hun kwalen. Uit de geschiedenis blijkt immers dat ziekte op zich, mits verantwoord behandeld, de competentie van een politieke leider niet negatief beïnvloedt. Indien de ziektes van staatsleiders uit het verleden bekend waren had men het beleid daarop kunnen afstellen. De loop der geschiedenis had zeker een andere en waarschijnlijk een betere wending kunnen nemen. Voor een aantal landen, o.a. Iran en India, legt Owen uit hoe zware problemen te vermijden waren indien de ziekte van de leider eerder bekend was geweest.
Voorts hebben alle landen regels nodig die onafhankelijk medisch onderzoek verplicht stellen en die formele procedures vastleggen voor een machtsoverdracht wanneer het staatshoofd door medische problemen niet in staat is zijn taken uit te voeren. Owen doet ook een oproep tot de medische wereld om het hoogmoedssyndroom als psychische ziekte te definiëren. Dit zou het mogelijk maken in voorkomend geval de aberraties van politici als medisch probleem te behandelen.
Verder houdt hij een pleidooi voor internationale procedures waarmee het mogelijk wordt een regeringsleider af te zetten wanneer hij niet meer in staat is te regeren door ziekte of het hoogmoedssyndroom. Tirannie en schendingen van de mensenrechten kunnen niet langer beschouwd worden als een zaak van nationale soevereiniteit, maar zijn bedreigingen voor de wereldvrede. Ze rechtvaardigen zonder meer een interventie van de Verenigde Naties.
Zijn politieke ervaring heeft David Owen natuurlijk een indrukwekkende feitenkennis opgeleverd. Als arts is hij bovendien goed geplaatst om de invloed van ziekte en medicatie op de politieke besluitvorming te beoordelen. Dit brengt mee dat hij met veel kennis van zaken spreekt. Zijn betoog is gedetailleerd uitgewerkt met vermelding van namen en data en soms zelfs de precieze tijdstippen van gebeurtenissen. Het is tevens uiterst degelijk gedocumenteerd.
De doorsnee lezer wordt daardoor echter overspoeld door details die hem regelmatig het spoor bijster maken. Alhoewel de tekst zich doorgaans vlot laat lezen, vraagt het begrijpen ervan veel kennis van de politieke situatie. Gelukkig heeft de Nederlandse uitgever het oorspronkelijke boek in overleg met de schrijver ingekort. Toch krijgt de lezer nog een treffend beeld van het ingewikkelde politieke bedrijf.
Het meest interessant waren voor mij de laatste hoofdstukken waarin Owen zijn voorstellen en conclusies formuleert. Ze liggen in de lijn van de opvattingen van andere voorvechters van een doorzichtige en radicale democratie, zoals Farid Zakaria en Benjamin Barber.
© Minervaria