maandag 8 oktober 2018

Ecomodernisme



VISSCHER, M., BODELIER, R. e.a., Ecomodernisme. Het nieuwe denken over groen en groei. A’dam, Uitg. Nieuw Amsterdam, 2017, 304 pp. – ISBN 978 90 468 21817

“Als we die groenen laten begaan, rijden we straks weer met paard en kar door de straat.”

Deze karikaturale uitspraak vertolkt de vrees van veel mensen voor de traditionele milieubeweging. Deze zet zich hardnekkig af tegen economische groei, die verwoestend zou zijn voor de natuur. En daarom is ze tegen kernenergie, tegen gentechnologie en tegen kunstmatige bemesting.

Het is net omgekeerd, zeggen ecomodernisten. Economische groei en modernisering hebben een gunstige invloed op de natuur. Ze zorgen voor meer welvaart en welzijn, en zijn voorwaarde voor sociale en culturele ontwikkeling. Rijke landen hebben de minste milieuproblemen, want vanaf een zeker niveau van welvaart gaan mensen beter zorgen voor de natuur.

De natuur wordt juist beschermd met alles wat onze westerse samenlevingen modern maakt. De vindingrijkheid van de menselijke soort maakte de afgelopen eeuwen een einde aan allerlei problemen die eerder nog werden gezien als onvermijdbaar en onoplosbaar. Dit betekent niet dat er geen problemen meer zijn. Nog steeds leven er mensen in armoede en voedselonzekerheid, er is nog steeds aanzienlijke milieuvervuiling.

Ecomodernisten ontkennen deze problemen niet, maar ze staan kritisch tegenover het nationale en internationale milieu- en natuurbeleid. Ze nemen een rationeel standpunt in en pleiten voor wetenschappelijke en technologische oplossingen die aantoonbaar werken. Niet ideologie, maar pragmatische oplossingen zullen de natuur beschermen.

In dit boek behandelen zeven auteurs kernachtig de belangrijkste ecomodernistische ideeën op het gebied van energie, landbouw, natuur en armoede. Ze maken duidelijk wat er mis is met wind en zon als bronnen van energie, verhelderen de voordelen van kernenergie en bespreken de energievoorziening in arme landen. Ze tonen aan waarom de intensivering van de landbouw niet alleen noodzakelijk is om de groeiende wereldbevolking te voeden, maar tevens te verkiezen boven biologische teelt als het aankomt op de bescherming en het behoud van de natuur.

Ecomodernisten zien overigens geen tegenstelling tussen natuur en cultuur. Menselijke activiteiten zijn niet noodzakelijk bedreigend voor de biodiversiteit, integendeel. En hoe belangrijk natuurbescherming en duurzaamheid ook mogen zijn, toch zijn er goede redenen waarom armoedebestrijding wereldwijd voorrang moet krijgen, ook als dit betekent dat energie wordt gehaald uit fossiele brandstoffen.

Natuurbehoud en –bescherming kan perfect zonder dat we onszelf tekort doen, menen ecomodernisten. Ze willen zich niet vastbijten in een onwrikbare overtuiging, maar open staan voor twijfel en hun meningen herzien op basis van wetenschappelijk bewijs. En ze maken zich sterk dat ze realistischer, wenselijker en ambitieuzer ideeën aanbieden dan de soms dogmatische oplossingen van de traditionele groene beweging.

Een jaar geleden had ik geen idee van het bestaan van het ecomodernisme. Het was een verrijkende kennismaking en ik hoop meer van hen te horen. De verschillende bijdragen zijn bovendien zeer vlot leesbaar en dus zonder meer toegankelijk voor de modale lezer. Een aanrader zonder meer!

© Minervaria

Noot:
Over dit boek zei Louise Fresco, voorzitter van Wageningen UR: ‘Dit frisse pleidooi van de ecomodernisten is een belangrijke bijdrage aan de zo noodzakelijke dialoog over duurzaamheid.’(Blog Marco Visscher)

dinsdag 18 september 2018

Spiegelzee. De zeespiegelgeschiedenis van de mens

KROONENBERG, S., Spiegelzee. De zeespiegelgeschiedenis van de mens. A’dam/A’pen, Uitg. Atlas Contact, 2017, 272 pp. – ISBN 978 90 450 3296 2

Had u ooit al over het Eemien gehoord? Ik in ieder geval niet. Het is de warme periode tussen de twee laatste grote ijstijden, zo’n 120.000 jaar geleden. Toen stond de zeespiegel wereldwijd ongeveer zes meter hoger dan nu. Maar 18.000 jaar geleden, in het koudste gedeelte van de laatste ijstijd, stond de zeespiegel juist heel laag. Op sommige plaatsen kwam de zee tot wel 120 meter lager dan nu het geval is.

Wat is de oorzaak van die wereldwijde zeespiegelveranderingen en hoe weten wij dat? Wat gebeurt er precies als de zeespiegel stijgt of daalt? Hoe kan het dat, terwijl wereldwijd de zeespiegel stijgt, het land op bepaalde plaatsen ook stijgt? Hoe snel is alles gegaan? Hoe reageerden de mensen al die jaren op die veranderingen? En wat kunnen we daaruit leren voor de toekomst? 

Het antwoord op deze vragen is veel ingewikkelder dan vaak wordt voorgesteld. Het niveau van de zeespiegel hangt af van de opbouw of het smelten van de ijskappen. Dit is het gevolg van de natuurlijke klimaatcycli op aarde. Maar grondig geologisch onderzoek van aardlagen en afzettingen toont aan dat daarbij zeer uiteenlopende geologische processen in elkaar haken en elkaar beïnvloeden.

U gaat op reis door de woelige geschiedenis van de zeespiegel in de voorbije 120.000 jaar. En dat is verre van een luilekkervakantie, want u moet zich vertrouwd maken met een hele reeks geologische termen zoals het abrasieplat, het mariene terras en het tongbekken. U reist kriskras de hele wereld rond, van Nederland naar de koraalkusten van Aruba, over Groenland naar Jersey en vandaar weer naar Zuid-Afrika en Nieuw-Guinea aan de andere kant van de wereld.

De invloed van de uitlaat van broeikasgassen op de zeespiegelstijging is tot nu toe onzichtbaar, aldus Kroonenberg. De zeespiegel stijgt inderdaad wereldwijd, want we zijn nog steeds uit de vorige ijstijd omhoog aan het krabbelen. Maar de analyses tot nu toe laten geen versnelling van de zeespiegelstijging zien. Het is trouwens aannemelijk dat de aarde als gevolg van astronomische factoren op termijn weer op een ijstijd afstevent.

Er is volgens Samuel Kroonenberg vooralsnog geen reden tot paniekreacties. In de voorbije periode van afwisselende ijstijden en warmere interglacialen heeft Homo sapiens de aarde gekoloniseerd. Opgravingen geven een idee hoe mensen vroeger omsprongen met veranderingen in de zeespiegel en zich aanpasten aan de nieuwe omstandigheden. Er is geen reden om aan te nemen dat ze dit nu niet meer kunnen.

Als het echt nodig wordt is er nog het ‘woonbootprincipe’. Het laatste vind ik wel erg kort door de bocht. Het is juist dat Kroonenberg de opwarming van het klimaat niet minimaliseert. Maar al is een rampzalige situatie wellicht nog niet voor morgen, het voorstel om met zijn allen dan maar op woonboten te gaan wonen lijkt mij toch te simplistisch.

Niettemin is dit boek interessant omdat het licht werpt op het grotere plaatje. En alhoewel Kroonenberg zeer onderhoudend schrijft, moet u er echt wel de aandacht bij houden om te kunnen volgen. Gelukkig wordt het betoog overvloedig verlucht met illustraties, schetsen en grafieken.

© Minervaria

Over de stijging van de zeespiegel is het laatste woord nog niet gezegd:

vrijdag 27 juli 2018

De kracht van geld

HAMMOND, C., De kracht van geld. (Vert. Mind Over Money, 2016) A’dam/A’pen, Uitg. Atlas Contact, 2017, 384 pp. – ISBN 978 90 450 2587 2

Wilt u weten wat u allemaal kunt doen met uw geld? Zoekt u interessante beleggingsmethodes of investeringen die veel opbrengen? Kijkt u uit naar een manier om veel geld te verdienen of hoe u het meeste waar kunt krijgen voor uw geld? Als dit het geval is, dan hebt u met dit boek de verkeerde keuze gemaakt.

De kracht van geld gaat niet over wat u met uw geld kunt doen maar over wat geld met u doet. Op zichzelf waardeloze stukjes papier of metaal en getallen op een scherm blijken een buitengewone macht over u te hebben. Het maakt duidelijk hoe moeilijk het kan zijn om te bereiken dat geld u niet in zijn macht houdt maar dat u de macht blijft houden over geld.

De psychologie van sparen en geld uitgeven leert ons hoe geld motiverend kan werken en ons gelukkiger kan maken. Geld kan mensen helpen om ongezonde gewoontes op te geven. Geld kan mensen uiteraard helpen om de armoede te ontstijgen maar ook om beter te kunnen nadenken en doordachter te handelen.

In sommige omstandigheden werkt geld echter averechts. Zo kunnen ‘geweldige aanbiedingen’ kortsluiting veroorzaken in ons gezond verstand. Zoals we allen tot onze schade en schande al mochten ondervinden wordt daarvan gretig gebruik gemaakt in reclame en verkoop. De exuberante bonussen van bankiers werken juist roekeloosheid en gemakzucht in de hand. In bepaalde omstandigheden gebruiken mensen het niet om hun situatie te verbeteren maar rijden zichzelf ermee in de vernieling.

U maakt kennis met de resultaten van maar liefst 263 ingenieuze experimenten over onze ingewikkelde relatie met geld. Deze tonen overvloedig aan dat onze beoordeling van geld niet zuiver rationeel is. Minstens even boeiend is de opzet van deze experimenten door vooraanstaande onderzoekers in de economische psychologie zoals Daniel Kahnemann.

Een deel van de vergissingen die we begaan met betrekking tot geld zijn echter gemakkelijk te voorkomen als we ze kunnen herkennen, zegt Claudia Hammond. Geld geeft immers alleen vervulling als we weten wat we ermee moeten doen en als we weten dat het niet al onze problemen zal oplossen. Ze besluit haar boek dan ook met liefst 32 tips om geld in onze macht te blijven houden.

©  Minervaria

zaterdag 19 mei 2018

Aan de rand van de wereld


PYE, M., Aan de rand van de wereld. Hoe de Noordzee ons vormde. (The Edge of the World, 2014)  A’pen, De Bezige Bij, 2014, 430 pp. – ISBN 978 90 8542 5731

Met de val van het Romeinse Rijk in de vijfde eeuw begonnen de ‘duistere middeleeuwen’. Deze duizendjarige periode kenmerkt zich door cultureel verval, oorlogen, invasies, gewelddadige veroveringen en zelfs genocide. Dit geldt in het bijzonder voor de streken aan de Noordzee, de rand van de wereld, die volgens de Romeinen door barbaarse stammen bewoond werden. Maar was dit echt wel zo?

Michael Pye, historicus en journalist, onderneemt een poging om een preciezer, kleurrijker en vollediger beeld te schetsen van de ontwikkelingen in de Noordzeegebieden van Dublin tot Gdansk, van Bergen tot Dover. Met verve toont hij aan dat de duistere middeleeuwen helemaal niet zo duister waren als algemeen aangenomen.

Over deze periode zijn de geschreven bronnen echter schaars en niet altijd betrouwbaar. Ze hebben bovendien vaak betrekking op een beperkt, elitair deel van de bevolking. Maar tegenwoordig beschikken we over archeologische ontdekkingen, die vaak heel andere onthullingen doen over het dagelijkse leven in die tijd. Zo wordt algemeen aangenomen dat de Angelsaksen nagenoeg de gehele oorspronkelijke bevolking van het Britse eiland uitroeiden. Alle aanwijzingen duiden echter op een veel langer, milder en goedaardiger proces.

Er is zelfs meer. In de landen rond de Noordzee kreeg de moderne samenleving geleidelijk vorm. Het leven van mensen werd ingrijpend beïnvloed door de onderlinge contacten over water. Friese handelaren introduceerden het geld als betaalmiddel. Ze onderhielden ook intensief handelsverkeer met de bewoners van het huidige Rusland en met Aziatische volkeren. De Vikingen ontdekten IJsland, Groenland en Vinland, een deel van het huidige Canada. De invallen van de Vikingen brachten overigens niet alleen veel verwarring, maar ze leidden tot het ontstaan van een nieuw soort nederzettingen, de steden.

Omdat dit havens waren lieten ze zich moeilijk inpassen in de feodale structuren. De zee betekende vrijheid en was aldus de kiem van democratisering. De handel overzee maakte ook nieuwe vormen van geldbeheer nodig: de beurs ontstond en de noodzaak aan wetgeving die berustte op het geschreven woord.

Meer mensen konden toen trouwens lezen dan altijd werd gedacht. En wist u dat de moderne vorm van het boek door de Ieren werd uitgevonden? Zo werd de weg geplaveid naar de boekdrukkunst en geletterdheid, onmisbare voorwaarden voor de bloei van wetenschap en kritische geesten.

En er valt nog veel meer te leren over de rijke geschiedenis van de Noordzeelanden en -volkeren. Het Noorden was verre van een ruw gebied met een onbeschaafde bevolking. Het toenmalige leven moet natuurlijk niet opgehemeld worden. Mensen waren heel wat minder vrij dan tegenwoordig, maar ze waren wel even ondernemend en inventief. 

Michael Pye brengt oude, vergeten teksten tot leven en verbindt ze met vondsten uit recent archeologisch onderzoek. Het resultaat heeft de allure van een epos en geeft zeer goed de sfeer weer van het leven in het Noordzeegebied tijdens de middeleeuwen. 

Het verhalende karakter van dit werk gaat jammer genoeg ten koste van een systematische en analytische behandeling van deze tijdsperiode. Vaak was het moeilijk om door het bos de bomen nog te zien. Niettemin is het een onschatbare verdienste van de auteur dat hij deze 'verloren' wereld voor ons heeft herontdekt.

© Minervaria

vrijdag 30 maart 2018

De opmars van de regio's

VAN LANGENHOVE, L., De opmars van de regio’s. Hoe de wereld van staten wordt geregionaliseerd. Brugge, Die Keure, 2014, 159 pp. – ISBN978 90 4861 839 2

Net voor ik dit boek begon te lezen barstte het conflict los tussen de Spaanse staat en Catalonië.  Het is een perfecte illustratie van het wel en wee van de opmars der regio’s. Nieuw is het niet, een unicum evenmin. Sedert 1993 is België bijvoorbeeld een federale staat waarin de bevoegdheden verdeeld zijn over verschillende gemeenschappen en gewesten en liefst zes regeringen. En ook in andere staten nemen regio’s een deel van het bestuur waar.

Eeuwenlang waren staten de basis van het bestuur van de samenleving én de bouwstenen van de internationale betrekkingen. Maar in de voorbije halve eeuw hebben ze dat monopolie verloren. Deze functies worden in gestaag tempo overgenomen door regio’s. Luk Van Langenhove licht deze ontwikkeling toe en analyseert de consequenties daarvan voor de wereldorde.

De eerste vraag is natuurlijk wat onder een regio kan verstaan worden. Regio’s zijn geen staten maar zij handelen als staten. Afhankelijk van hun verhouding tot een staat kunnen er drie soorten regio’s worden onderscheiden. Subnationale regio’s zijn onderdeel van een staat, supranationale regio’s overstijgen deze. Van het laatste is de Europese Gemeenschap een voorbeeld. En er bestaan ook grensoverschrijdende regio’s die zich over twee of meer staten spreiden.

Alle retoriek ten spijt over natuurlijke identiteiten, zijn regio’s geen natuurlijke categorieën, net zomin als staten. Ze ontstaan in de hoofden van mensen. Het zijn ideeën die vertaald worden in bestuurlijke identiteiten. En uiteindelijk zijn het de staten zelf die regio’s bouwen om verschillende redenen.

Ja, waarom bouwen staten eigenlijk regio’s? Het antwoord daarop kan kort zijn: uit eigenbelang. De hoofdreden is dat ze beter willen kunnen functioneren in de geglobaliseerde wereld van vandaag. Toch zijn de gevolgen niet onverdeeld positief. Staten worden geconfronteerd met meer complexiteit en ‘ongehoorzaamheid’ van de regio’s. Tussen staten en regio’s ontwikkelen zich verschillende soorten verstandhouding. De staten en regio’s zijn aanhoudend verwikkeld in politieke conflicten, die snel een nationalistisch tintje kunnen krijgen.

Het gouden tijdperk van de staten is duidelijk voorbij. Hoe ziet de wereld van morgen er dan staatkundig uit? De wereld van staten zal niet zo snel verdwijnen, maar wordt met die verschillende machtscentra wel ingewikkelder. En dat houdt kansen in maar ook struikelblokken en risico’s.

De regionalisering heeft immers verstrekkende gevolgen. De wereld wordt dynamischer maar ook minder stabiel. Als we willen dat ze meer rechtmatig en efficiënt bestuurd wordt, dan is het bijvoorbeeld belangrijk dat internationale instituties worden gereorganiseerd op basis van een geregionaliseerde wereldorde. Het is duidelijk dat dit niet zonder de nodige conflicten zal gaan.

Regionaliseringsprocessen zijn al snel politiek geladen. Zoals het een wetenschapper betaamt benadert de auteur het onderwerp met een objectieve en onbevooroordeelde blik en houdt hij zich ver van politieke gevoeligheden. Toch gaat hij de hete hangijzers niet uit de weg. Zo biedt hij een interessant en verhelderend betoog over de oorsprong en aard van regionale identiteiten. En hij maakt duidelijk dat de staat als bestuurlijke entiteit iets anders is dan een natie, een idee uit de 18de eeuw.

Dit boek is gebaseerd op een Engelstalige publicatie en geschreven voor een breed publiek. Om alles goed te begrijpen is echter wel enige voorkennis vereist over internationale instituties en organen. De tekst is bijwijlen nogal saai en bevat relatief veel taalslordigheden. Maar wie zich daar niet aan stoort heeft wel veel meer inzicht gekregen in belangrijke huidige en toekomstige politieke ontwikkelingen.

©  Minervaria

woensdag 28 februari 2018

Waarom we werken

SCHWARTZ, B., Waarom we werken. (Vert. Why we work, 2015) A’pen, Davidsfonds/WPG Uitgevers, 2015, 108 pp. – ISBN 978 90 5908 710 1

Als u graag het bed uit komt om naar het werk te gaan, bent u een uitzondering. Wereldwijd vormt het werk voor bijna 90 procent van de mensen eerder een bron van frustratie dan van voldoening. Hoe komt het dat zoveel mensen met tegenzin gaan werken?

Ze zijn ervan overtuigd dat werken een karwei is waar ze zo snel mogelijk van af willen zijn. En vanuit hetzelfde idee beperken managers zich ertoe om controle uit te voeren en hun werknemers te belonen of te straffen. Routinevorming, overmatig toezicht en verloningsprikkels zijn echter desastreus voor goed werk en hebben een averechts effect. Ze werken concurrentie tussen werknemers in de hand en verwoede pogingen om het systeem te manipuleren.

Zo hoeft het echter niet te zijn, aldus Barry Schwartz. Hij toont aan dat het mogelijk is om bijna elk werk zinvol te maken, los van het geld dat het oplevert. Het verschil tussen goede en slechte banen ligt niet zozeer aan de taken zelf, maar aan de context waarin ze uitgevoerd worden.

Als je een omgeving creëert waarin werknemers gerespecteerd worden en ze hun werk als waardevol ervaren, werken ze met plezier. Er zijn bovendien stevige bewijzen dat het anders inrichten van werk niet alleen meer voldoening verschaft aan de werknemers, maar bedrijven ook winstgevender maakt.

Vindt u dit ook het intrappen van een open deur? Waar komt dan het bijzonder hardnekkige idee vandaan dat mensen van nature een afkeer hebben van werken en dat alleen doen omwille van het geld dat het oplevert? Het antwoord van Schwartz op deze vraag vond ik het meest boeiende deel van zijn betoog.

Eerst houdt hij een interessante uiteenzetting over het verschil tussen wetenschappelijke ontdekkingen en uitvindingen. Ontdekkingen leren ons hoe de wereld werkt, uitvindingen gebruiken die ontdekkingen om zaken of processen te creëren waardoor die wereld anders gaat werken. Dit zijn technologieën.

Een theorie over de menselijke natuur is te vergelijken met een wetenschappelijke uitvinding. Ze leert ons niet hoe de mens werkelijk in elkaar zit, maar heeft vooral invloed op de wijze waarop mensen zich gaan gedragen. Daarom noemt Schwartz haar, en meer specifiek de theorie over de menselijke motivatie om te werken, een ideeëntechnologie of ideologie.

Ideologieën zijn onware theorieën die waar kunnen worden, simpelweg omdat mensen erin geloven. Mensen zitten immers niet gevangen in een bepaalde aard. Ze veranderen wel degelijk door werk en het soort werk dat ze verrichten. De ideologie van de luie mens is een zichzelf waarmakende feedbackloop. Ze verklaart waarom tegenwoordig op de meeste werkplekken zo sterk gebruik wordt gemaakt van nauw toezicht, routinematige werkzaamheden en prikkels.

Tenzij we ons gezamenlijk inspannen om deze ideologie te bestrijden, groeien we allemaal uit tot de luie, zelfzuchtige, ons eigenbelang najagende wezens die we volgens sommige sociale wetenschappers altijd al zijn geweest, aldus Barry Schwartz. Maar als we werkplekken zó ontwerpen dat mensen er waardevol werk kunnen verrichten en zin kunnen ontlenen aan hun werk, ontwerpen we tegelijk een menselijke natuur die werk waardeert.

Er is dus nog veel werk aan de winkel voor de managementsector!

Dit dunne, vlot leesbare werkje is de neerslag en verdere uitwerking van een TED-talk uit 2013. Wie de enthousiaste Barry Schwartz liever zelf aan het woord ziet en hoort kan deze hier bekijken.

© Minervaria

woensdag 17 mei 2017

De ondernemende staat

MAZZUCATO, M., De ondernemende staat. Waarom de markt niet zonder overheid kan. (Vert. The Entrepreneurial State, 2014) A’dam, Uitg. Nieuw Amsterdam, 2015, 320 pp. - ISBN 97890 468 1930 2

Wereldwijd wordt verkondigd dat een logge staat de krachten van het revolutionaire bedrijfsleven alleen maar beknot. Als de staat zich er maar niet teveel mee bemoeit, zal de private sector zich voluit op ondernemerschap en innovatie kunnen storten, zo wordt ons voorgehouden. Maar klopt dat wel?

Het is net andersom, zegt Mariana Mazzucato, hoogleraar economie. De computerwetenschap, het internet, GPS, nanotechnologie, robotica en nieuwe geneeswijzen zijn niet ontwikkeld door de private sector maar dankzij de overheid. Die investeerde in fundamenteel en toegepast onderzoek en in de kenniseconomie. Zonder de overheid stond de groene technologie nog in haar kinderschoenen. Ze is vooral een succesverhaal in die landen waar de staat veel heeft geïnvesteerd in de ontwikkeling ervan.

Grote innovaties vereisen immers tijd en geduld en brengen in eerste instantie extreme onzekerheid mee. Dat soort riskante ondernemingen laten particuliere beleggers liever over aan overheidslaboratoria. Pas wanneer ontwikkelingen lucratief lijken te worden komt het privaat initiatief op de proppen. Beleggers willen immers alleen investeren wanneer er winst kan gemaakt worden. Het rendement van revolutionaire staatsinvesteringen wordt daarmee vrijwel geheel geprivatiseerd.

Exemplarisch voor de gang van zaken is het verhaal van Apple, een bedrijf dat doorgaans voorgesteld wordt als lichtend voorbeeld van dynamische kracht. Er wordt echter niet bij verteld dat het succes van Apple gebouwd is op investeringen van de overheid. In essentie heeft Apple eigenlijk alleen een aantal kerntechnologieën, die dankzij overheidsonderzoek zijn ontwikkeld, gecombineerd tot innovatieve consumptiegoederen.

Apple loopt echter wel met de winsten weg en stuurt steeds weer aan op belastingverlaging. Bovendien verplaatste het zijn lucratieve activiteiten voor een belangrijk deel naar het buitenland waar het meer winst kan maken. Ook andere succesvolle bedrijven, zoals de farmaceutische sector, teren op overheidsinvestering, maar houden de winsten voor zichzelf en proberen zoveel mogelijk belastingen te ontduiken.

Als de staat zoveel investeert in startende en risicovolle ondernemingen is het echter niet meer dan billijk dat een deel van de opbrengst terugkeert naar de overheid. Dit is alleen al belangrijk om de innovatieve cyclus in stand te kunnen houden. Maar ook de belastingbetaler heeft recht op de opbrengst onder vorm van sociale voorzieningen. Mensen zouden met recht behoorlijk verontwaardigd zijn als ze zouden beseften dat grote concerns bakken geld verdienen met innovaties die mogelijk gemaakt zijn door hun belastinggeld, maar dat ze daar nauwelijks iets van terug zien.

De verhouding tussen kosten en baten van innoverende technologie zou veel eerlijker verdeeld moeten zijn. Het zou pas rechtvaardig zijn als de staat een direct rendement zou krijgen op investeringen in innovatie. Om dit te verwezenlijken doet de auteur een aantal concrete suggesties.

In dit boek worden een aantal hardnekkige mythes over de rol van de staat en van het privaat initiatief in de markt en de economie met verve doorprikt. Als u wilt weten hoe uw belastinggeld innovatie en economische groei bevordert, maar ook hoe grote bedrijven onbeschaamd met de winst gaan lopen, lees dan De ondernemende staat!

© Minervaria